28 februari 2010

Dorpskerk Durgerdam

zondag 28 februari 2010

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Chris Helfensteijn

fluit: Liesbeth van den Bom

klarinet: Frank Woerdeman

m.m.v. de Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

 

fluit en piano                   Pastorale van Joachim Andersen

welkom

zingen                                 Gezang 7 (LvdK): 1 en 3

votum en groet

zingen                                 Wij zoeken hier uw aangezicht: 1 t/m 5 en 13 en 14 (Tussentijds 9)

klarinet en piano            Expose pour clarinet van Otto M. Schwarz

inleiding op de schriftlezing

klarinet en piano            van Jurriaan Andriessen

schriftlezing                      Marcus 14: 22 - 25

zingen                                 Gezang 176 (LvdL)

overweging

Cantorij                               Ave Verum Corpus van Francis Poulenc

Ave verum corpus, natum          (Gegroet waarachtig lichaam

de Maria Virgine,                           geboren uit de Maagd Maria

Vere passum, immolatum          dat werkelijk heeft geleden

In cruce pro homine,                     en voor de mens geofferd is aan het kruis.

Cujus latus perforatum               Uit wiens doorboorde zijde

Unda fluxit et sanguine,              water met bloed vloeide.

Esto nobis praegustatum           Wees voor ons een voorproever

In mortis examine.                         van de dood.)

gebeden

collectes

fluit, klarinet en piano (tijdens de collectes) uit de Dans van de zalige geesten van Glueck

zingen                                 Hij die gesproken heeft (Durgerdams Liedboek H1)

zegen

 

inleiding op de schriftlezing

Voordat ik iets ga zeggen over de keuze van het Bijbelgedeelte van vanmorgen, iets over de muziek waar wij na de preek naar zullen luisteren. Na de preek zal er een stuk van Poulenc worden uitgevoerd: Ave Verum Corpus. Poulenc schreef de muziek op een tekst die waarschijnlijk stamt uit de veertiende eeuw en gebaseerd is op een gedicht uit de abdij van het eiland Reichenau in de Bodensee. De tekst is in feite een meditatie over het geloof dat Jezus wérkelijk aanwezig is in de eucharistie. Als de priester brood en wijn deelt met de gemeente, dan krijgt deze op dat moment in materiële zin deel aan het leven, het sterven en de opstanding van Christus. Zowel de tekst als de vertaling ervan staan in de liturgie afgedrukt en u moet er straks maar eens goed naar kijken. In de regels die zullen worden gezongen, begroet de gemeente haar Heer.

 

Ik zal maar geen gemakkelijke grapjes maken over wat er op dit moment waar het de eucharistie betreft in de Kathedraal in Den Bosch wel of juist niet te beleven valt, maar nog iets zeggen over de componist.

 

Iedere laatste zondag van de maand zullen wij dit jaar aandacht schenken aan de relatie tussen de muziek en onze godsdienstige traditie. En we spraken af dat de muziek daarbij leidend is, dat wil zeggen dat de voorganger zich zal voegen naar wat de verschillende musici te berde brengen. Jullie waren het die met dit Ave Verum van Poulenc aan kwamen zetten. Er zijn versschillende componisten geweest die deze tekst op muziek hebben gezet. Francis Poulenc was één van hen. Hij werd in 1899 in Parijs geboren. Al heel jong kreeg hij pianoles van zijn moeder, die ook al zo’n begaafd pianiste was. Later kreeg hij les van mannen als Claude Debussy en Maurice Ravel. Maar als componist was hij vrijwel autodidact. Van Poulenc wordt gezegd dat hij nieuwe melodieën wist te maken in een tijd waarin men van mening was dat er op dat terrein weinig nieuws meer te ontwikkelen was. U zult het straks kunnen horen: zijn composities zijn inderdaad sterk op de melodie gericht. Poulenc schreef werken in allerlei muzikale genres, zowel wereldlijk als geestelijk. Het grootste deel van zijn leven woonde en werkte hij in zijn geboortestad. Hij overleed er in 1963 en werd begraven op het beroemde Parijse kerkhof Pere-Lachaise.

