14 maart 2010

zondag 14 maart 2010

Dorpskerk Durgerdam

voorganger: ds Pieter Lootsma

schriftlezing: Psalm 65 en 2 Kronieken: 28: 1 - 15

liturgie

welkom

zingen                                                Psalm 65: 1 en 2 (uit het Durgerdams Liedboek 3)

votum en groet

gebed

zingen                                                Psalm 65: 4, 5 en 6

inleiding op de schriftlezing

schriftlezing                                       2 Kronieken 28: 1 - 15 (uit: ‘Het verhaal gaat…’ van Nico ter Linden)

zingen                                                Lied 208 (Tussentijds): 1, 3, 4, 5 en 6

overweging

stilte

zingen                                                Lied 62 (LvdK): 2, 3 en 4

gebed - stil gebed - Onze Vader

collectes

zingen                                                Lied f3 (Durgerdams Liedboek)

zegen

gebed

Iedere dag opnieuw is balanceren

op de grens tussen trouw aan onszelf

en trouw aan wat wij vermoeden dat

er van ons wordt gevraagd.

Ín ons leven dromen, verlangens, hoop

en als het mee zit ook het nodige vertrouwen

om te doen wat ons te doen staat.

Maar tegelijkertijd verliezen wij onszelf

in aangeprate ambities,

in vervreemdende schuldgevoelens,

in geloof in een vervormd beeld dat

ergens onderweg is opgeroepen.

Iedere dag opnieuw is balanceren

op de grens tussen trouw aan onszelf

en trouw aan wat wij vermoeden dat

wij verschuldigd zijn aan de mensen

met wie wij ons leven delen.

Onze functie stelt eisen

evenals onze relaties thuis.

En als wij niet oppassen vormen wij ons

naar de mal die er op ons ligt te wachten.

Maar blijven wij dan wel voldoende herkenbaar

als degene die u in gedachten had toen u ons maakte?

Iedere dag opnieuw is balanceren

op de grens tussen trouw aan onszelf

en trouw aan wat wij vermoeden dat

wij verschuldigd zijn aan een doldraaiende wereld.

Waar begint en waar eindigt de verantwoordelijkheid

die wij dragen?

In hoeverre valt die verantwoordelijkheid samen

met de mogelijkheden die ons ter beschikking staan?

Als wij niet oppassen worden wij lamgeslagen

door het besef van onze machteloosheid

en verliezen wij het zicht op de wonderlijke mogelijkheden

die er met ons bestaan gegeven zijn.

Ach, omdat wij aan het werk moeten

en geen tijd willen verdoen

bidden wij u:

Heer, ontferm u!

overweging

Deze tijd vóór Pasen is in de kerk altijd bijzonder. Ikzelf  houd van deze periode in het Kerkelijk jaar. Deze weken nodigen uit om wat nadrukkelijker stil te staan bij (ik weet het, het zijn  zware en in onze dagen geen geliefde begrippen meer) onze zonden, onze tekortkomingen, onze schaduwkanten. Om ze vervolgens natuurlijk te bezien in het licht van die eindeloze liefde waarin wij mensen ons geborgen mogen weten. Dat vraagt om een ernst die mij sympathiek is. Zowel het besef van die tekortkomingen als dat van die eindeloze liefde brengt, in de meest letterlijke betekenis van het woord, heel wezenlijke snaren in trilling. Daarom zongen wij die Psalm 65. De dichter van die psalm lijkt zich op enig moment bewust te zijn geworden van waar zijn leven hapert. Hij wil daar niet voor weglopen. Integendeel, hij kiest ervoor er naar te kijken en er enige tijd bij te verwijlen. Maar niet voor lang, want in het licht van de overweldigend liefdevolle geborgenheid die hij ervaart, zo zingt hij, is het donker in mij en het donker om mij heen maar heel betrekkelijk:

O God, dat ik op zoveel fronten tekort schiet,

heeft u er niet van weerhouden mij met ontferming gade te slaan.

Het is precies daarom, omdat u mij met zoveel mededogen gadeslaat,

dat ik de moed gevat mijn beperkingen en overtredingen onder ogen te zien. Sindsdien beschouw ik de werkelijkheid met andere ogen.

Ik durf mij toe te vertrouwen aan de manier waarop u naar mij en naar deze wereld kijkt.

De dichter deelt met ons in de regels die hij dicht het misschien maar enkele moment waarop hij zich door God gezien, gekend en begrepen wist. En dat besef gezien, gekend en begrepen te zijn, doet alle last van zijn schouders vallen. Het betekent een omkering in zijn leven.

Ik leg daar vanmorgen een tweetal verhalen naast, verhalen waarin in feite precies datzelfde gebeurt: mensen als u en ik gaan hun manier van in het leven staan, hun manier van naar het leven kijken, beleven in een perspectief dat het hunne verre overstijgt. En dát geeft hen de moed om ook hun doen en laten heel anders te richten.

