25 okt 2009

 

zondag 25 oktober 2009

Dorpskerk Durgerdam

voorganger: ds P. Lootsma

m.m.v . de Cantorij

in deze dienst wordt gedoopt EMMA HYKE ISELIEN NABBEN

welkom

zingen                         Gezang 289: 1, 2, 3 en 5 (Cantorij: vers 3)

votum en groet

gebed

zingen                         Wij mensen blijven dromen (Cantorij: vers 2

en 4)

schriftlezing                           Mattheus 14: 22 -33

zingen                         Gezang 467: 1

overweging

zingen                         Gezang 467: 2 en 4

inleiding op de doop

doop

zingen (staande gezongen)    Jouw leven staat aan het begin (allen zingen de verzen 1, 3 en 5, de vrouwen zingen vers 2 en de mannen zingen vers 4, refrein wordt door allen gezongen)

gebed - stil gebed - Onze Vader

cantorij: Cantate Domino (Giuseppe Ottavio Pitoni 1657 - 1743)

collectes

zingen (staande gezongen)    Gezang 488B: 1, 2, 3 en 5

zegen

gebed

Het leven biedt een onafzienbare zee aan mogelijkheden.

Wie ben ik,

wie ben ik wérkelijk,

met wat of met wie ga ik in zee,

aan wie vertrouw ik mij toe,

waar ligt mijn bestemming,

en is er een pad dat mij daar kan brengen?

De mensen om mij heen bieden mij

zeeën aan mogelijkheden.

Naar wie van hen zal ik luisteren,

naar wie van hen zal ik mij richten?

Waardoor laat ik mij vangen

en waardoor wordt ik afgeschrokken,

wát laat ik van mijzelf zien

en aan wie laat ik mijzelf zien,

In hoeverre ben ik mijzelf genoeg,

of besta ik juist en alleen maar via anderen?

De wereld om mij heen

biedt een onafzienbare zee aan mogelijkheden.

Waar sta ik,

waar ga ik

en hoe verhoud ik mij tot alles onderweg?

Is er een laatste horizon

of mag ik mij verbonden weten met wie

geen grenzen wil of kan erkennen?

O God, ik kan alleen bidden dat ik de enige niet ben die het antwoord op deze vragen niet vinden kan. In mijn angst ten onder te zullen gaan, bid ik

Heer, ontferm u over ons!

inleiding op de schriftlezing

Jullie laten vanmorgen je derde dochter, Emma, dopen, hier in deze schitterende kerk in Durgerdam. Het lijkt een toevallige samenloop van omstandigheden en dat is het in zekere zin ook dat jullie hier verzeild geraakt zijn! En het aardige daarvan is dat jullie beiden vanaf vanmorgen iets met dit dorp zullen hebben. Want wat wij hier zullen doen, is niet zomaar iets! Wij voltrekken hier een belangrijke ‘rite de passage’, een overgangsritueel. Hier, vanmorgen zal Emma straks voor het eerst in haar leven met ‘u’ worden aangesproken. Haar namen zullen worden uitgeroepen boven het doopwater, het water van de dood waaruit zij tevoorschijn wordt geroepen. Daarmee wordt zij een eigen, volstrekt oorspronkelijk schepsel dat op tweeërlei wijze geworteld is: natuurlijk in de éérste plaats in wat jullie voor haar zijn en wat jullie haar meegeven, maar tegelijkertijd, en dat dan in de twééde plaats, willen jullie dat zij bovendien thuis is in de oneindige ruimte en vrijheid die ons allemaal ter beschikking is gesteld. Jullie hopen haar zó af te duwen dat zij zich vol vertrouwen in het hachelijke avontuur dat leven heet zal storten en dat in zekere zin vandaag voor haar begint.

Daar moet een verhaal bij klinken. Wij hebben daar gedrieën over gesproken en we waren het er over eens dat het verhaal van Jezus en Petrus die elkaar over het water tegemoet gaan, zich goed voor de gelegenheid leent. Want in dat verhaal gaat het over onze moeizame zoektocht naar voldoende vertrouwen om niet te worden verzwolgen door donkere dieptes. Maar ook de zee die er een rol in speelt en het schip waar de leerlingen van Jezus op varen, vormen een decor dat jullie onmiddellijk verbonden met Durgerdam.