 

Ik lees straks een aantal regels uit het evangelie naar Marcus die vaak gelezen worden als de zo genaamde inzettingswoorden, een tekst die gebruikt wordt als inleiding op de eucharistie of het avondmaal.

 

Maar voordat dat zover is, gaan wij luisteren naar een stuk van Jurriaan Andriessen. Maar misschien mag ik daarvóór, op dit moment in deze dienst benadrukken hoezeer wij het op prijs stellen dat jullie hier vanmorgen naartoe gekomen zijn om muziek voor ons te maken! Wij hopen dat jullie je hier thuis zullen voelen. En wees ervan overtuigd dat wij met veel welwillende aandacht naar jullie zullen luisteren!

 

schriftlezing

Marcus 14: 22 – 25

 

overweging

Hoe dikwijls ik dat al niet ben tegengekomen, dat iemand die zich verbonden weet met de kerk of met de traditie van de kerk, niet overweg zegt te kunnen met de uitspraak dat ‘Christus voor onze zonden gestorven zou zijn’. De geloofsregel dat hij, zoals jullie het straks zullen zingen’, ‘werkelijk heeft geleden en voor de mens geófferd is aan het kruis’, roept alom weerstand op. En ik druk me dan nog heel voorzichtig uit, want vaak worden die woorden met ronduit afschuw uitgesproken. Alsof wie dát nog gelooft achtergebleven is, van die theologie zou de kerk zich intussen hebben bevrijd en geëmancipeerd.

 

Natuurlijk herken ik al dat wel. Ook ik  heb heel lang moeite gehad met deze en overigens ook tal van andere geloofswaarheden.  En ik zal u zeggen dat ik tot vanmorgen nog nooit in een preek ook maar een woord aan die zogenaamde offertheologie heb gewijd. In eerste instantie niet omdat ik er zelf niet mee overweg kon en later niet omdat ik niet op de tenen van mijn gemeente wilde gaan staan.

 

Maar u zult er vanmorgen aan moeten gaan geloven, om het maar zo te zeggen. Toen Chris Helfensteijn mij vroeg of het geen goed idee zou zijn om vanmorgen dat Ave Verum te zingen, leek mij dat een mooie aanleiding om het eens over dat offer van Christus te hebben. Ik loop daar al langer mee rond, met de gedachte dat ik daar wel eens over zou willen preken en nu deze tekst zonder dat ik er om heb gevraagd centraal is komen te staan, zie ik mijn kans schoon.

De reden dat ik er graag wat over wil zeggen is dat ik al wat langer geleden ben gaan denken dat het toch wel gortig is dat woorden die tientallen eeuwen tot het hart van onze traditie hebben behoord, nu zomaar opeens over boord lijken te worden gegooid. Op religieus terrein heel sensitieve en integere denkers hebben de relatie tussen de dood van Jezus en onze misstappen min of meer vanzelfsprekend gelegd. Zijn dood en onze zonden, om dat woord dan ook maar meteen te gebruiken, zijn altijd met elkaar in verband gebracht en in één adem genoemd. En wij, die leven in een tijd waarin wij nog amper weten hoe godsdienst een plaats in ons leven te geven, hebben bedacht dat dat achterhaald zou zijn. Dat rijmt toch niet, om het voorzichtig te zeggen?

 

In de loop van de jaren denk ik er iets van te zijn gaan begrijpen. Maar misschien moet ik het minder pretentieus zeggen. Ik heb een manier gevonden waarop ik die teksten zó kan lezen dat ze mij raken en mij helpen niet alleen iets meer van onze godsdienst te gaan begrijpen, maar bovendien, en dat is belangrijker, meer van het leven te begrijpen.

