25 december 2009

Dorpskerk Durgerdam

Kerstochtend 2009

Voorganger: ds Pieter Lootsma

m.m.v. De Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

gastheer: Laurens ten Wolde

Welkom

Zingen                                                Lied 135

Votum en groet

Gebed

Zingen                                                Lied 141 (cantorij: vers 2)

Schriftlezing                                       Lucas 2: 1 - 7

Zingen                                                            Lied 145 (cantorij: vers 1)

vervolg Schriftlezing                          Lucas 2: 7 - 20

Cantorij                                              Wees gegroet Maria (in het Russisch van S. Rachmaninov)

Overweging

Pianospel                                           een oud Frans kerstlied

Zingen                                                            Lied 132

Cantorij                                                          Es ist ein Ros entsprungen (Hugo Distler)

Gebed - stil gebed - Onze Vader

Zingen                                                Lied 134          -staande gezongen-

Zegen

preek

Toen de Cantorij met het voorstel kwam om na de lezing van het Kerstevangelie een Ave Maria te zingen, leek het mij aardig om ook in de preek eens aandacht aan haar te schenken. Maar misschien dekt de vlag de lading niet helemaal, als ik het zo zeg. Want er is eerst iets anders dat ik kwijt wil. Pas daarna zal ik het een en ander over de Heilige Maagd, de Moeder Gods zeggen.

Want in de afgelopen 25 jaar, waarin ik beroepshalve op allerlei plaatsen in de kerk heb kunnen rondkijken, denk ik ten minste enig zicht te hebben gekregen op de problemen waar de kerk in ons deel van de wereld mee worstelt. Misschien wel het meest in het oogspringende probleem is de moeite is die wij hebben om de teksten en verhalen in de Bijbel als religieuze of godsdienstige teksten te lezen. Dat wil zeggen ze stuk voor stuk te koesteren als geheimenisvolle teksten die raken aan wat ons ten diepste beweegt of belemmert om in beweging te komen. En die stuk voor stuk verwijzen naar een ervaring of een ontmoeting die al onze beperkingen overstijgt.

In zo’n beetje de afgelopen anderhalve eeuw hebben wij twee manieren van lezen ontwikkeld die beide, ieder op een eigen wijze, tussen ons en de teksten in zijn komen te staan. En die dus alles behalve een sleutel zijn tot het verstaan ervan.

De eerste van die twee vervreemdende manieren van lezen is het historiserende lezen. Dan worden Bijbelverhalen verstaan als verhalen over hoe iets, ooit in een ver verleden gebeurd is. De Bijbelverhalen werden gereduceerd tot ‘Bijbelse geschiedenis’, alsof dat boek een uittreksel is van oude afleveringen van de  Jeruzalemse Courant. Het is misschien flauw en oneerbiedig om het zo te zeggen, maar het legt wel meteen de vinger op de zere plek. Want als dat zo is, als dit boek een neerslag zou zijn van feitelijke gebeurtenissen lang geleden, wat heeft het ons dan nog in ’s hemelsnaam te zeggen? Welke relatie kan het dan hebben met onze levens nu?

En de andere, tweede manier van lezen die ons weghoudt van de werkelijke diepte van wat er in de Bijbel staat, is de morele of moralistische. Dan worden Bijbelverhalen begrepen als een richtlijn voor ons doen en laten. Dan zou de Bijbel gaan over hoe we moeten leven, over wat goed is en wat niet. Hoewel er natuurlijk ergens wel een relatie is tussen godsdienst en moraal, zijn het twee zondermeer te onderscheiden levensterreinen. Wij moeten oppassen om de Bijbel te gebruiken om ons morele gelijk te halen. Op welk terrein dan ook. Sterker nog, wanneer morele betweters zich de Bijbel toe-eigenen, dan mag er in Gods naam onmiddellijk worden ingegrepen. Want tien tegen een dat de Bijbel het opneemt voor degene op wie zij hun pijlen richten.

Wat wij met z’n allen helemaal opnieuw moeten leren is om de teksten en verhalen uit het Goede Boek weer als religieuze of godsdienstige teksten te gaan begrijpen. Daarmee zouden we deze verhalen aan zichzelf kunnen teruggeven. Dat is minder eenvoudig dan het lijkt want de misverstanden zijn hardnekkig. Het lijkt er soms op dat het ons gemakkelijker valt teksten uit de verschillende oosterse of andere exotische tradities lezen. Bijbelverhalen lijken in vergelijking daarmee eendimensionaal en, inderdaad, moralistisch te zijn. En dat roept een begrijpelijke weerstand op bij grote groepen moderne mensen.