Misschien is het in dat verband aardig om straks nog even goed te kijken naar de twee scheepjes die achter in de kerk staan en hangen. Zij vertellen eigenlijk datzelfde verhaal, over hoe men hier in de jaren dat er op zee gevist werd, aan den lijve moest ondervinden wat het is om kwetsbaar te zijn én om aangewezen te zijn op een vertrouwen dat eigenlijk altijd als een geschenk ervaren wordt.

lezen: Mattheus 14: 22 - 33

overweging

Jezus dwóng zijn discipelen in het schip te gaan en hem vooruit te varen naar de overkant. Met die woorden begint het verhaal van vanmorgen. Kennelijk aarzelen zij om de tocht alléén te ondernemen of zijn ze bang. En daarover willen wij het vanmorgen hebben, over die aarzeling of angst. En over de benodigde moed en het onontbeerlijke vertrouwen om desondanks weg te trekken uit het vertrouwde, de ongewisse ‘overkant’ tegemoet.

Misschien zijn het wel met name ouders die dat kunnen navoelen. Zij zien hoe een klein mensenkind dat maar wankel op zijn beentjes staat voor het eerst de stoel loslaat en alleen de oversteek naar de tafel waagt. Of wanneer het voor het eerst naar school moet, weg van de veilige oever waar het woont. Of, nog weer later, wanneer het voor het eerst alleen in de tram gaat, of de trein of het vliegtuig. Sommige kinderen stappen het ongewisse vol vertrouwen tegemoet en anderen moeten ertoe aangezet worden of er zelfs toe worden gedwongen.

En allemaal denken ze dat ze als ze later groot zullen zijn, nooit meer bang zijn, maar u en ik weten intussen beter. Als je groot bent, ben je nog steeds bang. Je weet nooit hoe het daar zijn zal, ginds, aan de overkant. En je vreest voor wat er onderweg wel niet allemaal gebeuren kan.

Maar misschien moet ik een beetje inbinden, want het zou kunnen dat u nu het gevoel krijgt dat ik u iets sta aan te praten dat u helemaal niet herkent. Misschien heb ik het wel vooral over mijzelf en moet ik het daarom ook allemaal vooral bij mijzelf houden. Dat zou natuurlijk kunnen, ik sluit dat niet uit. Maar tegelijkertijd geloof ik dat ik nu ook weer niet de énige ben die weet heeft van die aarzeling om, laat ik zeggen, een volgende stap te zetten, om koers te zetten naar een nog onbekende oever - en die dus weet heeft van waar het in het verhaal van vanmorgen over gaat.

Ook onder u moeten er zijn die maar liever houvast zoeken op de hen bekende oever, uit angst dat onderweg naar god weet wat de bodem onder je leven weg zal zakken. En die zo dus hun eigen, uiteindelijke kwetsbaarheid niet onder ogen hopen te hoeven komen.

Nog niet zo lang geleden vertelde een aanstaande bruid mij, in een gesprek over haar redenen om in de kerk te willen trouwen, hoe zij, als ze bij voorbeeld hoog in de bergen zit, zomaar, opeens diepbedroefd kan worden en dan in d’r eentje kan gaan zitten huilen. ‘En waarom?’, vroeg ik? ‘Om alles: om de schoonheid van het bestaan’, zei ze, ‘maar ook omdat ik sterven moet en afscheid zal moeten nemen van zoveel lieve mensen en lieve dingen’.

Ze zei zich dus alleen te voelen met zowel haar dankbaarheid als met haar angst. Ook dat hoeft ons niet vreemd voor te komen. Er zijn maar bar weinig mensen die het aandurven hun angsten onder ogen te komen en te erkennen dat ook zij weten hoe het kan spoken op zee en dat het maar een dun wandje is dat ons scheidt van de dood.’ ‘Maar’, zei m’n aspirant bruid, ‘maar ik weet óók dat de macht van de liefde het kan opnemen tegen de macht van de dood, of, zoals de geliefden het in het boek Hooglied zingen: sterk als de dood is de liefde, vele wateren kunnen de liefde niet doven.’ En daarom, precies daarom wilde zij haar huwelijk in de kerk bezegelen en laten inzegenen, om die liefde te vieren die haar, want zo beleefde zij dat, over het water van de dood heen droeg.