 

Daarover zal ik u wat gaan vertellen. Misschien dat het ook u zal helpen. In elk geval hoop ik dat het ertoe zal bijdragen om uw weerstand, zo u deze al hebt natuurlijk, te doen afnemen. Maar ik plaats één opmerking vooraf. Het kan heel goed zijn dat ik die enkele regel niet werkelijk versta en dat ik er naast zal blijken te zitten met wat ik denk. Of misschien koestert u wel een heel andere gedachte, die een grotere waarheid bevat. Daar om stel ik voor dat we elkaar de ruimte laten er op onze eigen manier mee om te gaan. Ik ga vertellen hoe ik het lees. Ik kan me erop verheugen er te zijner tijd eens met u over van gedachten te wisselen.

 

Dat vooraf. Nú wil ik u vragen of u zich wilt proberen voor te stellen dat u iets doet (of juist láát) wat ertoe leidt dat iemand anders zich beroerd voelt. U bent grof omdat u, bij voorbeeld, uw jalousie niet onder controle hebt, of u bent gewoon slordig en u hebt een gevoelige, kwetsbare vriend verwaarloosd. U deed dat niet eens bewust, het overkwam u eigenlijk. En het is niet zo dat u niet weet wat uw onachtzaamheid teweeg heeft gebracht, maar het leven gaat door. Het herneemt zijn gewone loop en u gaat over tot de orde van de dag. Misschien had u er even aandacht aan moeten schenken, om uw onachtzaamheid te repareren, dat had best gekund, maar het is er niet van gekomen. Daarom relativeert u nu wat er is gebeurd. Die ander moet het ook niet groter maken dan het was, toch?

 

Op zo’n moment lukt het niet, en ik denk dat iedereen die hier zit dat kan herkennen, om dat drempeltje over te stappen en wél even aandacht te schenken aan waar die ander mee is blijven zitten. Waarom zeg je niet even dat het je spijt? Waarom leg je niet even uit wat je dwars zat, toen je deed zoals je deed? Voor je het weet is er weer een week voorbij en ben je bang dat jouw telefoontje, e-mail of briefkaart als mosterd na de maaltijd zal worden ervaren. ‘Ach’, denk je dan tegen beter weten in, ‘misschien viel het ook eigenlijk wel mee en zit die ander er veel minder mee dan ik denk.’

 

Toen ik aan deze preek zat te schrijven, passeerden zo een aantal situaties uit natuurlijk vooral mijn eigen leven de revue. Maar ik kon ook voorbeelden verzinnen uit de wereld van de krant of de politiek, waarin mensen, landen en volkeren elkaar tekort doen en beschadigen. En het opmerkelijke is, en dat hoop ik duidelijk te maken, dat het eigenlijk altijd zo is dat degene die de pijn veroorzaakt er het beste vanaf komt. Die gaat door alsof er niets is gebeurd. Hij schudt de kwestie van zich af zoals een eend waterdruppels afschudt. Maar de minder sterke, de tekort gedane of beschadigde blijft ermee zitten. Hij kan die hele geschiedenis niet zomaar vergeten. De pijn nestelt zich ergens in zijn systeem en het kan jaren duren voordat er sprake is van genezing.

 

Wat ik wil zeggen is dat de last van het lijden zo dikwijls gedragen wordt door degenen die onschuldig zijn. Degenen van wier opstelling of gedrag zij de dupe zijn, zijn zich dat vaak niet of nauwelijks bewust. Die zijn intussen alweer met heel andere dingen bezig.

 

Dit is in grote lijnen wat er met die geloofsuitspraak dat Jezus voor mijn zonden gestorven is, gezegd wil zijn. Jezus is geofferd, opgeofferd. Hij deed wat hem te doen stond: hij poogde trouw te blijven aan zichzelf en deed te weinig concessies aan het spel om de macht. Het gevolg was dat hij het niet redde. Hij werd tot zwijgen gebracht, afgevoerd en ter dood veroordeeld. Dit verhaal is een uitvergroting van een patroon dat zo wijdverbreid is als het weer. De ‘stille in den lande’ betaalt de prijs voor het brutale lawaai waarmee iemand anders zich ruimte verschaft.

 

Maar om het een met het ander te verbinden, moeten we nog een paar stappen zetten. Het verband tussen aan de ene kant het principe dat slachtoffers vaak de prijs betalen voor wat een dader teweeg brengt en de dood van Jezus aan de andere kant, is nog niet gelegd.

