13 sep 2009

 zondag 13 september 2009

Dorpskerk Durgerdam

voorganger: ds Pieter Lootsma

 

liturgie

mededelingen

zingen                                     Psalm 105: 1, 17 en 18

votum en groet

gebed

zingen                                     Gezang 86: 1, 3 en 4

inleiding op de schriftlezing

eerste schriftlezing                           Exodus 20: 1 - 17

zingen                                     Gezang 441: 1 en 2

tweede schriftlezing              Mattheus 5: 17 - 19

zingen                                     Gezang 441: 9, 10 en 12

preek

zingen                                     Gezang 294: 1, 2, 3, 4, 5 en 6

gebed – stil gebed – Onze Vader

zingen                                     Gezang 288: 1, 2 en 8

zegen

 

gebed

Daar kunnen wij over dromen en fantaseren

over hoe het zal zijn wanneer niets en niemand ons iets oplegt,

en wij ons tot niets meer gedwongen weten,

niets meer hoeven doen tegen onze zin in,

niets meer tegen ons geweten in,

niets meer tegen ons geloof in wat goed is in,

geen valse moraal meer die ons knecht en klein houdt.

 

Ja, daar kunnen wij over dromen en fantaseren

over hoe wij geen angst meer hebben

die ons belet te worden

wie wij ten diepste zijn,

geen nietsontziende ambitie

die ons vervreemdt van onszelf,

geen drammerig gelijk

waarmee wij onszelf groter maken dan wij in feite zijn.

 

Maar tegelijkertijd beangstigt die droom of fantasie ons ook,

vooral omdat wij

als het er op aan zou komen

niet voor onszelf instaan.

Want wie of wat blijft er van ons over,

zónder alles wat ons maakt tot wie en wat

wij zijn geworden?

Zonder alle tastbare hulp

waarmee wij onszelf staande houden

in het veeleisende krachtenspel

van het bestaan?

 

Misschien is het wel zo dat wij,

omdat u aan een kant rakelings nabij bent,

maar tegelijkertijd zo volkomen anders

dat u zich niet laat imponeren

door wat groot is en machtig of sterk,

tot u durven bidden:

Heer ontferm u over ons.

 

inleiding op de schriftlezing

Het was voor mij even zoeken naar waar ik het over zou gaan hebben en welk Bijbelgedeelte ik met u zou lezen. De afgelopen jaren in Den Haag zat ik vast in een strak regime. Vaak spraken we al anderhalf jaar van tevoren af wanneer we waarover zouden preken. Het is dus even wennen, die vrijheid die ik hier nu heb!

 

Maar vlak voor mijn vakantie las ik weer eens een stuk in de krant over de vraag of het strafbaar stellen van godslastering nu eindelijk niet eens uit het Wetboek van Strafrecht zou moeten worden gehaald. En die vraag bleef almaar in mijn hoofd hangen. In eerste instantie was ik geneigd te denken dat de vrijheid van meningsuiting met zich mee brengt dat we ook de vrijheid zouden moeten hebben om god of godsdienstigheid te lasteren. Maar op een gegeven moment realiseerde ik mij (het was geloof ik nadat ik Boris van der Ham van D66 er op de radio over hoorde praten) dat de hele discussie niet klopt. Want iedereen praat parmantig mee over de vraag of je god al dan niet mag lasteren, maar nergens klinkt de vraag wie of wat god eigenlijk is. Daarmee zou de hele discussie toch moeten beginnen, lijkt mij? Dan weet je waar je het over hebt! Niet alleen niet-kerkelijke politici, maar ook veel wel kerkelijke vaderlanders lopen rond met een beeld van wie of wat god is, dat in mijn beleving veel weg heeft van een karikatuur. En de wens om het verbod op godslastering op te heffen of juist te willen handhaven dient er vaak toe die karikatuur in stand te mogen houden.

 

Vandaar dat het mij een goed idee leek eens halt te houden bij de vraag naar wie of wat God is. Het is natuurlijk schandelijk pretentieus te denken daar in een enkele ochtend een antwoord op te kunnen geven, maar ik kan allicht íets zeggen.

