22 november 2009

 

Zondag 22 november 2009

Dorpskerk Durgerdam

voorganger: ds Pieter Lootsma

gastheer: Laurens ten Wolde

m.m.v. De Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

in deze dienst worden de overledenen van het afgelopen jaar herdacht.

Welkom

Zingen                                              Psalm 139: 1, 2 en 5 (cantorij: vers 2)

Votum en groet

Gebed

Zingen                                              Lied  289: 1, 2 en 3 (cantorij: vers 2)

Collectes

Schriftlezingen                               Mattheus 9: 1 - 8

Openbaring 21: 1 - 5

Zingen                                              Lied  289: 5

Overweging

Zingen                                              Lied 483: 1, 2 en 4 (cantorij: vers 2)

Wij noemen u de namen …

Cantorij                                            Het kaarsenlied

Gebed - stil gebed - Onze Vader

Zingen                                              Lied 397: 1, 3, 5 en 6 (cantorij: vers 5)

Zegen

gebed

Nu de dagen korter worden

en het donker steeds nadrukkelijker invalt,

kunnen wij niet anders doen dan wachten

tot er zich een ommekeer aandient

en, al is het langzaam, dag voor dag,

het licht weer aan ruimte zal winnen.

Vanmorgen zijn wij bij elkaar om stil te staan

bij wat en bij wie ons aan het verleden bindt.

Hoezeer kan een mens niet in beslag worden genomen

juist door zijn verdriet en gemis,

en hoe ondenkbaar kan het hem voorkomen

dat hij ooit de weg terug zal vinden

naar een bestaan waarin het volle licht vrij spel heeft.

Daarom schuilen wij dit uur bij elkaar

en bij u, van wie verteld wordt

dat u ons hebt gewild en bedoeld,

zoals u ook degenen die wij vandaag gedenken

hebt gewild en bedoeld.

Dat is zo’n kostbare gedachte

dat u hen ooit hebt bedacht

voor ons,

zoals u ons ooit bedacht hebt

voor hen!

Dat wij daaruit de troost en het vertrouwen putten

dat onze verbondenheid met hen onopgeefbaar is

omdat wij met elkaar in u geborgen zijn,

vandaag en morgen en alle dagen die nog zullen komen,

Amen

inleiding op de schriftlezing

Vanmorgen staan wij dus stil bij wie wij in het nu afgelopen jaar aan de dood hebben moeten afstaan. En niet alleen bij hen, maar ook bij onszelf, bij wat hun dood bij ons teweeg bracht en brengt. En bij de vragen die die dood heeft opgeroepen. Want wij trekken verder en wij laten hen achter in het nu bijna voorbije jaar. Of we dat nu willen of niet, het kan niet anders. Maar mag dat zomaar? Is dat niet lichtvaardig of ontrouw? Waar zijn zij überhaupt gebleven?

U moet niet denken dat het moderne vragen zijn. In één van de oudste gedichten in onze taal worden zij al bezongen. Ik lees het u voor. De dichter richt zich in zijn gedicht tot zijn dode vriend Egidius:

Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn.
Du coors die doot, du liets mi tleven!

Dat was gheselscap goet ende fijn,
het sceen teen moeste ghestorven sijn.
Nu bestu in den troon verheven,
claerre dan der zonnen scijn
en alle vruecht es di ghegheven.

Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn!
Du coors die doot, du liets mi tleven.

Nu bidt vor mi, ic moet noch sneven
ende in de weerelt liden pijn.

Egidius, waer bestu bleven?
Mi lanct na di, gheselle mijn!
Du coors die doot, du liets mi tleven.

Zoals u in de liturgie ziet staan, ga ik u twee gedeelten uit de Bijbel voorlezen.

Het eerste is een verhaal van Mattheus over een verlamde man die genezing vindt. Het tweede is een visioen van Johannes. Dat visioen toont hem hoe zowel de doden als de levenden eenzelfde perspectief delen.

overweging

Over het algemeen begin ik in rouwdiensten met het benadrukken dat wij recht willen doen aan het leven en het sterven van de overledene, maar evenzeer aan de gevoelens van degenen die achter zijn gebleven en met wie wij op dat moment bij elkaar zitten. Wij zijn daar dan bij elkaar om de overledene te herdenken. Wij willen hem of haar recht doen, in dat laatste uur dat we deze dierbare mens in ons midden hebben. Dat is wat wij nog kunnen doen. Maar wij kunnen daarbij onmogelijk voorbij gaan aan wat onszelf bezig houdt, aan ónze gedachten en gevoelens.

Meer of minder plotseling is er iemand uit je leven verdwenen. Een ouder, een broer of zuster, een partner of vriend, een kind. En hoezeer je het misschien ook hebt zien aankomen, hoezeer je er wellicht van doordrongen was dat het onvermijdelijk was, niemand van ons zal zich een voorstelling hebben kunnen maken van hoe het zonder deze dierbare mens zou zijn. En van wat van dit sterven bij hem of haar teweeg zou brengen.