 

Een van die stappen heb ik al eerder uiteengezet. Met Kerstmis, herinner ik me. Toen heb ik verteld dat wij Bijbelteksten geen recht doen als wij ze historiserend lezen. Dat wil zeggen dat wij ze lezen als vergeelde en verkreukelde berichtjes uit de Jeruzalemse Courant van zo’n tweeduizend jaar geleden. Dat geldt ook voor wat er over Jezus is geschreven. Wij hoeven Jezus niet te begrijpen als een man die geboren is op de avond van de 24-ste december van het jaar 0 en gestorven op de vrijdag vóór Pasen in het jaar 33. Hij mag begrepen worden als de mens (íedere mens) die zichtbaar maakt wie of wat die god is waar de Bijbel met zoveel eerbied van vertelt. De evangelisten vertellen ons hoe die mens eruit ziet, of liever: hoe wij hem kunnen herkennen. Tóen, daar in Palestina en nú in het Nederland van onze dagen.

 

Blijkbaar licht er het één en ander van die god op in de mens die gebukt gaat onder lijden dat terug te voeren is op tekortschietend gedrag van anderen. Wie opdraait voor de fouten en vergissingen die anderen maken, op wiens schouders die schuld terecht komt en die daarvoor met zijn leven dus een prijs betaalt, laat iets zien van hoe Israel zich zijn god voorstelde. De mens die (nu hetzelfde met wat grotere woorden, die op de keper beschouwd misschien minder ver van ons af staan dan we geneigd zijn te denken) het kind van de rekening is, op wiens schouders de zonden van de wereld worden gelegd, die die zonden dus draagt, verbeeldt, beeldt uit wie of wat de god van Israel is. In hem herkennen wij Christus, de Messias, het Licht der wereld.

 

Maar dan verder. Want hoe kan daar dan op volgen dat mijn zonden vergeven zijn? Is dat enkel en alleen omdat een ander de prijs ervoor betaalt? Als ik dat tot me laat doordringen, past mij alsnog een bijna hopeloos schuldbesef. Want dat gaat toch wel ver! Dat een ander wat in feite mijn last is draagt, dat laat zich begrijpen. Maar draagt hij die last ook wég? Want dat is toch wat de traditie zegt?

 

Wel, eigenlijk moet ik het daar met Pasen over hebben. Nu, in deze weken vóór Pasen staan we stil bij het simpele feit dat het onontkoombaar is dat de prijs voor veel van de menselijke tekortkomingen niet door henzelf betaald wordt, maar door wie of wat kwetsbaar is en zich niet kan of wil verweren. Maar om u niet helemaal aan uw lot over te laten zal ik er heel kort tenminste iets over zeggen. Dat heb ik per slot van rekening beloofd.

 

Het kind van de rekening gaat daaraan onderdoor. De verschillende evangelisten hebben daarover heel beeldend geschreven. De één heeft nog meer hoofdstukken nodig dan de ander om te benadrukken hoe pijnlijk dat wel niet is. Zo’n leven loopt klem in een doodlopende weg.

 

Maar daarna zoeken zij naar beelden om te vertellen hoe zij de afloop zijn gaan beleven. Zij zagen een eenzaam worstelende mens kapot gaan. Het zou heel goed kunnen dat ze pas na zijn dood op de gedachte zijn gekomen die ik al verwoordde, dat hij met zijn kwetsbaarheid en zijn trouw aan wat waar is en waarachtig verwant is aan de kwetsbaarheid en de trouw van hun god. Hij lijkt op hem! En heel spitsvondig zijn ze hem toen ‘Gods zoon’ gaan noemen. En nogmaals (ik denk dat het goed is om dat te blijven herhalen), ook u en ik zijn in onze kwetsbaarheid zonen en dochters van diezelfde god. Op precies dezelfde manier als hij dat was.