 

Ik ga dat doen aan de hand van wat de ‘Tien Geboden’ wordt genoemd. Het oude Israel zocht eeuwenlang tastenderwijs naar een antwoord op de vraag naar wie of wat hun god zou kunnen zijn. Ze hebben hun vermoedens, hun ervaringen en ook hun verlangens in de loop van eeuwen eerbiedig verpakt in verhalen, tal van verhalen. Dat is zondermeer mooi te noemen, want verhalen bieden altijd ruimte en leggen nooit iets voortijdig vast. Ze blijven speels en laten veel interpretatie over aan de hoorder. Maar blijkbaar is er ook ooit de behoefte gevoeld om de kern van wat er in die verhalen staat eens samen te vatten. Dat is gebeurd in die Tien Geboden. Daarin staat eigenlijk alles wat in de talloze verhalen in de hele verdere Bijbel wordt verteld.

 

Vandaar dus dat ik die tien regels met u lees. Ik twijfel er eigenlijk niet aan of ze zullen hier en daar een zekere weerstand oproepen, maar ik hoop dat u erin zult slagen daar overheen te stappen.

 

overweging

In een boekje van Jan Wolkers dat ik in mijn vakantie las, laat de schrijver een van zijn personages zeggen dat het geen kunst is ‘je van god te verlossen, want god is maar een voorstelling’. Volgens Wolkers is het veel moeilijker ‘je van mensen te verlossen met hun hels kabaal’.

Hoewel ik mij het nodige kan voorstellen bij wat Wolkers hier zegt, denk ik niet dat hij het bij het rechte eind heeft. Het is althans mijn ervaring dat niets hardnekkiger is dan iemands voorstelling van god, het beeld dat boven komt drijven wanneer het over god gaat. Daarom zijn die Tien Geboden voor velen ook zo ontoegankelijk. Zij hebben ze horen lezen in een omgeving waar godsdienst doods was. Zij herinneren zich deze woorden uit hun jeugd, toen de dominee ze zondag aan zondag voorlas. Daar lag een sfeer van dreiging om heen: je zúlt dit en je zúlt dat. En vooral: je mag dit níet en dát is verboden.

 

Op de één of andere manier heeft deze cultuur zich stevig verankerd in ons collectieve geheugen. Ook wie nooit tot een dergelijke kerk heeft behoord, hoort deze sfeer in deze regels uit Exodus. De hele kerk wordt in de beleving van velen vereenzelvigd met het stellen van eisen en het hebben van plichten. Veel moet en weinig mag. De god uit de Wet is een verre vreemde die ons dreigend aankijkt vanuit de hoge. Hij zou zich vooral bezig houden met onze moraal, met hoe wij ons te hebben gedragen.

 

Maar daarmee doen wij niet alleen die Tien Geboden onrecht, maar vooral godsdienst in het algemeen. Ik denk dat dat heel wezenlijk is, godsdienst en moraal te onderscheiden als twee verschillende levensterreinen. Met godsdienst bedoelen wij onze relatie met wat wij, linkshandig als wij zijn, aanduiden met het woordje ‘god’. Het is een relatie die zich kenmerkt door beleving, ervaring. Emoties als verwondering, dankbaarheid en je geborgen weten staan vaak centraal. Moraal daarentegen is een set van regels die het leven ordent.

Het zijn twee te onderscheiden levensterreinen, godsdienst en moraal, maar ze ontmoeten elkaar overigens wel ergens. Het hebben van een levende relatie met god kan zo ingrijpend zijn dat er een bepaalde manier van doen uit voort vloeit. Als vanzelfsprekend. Je bent op de één of andere manier dusdanig geraakt dat het als vanzelf een plaats krijgt in je doen en laten. Je maakt dan als het ware een morele of ethische keuze die alles te maken heeft met dat aangeraakt zijn.