Het eerste verhaal hebben we al gelezen. Het is het verhaal van de profeet Oded die de uit Juda teruggekeerde soldaten bevrijdt van hun one track mindedness. Ik zal er straks kort wat over zeggen. En daarná een heel persoonlijk verhaal dat mij niet lang geleden is verteld.

In het verhaal over Oded wordt verteld hoe de hele werkelijkheid opeens van kleur kan verschieten. Zijn de krijgsgevangenen voor de Samaritanen aanvankelijk een vanzelfsprekend aspect van de vreugde om hun overwinning, even later zijn diezelfde krijgsgevangenen een teken van hun bruutheid en schande. Het optreden van de profeet Oded betekent een omkering in hun levens. Misschien overdrijf ik het een beetje, maar ik heb de neiging te zeggen dat hun wereld zou nooit meer zal zijn zoals hij was. De schellen zijn hen van de ogen gevallen. Het hele volk heeft geroken aan wat werkelijke vrijheid is. De geest is uit de fles en je moet wel van heel goede huize komen om hem daar weer in te krijgen.

Althans, dat mag je hopen. Dit verhaal lijkt een schets te zijn van een werkelijkheid die nog ver in het verschiet ligt. Voorlopig biedt onze werkelijkheid een andere aanblik. Maar we mogen en kunnen wel alvast leven in de richting van wat de Kronist ons voorhoudt.

In de Bijbel wordt eigenlijk voortdurend een gesprek gevoerd over de vraag in hoeverre de manier waarop wij ons leven en deze wereld gestalte geven in overeenstemming is met wat onze uiteindelijke bestemming is. Het is natuurlijk de vraag of wij überhaupt zoiets als een bestemming hebben en of wij niet gewoon toevalligheden zijn die willoos en doelloos ronddobberen op de golven van de tijd. Maar die gedachte wordt in de Bijbel verworpen. Hij is in strijd met de diepste ervaringen van de schrijvers van dat Goede Boek. We zouden kunnen zeggen dat zij er blijk van geven er op de één of andere manier wéét van te hebben dat hun leven een doel heeft en een bestemming. En deze zouden te vinden zijn in het gesprek tussen, in de eerste plaats mijzelf (wat wil ik, wat voel ik, wat denk ik?), in de tweede plaats de mensen om ons heen (hoe zien en beleven zíj mij? wat verwachten zíj van mij) én, last but not least, God zelf. Hij is de personificatie van de stem die alles in twijfel trekt wat ik en de mensen om mij heen vanzelfsprekend zijn gaan vinden. Hij toetst of wat wij zeggen en denken waar en waarachtig is of niet. Hij is de kritische instantie bij al ons doen en laten.

Het is altijd ingewikkeld, dat krachtenspel van aan de ene kant mijn eigen beleving en opvattingen, aan de andere kant dat van de mensen waar ik mee te maken heb en in de derde plaats de invalshoek van wat wij God noemen. En wie van ons staat er niet middenin precies dát krachtenveld? Wij moeten voortdurend de indringende keuze maken tussen het redden van vooral ons eigen hachje én het belang van ons met elkaar samenleven. Maar vooral moeten wij kiezen tussen (1) het voor de hand liggende en dus aansprekende gelijk van, zeg maar, de burgers van Samaria, de grote massa, en (2) het belang van wie er kwetsbaar zijn, mensen als de overwonnen Judeeërs of vult u zelf maar in. En dan klinkt er (3) bovendien die stem die zegt dat je het dichtst in de buurt komt van wat je bestemming is, als je, waar nodig, niet zult schromen in eigen vlees te snijden.

Het vraagt ronduit heldenmoed om met Odad in zee te gaan, en je los te maken van wat het meest voor de hand ligt. Moed, maar evenzeer vertrouwen.

Daarover gaat het andere verhaal dat ik u toezegde. Ook in dit verhaal vindt een omkering plaats. Hier wordt de in de beleving van de verteller een heel voor de hand liggende angst omgedraaid in een vertrouwen dat degene die het mij vertelde haar hele verdere leven heeft gedragen.

Het is het verhaal van een vrouw die nog niet zo lang geleden op honderd en eenjarige leeftijd stierf en die ik heb mogen begraven. Toen ik haar indertijd vroeg of ik haar verhaal verder mocht vertellen, omdat ik het zo mooi vind, zei zij mij ermee te wachten tot zij dood zou zijn.