Jezus zegt zijn discipelen koers te zetten naar de overkant van het meer. Zij moeten het hun vertrouwde gebied verlaten en het ongewisse tegemoet leven. Ze steken van wal. Dan wordt het nacht en de wind wakkert aan. Het begint te spoken. In de nacht meldt zich wat je overdag niet toelaat. De afgrondelijke gedachten die je overdag hebt weggestopt (het leven moet immers wel leefbaar blijven) spoelen over je heen. Maar je wilt niet overspoeld worden door je verdriet en je zorgen en angsten. Daarom bouw je dijken tegen de zee en áchter die dijken zit je veilig, denk je. Totdat je om welke reden dan ook deze zogenaamde veiligheid áchter je laat en ook jij naar de ‘overkant’ vertrekt. Op zee steekt de storm op en daarmee een niet in te tomen angst de diepte te worden ingezogen.

En kon je die stormen maar tot bedaren brengen! Kon je maar óver dat water heenlopen! Maar dat kán natuurlijk niet, maar wat zou het mooi zijn als het wél zou kunnen, als íemand het zou kunnen, want dan zou het dus kunnen!

En dáárover vertelt nou dat verhaal van vanmorgen. Het vertelt hoe Jezus zijn voet op het water plant, rustig te midden van de woedende golven. Want de eerste dingen zijn voorbij gegaan en de zee is niet meer, zoals het in het boek Openbaring staat. Jezus plant zijn voet op de wateren. Hij is zijn angsten de baas. Hij heeft zijn angsten overwonnen. Niet door ze te ontkennen of uit de weg te gaan, maar door zijn voet er op te zetten. Hij heeft de dood onder de knie. Hij weet zich gedragen door een wonderlijk diep geworteld vertrouwen, een vertrouwen waar niets en niemand van terug heeft, ook de storm niet of de peilloze diepten van de donkere zee!

Het is dát vertrouwen dat in de meest letterlijke zin het wézen is van een godsdienstig leven. ‘Vertrouwen’ is ‘pisteuo’ in het Grieks. Vaak wordt het vertaald met ‘geloven’, maar dat woord roept onherroepelijk misverstanden op. Het wordt vaak geassocieerd en verward met kerkelijkheid. Je gelóóft of, nog erger, je bent gelóvig als je geregeld naar de kerk gaat of je kinderen naar een christelijke school stuurt. Maar daar heeft het allemaal niets mee te maken. Nee, waar het om gaat is de vrijheid, de vrijmoedigheid en de argeloosheid waarmee iemand het leven tegemoet treedt.

Dit verhaal is een verbeelding van twee manieren van in het leven staan. Van respectievelijk Jezus en Petrus. Het laat zien hoe een dergelijk vertrouwen een mens kan dragen. Én het laat zien hoe een gebrek aan vertrouwen maakt dat je wegzakt, de donkerte in.

Het wil een uitnodiging zijn je net als Jezus aan het leven in alle denkbare facetten toe te vertrouwen, aan de mensen om je heen, aan jezelf, aan wat je hoopt en vreest dat er ten diepste in jou leeft. En aan een ongewisse toekomst op een nog onbekende oever.

De woorden ‘doop’ en ‘diep’ zijn etymologisch verwant. Vroeger had je in kerken heel grote doopvonten. Je werd bij de doop diep ondergedompeld. Het was iets griezeligs, je hield je hart vast. Maar wat dopen in feite is wordt dan wel veel inzichtelijker gemaakt: je duikt uit het water op, een tweede geboorte is het. ‘Red mij’, roep je en terstond wordt jou een hand toegereikt en is er een stem die zegt: ‘Waar ben je bang voor? Waar ik gaan kan, mag jij ook gaan!’

Zo bezien is Jezus de verpersoonlijking van de menselijke mogelijkheid om alle stormen tot bedaren te brengen. En om volkomen onbevangen te leven.

Gerard Reve heeft naar mijn smaak veel schitterende religieuze poëzie geschreven. Hij beschikte over een ragfijn gevoel voor waar het in deze verhalen over gaat. Eén van die gedichten luidt aldus:

Eigenlijk geloof ik niets,
en twijfel ik aan alles, zelfs aan U.
Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,
dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,
en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt,
zoals ik U.

Dat zijn de momenten waarop Reve zich gedragen wist. Schaarse momenten waren het, ook bij hem. Want ergens anders zegt hij dat het hem maar ‘gedurende veertig minuten per jaar lukt te geloven dat God eens zal zegevieren en alle tranen zal afwissen.’ Maar op die misschien veertig minuten per jaar komt het aan. Want ín die veertig minuten wortelt de herinnering aan en het besef van het vertrouwen dat ontegenzeggelijk ergens in hem woont.

Het is dat besef dat jullie ook Emma mee willen geven, omdat je weet dat je ook zelf je vrijheid er aan te danken hebt.

Amen