Maar goed, ik moet niet te ver afdwalen en wil daarom maar terugkeren naar het verhaal van Maria, dat hier vanmorgen centraal staat.

U moet het zich proberen voor te stellen. Lucas zit achter zijn schrijftafel om woorden te vinden voor wat hem is overkomen, of liever: voor het inzicht dat hij op een gegeven moment heeft verworven. Er vond een doorbraak plaats in de manier waarop hij de wereld beziet. Nu wil hij daarover vertellen. Maar hij kan er geen woorden voor vinden. Woorden schieten tekort. En daarom besluit hij een verhaal te vertellen dat duidelijk moet maken wat hij bedoelt. Poëzie is het, beeldtaal. Want er is domweg geen andere taal om te zeggen wat hij te zeggen heeft.

Lucas zit achter zijn bureau. Zo nu en dan staat hij op en loopt hij een rondje om het huis om zich beter te kunnen concentreren. Langzaam maar zeker krijgt het verhaal gestalte in zijn hoofd. Hij begint het voor zich te zien. God heeft ermee te maken, dus hij zal engelen laten vliegen. Het gaat om iets heel teers en breekbaars, dát kan hij verbeelden door een kind ten tonele te voeren. Wat dat kind teweeg brengt maakt mensen onzeker en onrustig. Daar houden ze niet van. En dus houden ze niet van dat kind. Eerst wel, misschien, maar uiteindelijk niet. En daarom is er voor dat kind eigenlijk geen plaats en wordt het geboren tussen de dieren, in een stal. En even later zal het voor zijn leven moeten vluchten.

En hij wil een belangrijke en centrale rol toekennen aan een vrouw. Lucas ziet het helemaal voor zich. Het moet iemand zijn die anders is dan hijzelf. Héél anders, want zoals hij ís, en zeker zoals hij wás, is het bijna ondenkbaar dat er gebeurt wat er is gebeurd.

Zij moet passen in het rijtje aartsmoeders, als Sara en Rebecca. Maar ze moet lijken op Miriam, dat jonge meisje, de zuster van Mozes en Aäron. Toen wij met angst en beven braken met wat ons weghield van onze bestemming, zong zij een even eenzaam als dapper lied dat bol stond van vertrouwen. Lucas zou haar eren door zijn heldin dezelfde naam te geven. Miriam, Maria. Zij zou, net als de aartsmoeders, niet ontvankelijk zijn voor mannelijk haantjesgedrag. Maar tegelijkertijd zal zij onaangetast zijn door teleurstelling en onbevangen zijn als Miriam. Zo kwam hij op de gedachte haar kind een kind van God te laten zijn. Ja, dat is mooi! Mooier kan het niet worden gezegd!

Het contrast tussen Maria en hemzelf kan niet groter. Hijzelf had, in de loop van de jaren, zijn onbevangenheid ingeruild voor een manier van doen die bepaald werd door pogingen tot zelfhandhaving. Niks geen argeloos vertrouwen in de toekomst. Zijn houvast zocht hij in waar hij vandaan kwam en in wat hij intussen had bereikt.

En ach, hij neemt het zichzelf niet eens kwalijk. Zijn kwetsbaarheid, afhankelijkheid en hulpeloosheid, hij had het eigenlijk willens en wetens onder laten sneeuwen. Het succes was hem niet aan komen waaien. Had hij dan moeten doen alsof hij niet alle zeilen moest bijzetten om daar terecht te komen waar hij wilde zijn? En, en dat ligt nog gevoeliger, had hij moeten doen alsof hij niet bang was niet gekend, erkend en bemind te worden? Alsof hij niet dacht dat je dat allemaal moest verdienen? Hij had altijd geprobeerd er het beste van te maken. Wanneer Lucas terugkeek op zijn leven, kon hij zeggen altijd naar eer en geweten te hebben gehandeld.

Dat was tóen. Nu is het anders. Althans, hij heeft er intussen weet van dat het anders kan. Maar hij kan het allemaal nog maar nauwelijks geloven, dat je ondanks de geschiedenis die je met je meedraagt en ondanks de werkelijkheid waarvan je deel uitmaakt, kunt zijn, mág zijn als Mirjam.

Toen ik met deze preek bezig was, vroeg ik mij af of Lucas zich heeft afgevraagd wat wij daarvan zouden denken, dat hij zichzelf uitlegt, dat hij zich laat kennen als iemand die naar de wereld heeft leren kijken als een jonge vrouw! Maar blijkbaar deerde hem dat niet. Of niet meer. De hóógmoed van de mannelijke potentie heeft plaats gemaakt voor het tegendeel, dat wil zeggen voor de móed om vol  vertrouwen ‘mij geschiede naar uw woord’ te zeggen.