Het speelt in haar vroege jeugd, toen zij, een klein meisje nog, met haar ouders in Atjeh, in Nederlands Indië woonde. Zij vertelde het op een namiddag, nu een jaar of twee geleden. Toen ik haar kamer binnenkwam leek zij te slapen. Ik besloot maar even rustig naast haar bed te blijven zitten. Op een gegeven moment werd zij wakker, keek verschrikt om zich heen, en zag mij zitten. Meteen begon zij zich te verontschuldigen. Ik had niet moeten denken dat zij sliep! Zij was in gedachten, zo niet in gebed verzonken. En omdat zij toch alle tijd had, had ik haar rustig mogen storen.

Toen ik haar even later vroeg wat het dan was wát zij bad, zei zij te hopen na haar dood rustig en zacht te zullen worden opgevangen. En toen vertelde zij het verhaal over het bezoek aan het zwembad Air Matu Kujing.

Haar ouders hadden haar verteld dat zij zouden gaan verhuizen. Dat vond zij een verschrikkelijke gedachte. Zij beleefde het wonen in Atjeh als het wonen in het paradijs. Ze hadden een heerlijk huis, ze had lieve, vrolijke vriendinnetjes en er waren eindeloze mogelijkheden om te spelen, erop uit te trekken en avonturen te beleven. Toen haar líefste vriendinnetje hoorde dat zij binnenkort weg zou gaan, moesten zij beiden huilen. En daarna besloten zij met z’n tweeën naar hun favoriete plek te gaan: dat zwembad Air Matu Kujing. ‘Kattenoog’ betekent dat: een meer als een kattenoog.

Kort daarvoor was het zwembad door een orkaan verwoest en het leek hen passend om daar stil te staan bij het op handen zijnde afscheid. Het was een heel eind lopen. Ze moesten over smalle weggetjes en paadjes door een dicht bos een berg op. Hoewel hun ouders hen deze tocht streng verboden hadden, gingen ze toch. In die jaren, vertelde zij, was Atjeh onrustig. Er waren relletjes, opstanden, moorden en ontvoeringen. Maar zij hadden daaraan op dat moment geen boodschap.

Toen haar vader thuis kwam uit zijn werk en de beide meisjes zoek bleken te zijn brak er paniek uit. Op de één of andere manier moeten haar ouders hebben vermoed hebben dat zij naar het zwembad waren gegaan want haar vader ging daar naartoe, in de hoop hen terug te zullen vinden.

De beide kinderen zaten op de ingestorte resten van de badhokjes uit te rusten toen zij, beneden, héél in de verte, haar vader de weg op zag klimmen. Ze vertelde mij dat haar vader erg streng was en dat zij werkelijk doodsbang werd toen zij hem zag naderen.

Het enige dat de twee meisjes toen konden bedenken was bidden dat het allemaal goed af zou lopen en dat vader niet al te boos zou zijn. Ze moest er, zo’n 95 jaar later, nog om glimlachen hoe zij toen met z’n tweetjes op de knieën gingen. De handen gevouwen en hun oogjes dicht.

En toen zij hun ogen even later open deden zag zij daar haar vader staan. Hij stond in tranen naar zijn dochter en haar vriendinnetje te kijken. Hij tilde haar op en sloot haar in zijn armen. Zij kon zich de zilte smaak van zijn tranen nog altijd levendig herinneren.

Wanneer wij er in slagen een klein beetje afstand te nemen van haar verhaal, dan zouden wij kunnen zeggen dat zij op dat moment leerde haar eigen projecties (haar angsten en zorgen) te wantrouwen en er de betrekkelijkheid van in te zien. Haar vader heeft haar, daar aan de rand van dat zwembad, voor eens en voor altijd voorgedaan, voorgelééfd wie en wat God is. En God was haar zo nabij en vertrouwd dat zij zich vanaf dat moment aan hem durfde toevertrouwen. Dat ons volstrekt vreemde perspectief, dat Oded vanmorgen introduceert, was daar bij dat zwembad tastbaar geworden. En sindsdien, vertelde zij, heeft zij zich eigenlijk altijd vrij gevoeld. En was ze voor de duvel niet bang. Laat staan voor de dood.

Amen

gebed

O God, u kent ons,

mensen op weg zijn wij,

hoewel, op wég?

Wij bewegen ons van onze geboorte naar onze dood,

maar wij voelen dat dat niet alles kan zijn,

dat de eigenlijke bestemming van een mens een hogere is.

En daarom zijn wij hier, om te horen

en misschien wel vooral om te mogen erváren

waartoe wij zijn bestemd.

Dat wij onze vruchteloosheid afwerpen

en opnieuw het leven zullen wensen.

Wij vragen u dat voor onszelf,

en voor degenen voor wie wij verantwoordelijkheid dragen,

dat wij hen niet op onze dwaalwegen meesleuren.

Om liefde en eerbied bidden wij,

voor alles wat u hebt gemaakt en wat u ons in handen gaf.

In de stilte …