 

Nu moet ik nog twee dingen vertellen. Ten eerste dat de evangelisten leefden met het inderdaad wonderlijke besef dat kwetsbaarheid en trouw de meest uiteindelijke waarden zijn. Alles wat van waarde lijkt zal verbleken, maar in de kwetsbaarheid en in de trouw ligt onze bestemming, dat was hun diepste, meest fundamentele ervaring. Het is heel wezenlijk om dat tot ons door te laten dringen. Eerlijk gezegd vermoed ik dat u het zult herkennen, hoe momenten waarop iemand zich inderdaad kwetsbaar en trouw toont, opeens boven zichzelf uit kunnen wijzen. Ze wijzen ons terecht en roepen ontroering vanwege het ontwakend besef dat wij getuige zijn van werkelijke wáárheid en waarachtigheid. Hier valt, al is het maar voor even, te beleven wie of wat God zou kunnen zijn.

 

En als wie daadwerkelijk kwetsbaarheid en trouw vóórleeft, verwant is aan wie of wat God is, dan is het toch ondenkbaar dat aan de dood en de vergetelheid zal worden prijsgegeven? Nee, met name de dood is maar heel betrekkelijk in vergelijking met waar het hier om gaat. Deze mens heeft déél aan wie of wat God is. Zij horen bij elkaar. God zal zich over hem ontfermen en hem aan de borst drukken, heel teder, zó dat alle pijn voor altijd genezen zal zijn.

 

Daarmee is die kwetsbare, trouwe mens gered, maar daarmee is afgerekend met de pijn waarmee de kwetsbare en trouwe mens zijns ondanks was opgezadeld. De gedachte dat de gekwetste kwetsbaren uiteindelijk niet ten onder gaan wortelt in het vermoeden of liever het vertrouwen dat hij door God om het maar zo te zeggen ‘verhoogd’ wordt. En vanaf zijn ‘verhoging’ kijkt hij naar beneden, waar hij zijn schuldenaar ziet staan. En de schuldenaar kijkt omhoog en ziet hoe degenen die hij beschadigd heeft zo hartelijk is opgenomen in Gods liefde. En dat doet hem, op zijn beurt, opgelucht opademen. Voor zijn schuld is betaald. Niet op de manier waarop u gisteren uw boodschappen bij de kassa van Albert Heijn afgerekend hebt. Dat is iets heel anders. Hier gaat het er om dat de schuldenaar, om hem nog één keer zo te noemen, erop durft vertrouwen dat degene die hij opzadelde met de gevolgen van zijn doen en laten, alles behalve op een doodlopend spoor terecht gekomen is.

 

En ten tweede, en dan ben ik klaar, nog dit. Als wij in Jezus naam brood en wijn delen, dan wordt zowel de fysieke als de vermeende historische afstand tussen hem en ons opnieuw overbrugd. Wij krijgen dan heel concreet deel aan het verhaal dat met zijn leven is verteld. Het wordt óns verhaal. Óns leven wordt openomen in een geheel dat zowel onze schuld als ook onze kwetsbaarheid omvat en dus met elkaar verbindt.

Amen

 

gebed

onze ogen zijn de spiegels van onze ziel

zoals in de ogen van wie er naast ons zitten

te lezen valt wat hén ten diepste bezig houdt en beweegt

 

maar niemand kijkt graag in de spiegel

om daar te zien wie hij werkelijk is

(waarom eigenlijk niet?

wat schrikt ons af?

verlorenheid?

diepte of schaduw?)

 

zou dat de reden zijn dat wij ook een ander maar liever niet in de ogen kijken?

omdat zijn verlorenheid, diepte en schaduw ons aan de onze herinnert?

 

wij zouden uit wat wij zien ook zielsverwantschap kunnen lezen

en lotsverbondenheid

 

wij worden stil als wij luisteren naar muziek

naar de muziek ook die opklinkt uit ons hart

wij willen ons laten aanspreken

door wie en wat ons terugroept naar onszelf

 

dat wij de ruimte vinden en ook nemen

om te worden wie wij werkelijk zijn

en dat wij zo vermetel zullen zijn

dat wij in de bres springen

voor wie die ruimte niet vindt

en ten prooi dreigt te gevallen

aan wat god weet wie van hem vraagt.