Van de verschillende figuranten in dit verhaal lijkt de schrijver toch het meeste op alledaagse mensen als u en ik. Zijn bestaan is verankerd in zijn geschiedenis en in zijn positie. Dat noemde ik al. Maar met zijn portret van Maria pleit hij ervoor dat anker te verleggen. Hij nodigt zijn toehoorders uit zichzelf kwetsbaar te maken en zich te verbinden aan wat zij diep van binnen hopen, vermoeden en geloven dat komen gaat. Eens, in een misschien verafgelegen toekomst. Zij hoeven hun oren niet te laten hangen naar alle zogenaamd realistische geluiden om hen heen, maar zij mogen hun oren spitsen en luisteren naar de beloftevolle stem die vanuit de toekomst klinkt. Miriam zingt daarvan en ook Maria doet dat:

Hoogmoedigen heeft hij in de overleggingen huns harten verstrooid,

machtigen heeft hij van de troon gestort

en eenvoudigen verhoogd.

Hongerigen heeft hij met goederen vervuld

en rijken heeft hij ledig weggezonden.

Dat is nogal wat, zult u denken. Waar haalt Mirjam, Maria of Lucas het allemaal vandaan? Zij hebben weet van pijn, tekort en verlorenheid. Maar zomaar, op een enkel wonderlijk moment komt de belofte die in de toekomst verborgen ligt hen reëler voor dan alle realisme waarin zij tot nu toe hun heil zochten. Op een onbewaakt moment breekt het vertrouwen blijkbaar door het schild van cynisme, van achterdocht, van angst en onzekerheid dat zich in de loop van een leven heeft gevormd héén.

Ik denk dat u het allemaal herkent. Zien soms even, noemt Huub Oosterhuis het. Je stijgt, tot je eigen stomme verbazing, uit boven wie je denkt te zijn en je weet je verbonden met een werkelijkheid die je niet voor mogelijk hield.

Maar het vertrouwen dat Maria bezingt kan ook het resultaat zijn van een jarenlange zoektocht waarin alle ballonnen waaraan jij jezelf had opgehangen en die jou overeind hielden, één voor één lek zijn geprikt. Tot jij bij jezelf bepaald werd en op eigen benen moest gaan staan. Tot je je gedragen weet, tot je houvast vindt op een bodem die onvervreemdbaar is.

Tot slot wil ik nog even terugkomen op wat ik in het begin van deze preek zei, dat wij Bijbelteksten en –verhalen tekort doen door ze met een historiserende of moralistische bril te lezen. Zo zal, in ons geval Lucas, het niet gewild of bedoeld hebben. Maria is geen historische gestalte. Zij is niet in biologische zin de moeder van Jezus, zij is de verpersoonlijking van de mens die toekomst baart. Zij leeft nu. Iedereen die zich laat gezeggen door de vergezichten die hij in zijn beste momenten heeft gezien en daaraan vasthoudt, baart hoop en nieuw leven, licht in een donkere wereld. Op dezelfde manier is Jezus niet in biologische zin de zoon van Maria. Hij is de vrucht van haar vertrouwen. Waar mensen een vertrouwen als dat van Maria aan de dag leggen, daar wordt Jezus geboren. Jezus is de verpersoonlijking van de toekomst die Maria geschapen heeft.

En het verhaal heeft evenmin ten doel om ons in morele zin op weg te helpen. Het gaat niet aan om Maria als een kerstboom te behangen met morele kwaliteiten. Lucas heeft niet het oogmerk ons te vertellen dat hij denkt dat vrouwen zich vooral dienend dienen op te stellen of dat het hen staat hun maagdelijkheid zo lang mogelijk te bewaren. Misschien valt daar in sommige omstandigheden iets voor te zeggen, maar dat kan dan niet met dit verhaal worden gelegitimeerd.

Nee, Lucas hoopt u en mij aan te zetten om alle macht uit handen te geven aan de verbeelding, om de verbeelding aan de macht te laten komen! Met name met Kerstmis oefenen wij ons daarin. Dan organiseren wij met z’n allen zoveel geborgenheid en warmte, zoveel licht in de donkerte van de tijd, dat we wellicht, al is het maar voor even, ons uiteindelijke vertrouwen weer op het spoor komen. En wij verzekeren elkaar ervan dat onze overspannen door-de-weekse waarheid niet de énige is. Én: welzéker niet de láátste!

Amen