 

Maar voor iemand anders kan dat anders liggen. Hij heeft, op zijn beurt, eigen beweegredenen die hém in gang zetten. Hij maakt andere keuzes. En waarom ook niet? Wie maakt uit wat het beste is? Kijk, dat de verkeerspolitie hier en daar een oogje in het zeil houdt, of dat strafrechter zich in sommige gevallen een oordeel aanmatigt, dat begrijpen we allemaal. Het zou wel erg rommelig worden als zij dat niet deden. Maar of de dominee daar ook iets van moet vinden? Wat mij betreft is dat maar de vraag.

 

Want nogmaals, die Tien Geboden gaan niet zozeer over moraal, zij zeggen iets over de relatie met god. En dat is dus iets anders. Om te begrijpen wat dat andere is, is het nodig dat u zich ervan bewust wordt wáár ze in de Bijbel staan: in het boek Exodus. In dit boek wordt het meest centrale, het meest wezenlijke verhaal uit de Bijbel verteld. Het vertelt over hoe mensen die gekleineerd worden, klein gehouden, vast zitten, vast gelopen zijn en noem maar op, op een gegéven moment de moed vatten om zich daarvan los te maken. Wij allemaal, wij koesteren (soms diep weggestopt, maar toch) een droom van hoe het allemaal óók zou kunnen zijn. Hoe wij óók zouden kunnen worden. En leven. Of liefhebben. Maar omdat wij geen idee hebben wat het waarheidsgehalte van die droom is, kiezen wij er over het algemeen voor maar te blijven zitten waar we zitten. Hebben is hebben en krijgen is de kunst.

 

Maar wanneer je, zomaar opeens, gaat vermoeden dat die droom méér is dan een droom en dat je stilaan gaat geloven dat het heel wel denkbaar is dat hij uit zou kunnen komen, wat dan? Hoe pak je dat aan? Welke stappen zet je? Welke keuzes maak je? Wat breng je teweeg in je omgeving? Welke risico’s brengt dat met zich mee? Waar beland je?

 

Het eind van het liedje is dikwijls dat je de droom uit je hoofd zet en over gaat tot de orde van de dag. Doe maar gewoon, dat is meer dan gek genoeg.

 

Maar dat Exodusverhaal vertelt dus van mensen bij wie de droom het gaat winnen van de behoedzaamheid. Om hetzelfde ánders te zeggen: het verlangen wint het van de angst. En ze gaan. Wég. Hun stoutste dromen achterna, over een leven in een land waar gerechtigheid is, en vrede. Waar mensen worden en met elkaar omgaan zoals zij denken dat het bedoeld is. Maar hun tocht voert door brandend zand en nergens water. En dan komt er een moment dat ze op het punt staan om maar op hun schreden terug te keren. Op dát moment in het verhaal voegen de vertellers die Tien Geboden in. Tien zinnen die de hele onderneming op scherp stellen: ‘Kijk, het is een kwestie van vrijheid. Je was onvrij en je droomde van vrijheid. Daarom trok je weg. Wat wil je? Je moet het nú zeggen! Nu kun je nog kiezen! Ga je terug of trek je verder?’

 

Blijkbaar heeft vrijheid alles te maken met de god die Israel op het spoor was gekomen. Israel is gaan vermoeden dat het het meest kenmerkende, het meest wezenlijk aspect van een relatie met hem is. Die relatie nodigt uit tot vrijheid, máákt vrij, geeft ruimte en nieuw perspectief, zo hebben zij dat keer op keer beleefd.

 

En die tien regels beschrijven alle tien aan de ene kant één van die onvrijheden die wij achter ons kunnen laten en, aan de andere kant,  het perspectief van een volkomen nieuw leven aan de overkant van de eenzame worsteling om niet ten onder te gaan. Die Tien Geboden gaan dus (nogmaals!) niet over moraal, maar over het durven en kunnen kiezen voor een volkomen vrij zijn.

 

Ik kan ze vanmorgen natuurlijk niet alle tien behandelen en daarmee illustreren wat een geweldig krachtige diepgang er in deze regels schuilgaat. Maar ik zal heel kort (veel té kort) iets over de eerst twee geboden zeggen, in de hoop dat u dan de smaak te pakken krijgt. Misschien komt er later een gelegenheid er dieper op in te gaan. Intussen moet u maar van mij aannemen dat de eerste twee Geboden de toon zetten waarop ook de volgende acht gezongen worden.