Wie ooit iemand aan de dood heeft moeten afstaan weet daarvan, hoe je verbaasd kan staan van wat er allemaal door je heen gaat. Vaak zijn het dubbele en dus tegenstrijdige gevoelens die over elkaar heen buitelen en om beurten om aandacht vragen. Dat maakt rouwen ook zo’n complexe aangelegenheid. Het ene moment loop je over van dankbaarheid voor alles wat jou in die ander ten deel is gevallen, om even later wanhopig te zijn omdat er niets van wat je leven de moeite waard maakte lijkt te zijn overgebleven. Het ene moment voel je je schuldig omdat je, toen het nog kon, niet voldoende vaak zou hebben gezegd hoeveel je wel niet voor jouw dode voelde, om even later te moeten merken dat je stikt van woede op hem of haar.

Onze gedachten en gevoelens zijn, wanneer wij in de rouw zijn, nooit los te koppelen van wie of wat degene om wie wij rouwen voor ons is geweest. Ik hoor rouwenden zo dikwijls vertellen dat zij het gevoel hebben in hun rouw meer met hun dode verbonden te zijn dan toen hij of zij nog leefde. Tóen ging je je eigen gang en dat was voldoende. Je leek goed zonder elkaar te kunnen. Je liet elkaar in tal van dingen vrij. En nu je alleen bent, lukt dat allemaal niet meer en blijk je zonder die ander nauwelijks verder te kunnen leven. Je blijkt met huid en haar met elkaar te zijn verweven. En dat besef werkt verlammend. Een deel van jou is geamputeerd. En de pijn die dat teweeg brengt maakt dat je nauwelijks nog op eigen benen kunt staan. Je benen kunnen je niet meer dragen. Je zit daar maar, machteloos bij de pakken neer.

Het is heel wel denkbaar dat Mattheus, toen hij zijn verhaal over die verlamde man schreef, precies die ervaring op het oog had. Om duidelijk te maken wat hij bedoelt, bedient hij zich van beeldtaal, van poëzie. Het verhaal vertelt  dan ook niet van een knap medisch staaltje, maar het vertelt van hoe het verloop kan zijn van een ziekte die wij allemaal in zekere mate kennen.

In iemands leven heeft zich een drama afgespeeld dat er toe leidt dat hij niet meer weet hoe ooit nog in beweging te komen. Alles lijkt tot staan te zijn gekomen. De gang is er uit. En haal je de koekoek: de toekomst is leeg; daar gaat geen enkel appel van uit. Nee, hij wordt volkomen in beslag genomen door zijn loyaliteit aan het verleden. Zijn hele wezen is daarmee verbonden.

Het is een verlamming die niet zo gek is en die zich ook wel laat begrijpen. Het is in zekere zin misschien zelfs een keuze. Want wél opstaan en verder trekken voelt als ontrouw aan jouw dode. Je laat hem immers achter, jouw Egidius. Iedere dag dat jij verder leeft, vergroot de afstand tussen hem en jou. Dus je wilt die dagen niet. Als het aan jou zou liggen zou de zon niet wéér opgaan en ondergaan en nog een keer opgaan en weer ondergaan. Kon je dat maar tegenhouden. Dan zou je zo dicht mogelijk bij hem in de buurt kunnen blijven. Maar je groeit van hem weg, tegen wil en dank. En het enige verweer dat je lijkt te hebben is de dekens over je hoofd trekken en doen of het allemaal niet wáár is.


Dat patroon is wat Mattheus zo eerbiedig schildert met dat beeld van die verlamde man. Maar het zal u zijn opgevallen dat hij in zijn verhaal een verband legt tussen die verlamming en schuld. En dat is iets om even bij stil te staan. Want ik zeg toch niet teveel als ik beweer dat dat ons tegen de borst stuit. Niet alleen zijn wij bijna allergisch voor het begrip schuld, wij willen daar helemaal niet van horen, maar bovendien is het ook niet onmiddellijk navoelbaar wat hij hier bedoelt. Want hoezo schuld? Over welke schuld heeft hij het en wat heeft die schuld dan in ’s hemelsnaam met die verlamming te maken? Hoe kan die verlamming waar Mattheus over spreekt geworteld zijn in schuld?