 

Het eerste gebod is: ‘Ik ben de God die u uit het diensthuis heeft geleid. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben.’ Wat is daarmee bedoeld? Eerlijk gezegd denk ik dat het tamelijk voor de hand ligt, al vraagt dat wel dat wij ons beeld van wie of wat god is moeten proberen los te laten. Jammergenoeg is Jan Wolkers niet meer in de omstandigheden ons daarbij een handje te helpen.

 

‘Gij zult geen andere goden dienen dan die u uit het diensthuis heeft geleid’. Met andere woorden (ik maak veel te grote stappen, maar hoop toch dat u mij kunt volgen), met andere woorden: het enige waar jij voor op je knieën gaat, is wat je bevrijdt van wat je belast en klein houdt. Niets ter wereld verdient het te worden verabsoluteerd. Niets is heilig. Alleen wat jóu tot je recht doet komen, komt een plaats toe in het heiligdom van je bestaan.

 

En dan nog het tweede gebod. Daarna houd ik op. ‘Je zult je geen gesneden beelden maken en je niet voor hen buigen noch hen dienen.’ Ik kan alleen maar hopen dat u geen associaties heeft met de Beeldenstorm, want daar heeft dit niets mee te maken. Het gaat wéér over vrijheid, let u maar op. Wie zich een beeld vormt van zichzelf (en wie doet dat niet?), van een andere mens (en wie doet dat niet?), van god (en wie doet dat niet?) of van wie of wat dan ook, doet zichzelf en die ander schromelijk tekort. Want jij bent oneindig méér dan het beeld dat ik van je heb. In mij zijn veel meer mogelijkheden en aspecten verenigd dan ikzelf durf te vermoeden. Juist omdat dat zo beangstigend is en wij het leven overzichtelijk en hanteerbaar hopen te houden, plakken wij etiketten en stoppen wij onszelf en elkaar in hokjes. Daarmee doen wij de wonderlijke schepping die wij zijn tekort. Het werkt, maar het is angstig ónvrij!

 

Onze momenten van werkelijke vrijheid zijn over het algemeen zo schaars. Momenten waarop wij als het ware vanaf een bergtop het hele leven overzien, zónder angst, met een oneindig groot hart. Schaars en op een wonderlijke manier zowel kwetsbaar als overweldigend. Het zijn die momenten die de verbinding vormen met de god uit de Bijbel. Hij laat zich in die momenten kennen.

 

Ik moet nog iets zeggen over dat verbod op godslastering. Dat is dus iets anders dan een verbod op vloeken als je je bij het timmeren met een hamer op je duim slaat. Het heeft ermee te maken dat het niet aangaat te spotten met die kwetsbare en tegelijkertijd overweldigende momenten waarop zich een in zekere zin uiteindelijke waarheid en waarachtigheid aan ons openbaart. Het zijn momenten waarop wij het dichtst bij onszelf zijn en dus zijn zij van de grootst denkbare intimiteit. Daar mag een ander met zijn te grote handen niet aankomen, laat staan ermee spotten. Het verbod op godslastering dient om mijn intimiteit te vrijwaren van schending. Dat is iets volkomen anders dan wat het recht op vrije meningsuiting beoogt.

 

Het is overigens wel de vraag of het ooit iets uithaalt, zo’n verbod op godslastering. En in hoeverre mijn intimiteit het terrein van de overheid is. Het verbod op godslastering is daarom vooral symbolisch. En, eerlijk gezegd, vind ik dat mooi, dat onze overheid op deze manier te kennen geeft weet te hebben van de breekbaarheid van mijn uiteindelijke waarheid.

 

Maar de moed om niet te blijven steken en om daadwerkelijk op te staan en verder te trekken, ontlenen wij toch vooral aan het beloftevolle met elkaar gedeelde visioen van dat rijk aan de overkant van de woestijn!

Amen