Misschien staat het net iets minder ver van ons af dan we in eerste instantie geneigd zijn te denken. Ik stel me tenminste voor dat er onder u zijn die zullen herkennen waarover het hier gaat. Je hebt een geliefde of dierbare aan de dood verloren. En je hoofd zit vol vragen. Over wat zij werkelijk van jou dacht. Over wie zij eígenlijk was. Of jijzelf niet meer had moeten vertellen wie jij eigenlijk bent en waarom jij zo graag samen was. Ze tollen maar rond en dreigen je dol te maken. Spijt heb je. En je weet je ook schuldig. Alles is zwart. En dan opeens betrap je jezelf er op dat je geniet van het uitzicht op een ondergaande zon. Of dat je, even helemaal alleen thuis, mooie muziek hoort en een moment van volkomen geluk ervaart. Dan schrik je en vraag je je af of dat wel mag? Moet je niet verdrietig zijn? Of ben je je dode nu al vergeten? Betekende hij dan zo weinig voor je? Ook zo’n enkel, uitnodigend geluksmoment kan dan overschaduwd worden door een golf van eenzame schuld.

Het verhaal vertelt dan hoe het Jezus is die de verlamde man uitnodigt om op te staan en de toekomst weer met vertrouwen tegemoet te treden. Dat kunnen wij alleen begrijpen als wij de naam van Jezus zoals hij in dit verhaal klinkt, losmaken van de historische gestalte die zo’n tweeduizend jaar geleden geleefd zou hebben. Zoals wij die verlamde man als een beeld willen begrijpen van wat mensen als u en ik verlamt, zo kunnen wij Jezus begrijpen als wie of wat ons uitnodigt onze blik weer vooruit te werpen. Dat kan van alles zijn. Dat kan die ondergaande zon zijn, of die mooie muziek die in jouw huiskamer klinkt. Maar het kan ook een ander mens zijn die jou weer noodt tot de dans van het leven.

Mattheus vermoedt dat het ons alleen dan gegeven zal zijn op die uitnodiging in te gaan, als wij onze schuld achter ons zullen weten te laten. Een rouwende zal in het reine moeten komen met alles wat hem wat dat betreft achtervolgt. Wanneer hij daarin slaagt, zal hij zijn oriëntatie kunnen verleggen: in plaats van gefocust te zijn op wat wás, zal hij weer vooruit kunnen kijken. En weer kunnen verlangen naar wat komen gaat.

In ons verhaal lijkt deze ommekeer zich overigens af te spelen op een enkele, terloopse achternamiddag. Maar dat is natuurlijk onzin. De werkelijkheid leert dat wat hier in een paar zinnen wordt samengevat, eigenlijk altijd een strijd is die maanden, jaren en vaak nog veel langer beslaat. Want het weer naar voren gaan kijken, vergt moed. En vooral vertrouwen. Een mens moet niet alleen leren vertrouwen dat hij zijn dode achter mag laten. Dat hij hem of haar niet in de steek laat door verder te leven. Dat de dode, hoe zal ik het zeggen, geborgen is in een werkelijkheid die ons denken te boven gaat, een werkelijkheid die ‘uitgaat boven het dak van ons denken’, om één van de overledenen die wij vanmorgen gedenken te citeren.

Dat zal vaag klinken, dat realiseer ik mij. Maar dat kan ook niet anders, want wij kunnen met woorden nu eenmaal niet meer doen dan verwijzen naar wat er zich afspeelt op de diepere lagen

van ons bewustzijn. Daar ergens moet zich een troostend vertrouwen aandienen dat de weg naar voren effent.

Wat iemand die rouwt ook moet leren is weer gevoelig te worden voor de verlokkingen en verleidingen van de toekomst. Hij moet de toekomst weer kunnen horen fluisteren van belofte en nieuw leven.

Daarmee wil niet gezegd zijn dat zijn dode zal moeten worden vergeten of dat deze hem niet zal kunnen blijven vergezellen bij wat het leven nog in het verschiet heeft. Dat zou een misverstand zijn. Onze doden blijven ons bij. Zij blijven ijkpunten, gesprekspartners, maatjes en noem maar op.  En gelukkig maar. Want dat wij hen achter moeten laten en weer ontvankelijk moeten worden voor wat de toekomst belooft, wil niet zeggen dat zij niet óók met ons op kunnen blijven trekken. Misschien is het daarom beter te zeggen dat een rouwende moet leren zijn dode met rust te laten. Dan kan hij zich laten verrassen door wat deze hem nog te zeggen zal blijken te hebben!

Over het hoe en wat daarvan zal iedereen zo zijn of haar eigen fantasieën hebben. Je mag hopen dat deze fantasieën je sterker maken en dat zij behulpzaam zullen zijn bij het vinden van een nieuwe weg. Dat ze ons een beetje dapperder maken en weer benieuwd naar wat er komen gaat.

Eén zo’n fantasie heb ik u voorgelezen. Of liever gezegd, het is een droom die Johannes had. Hij zag het voor zich, hoe wij allemaal, de doden en de levenden, eenzelfde toekomst delen:

Ik zie een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde zijn voorbij gegaan. En er klinkt een luide stem: ze ik zal alle tranen van uw ogen afwissen en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geklaag, noch moeite, want zie, ik maak alle dingen nieuw.

Amen