27 augustus 2017

schriftlezing

Genesis 32: 4Jakob stuurde boden vooruit naar zijn broer Esau in Seïr, het gebied van Edom, 5en droeg hun het volgende op: ‘Jullie moeten tegen mijn heer, tegen Esau, zeggen: “Uw dienaar Jakob laat u weten dat hij een tijdlang bij Laban heeft gewoond en pas nu bij hem is weggegaan. 6Hij heeft daar runderen, ezels en schapen en geiten in bezit gekregen, en ook slaven en slavinnen. Deze boodschap laat hij aan u, zijn heer, overbrengen in de hoop dat u hem goedgezind zult zijn. 7Toen de boden bij Jakob terugkwamen, meldden ze hem: ‘We zijn bij uw broer Esau geweest, en hij komt u tegemoet, met vierhonderd man.’ 8Jakob schrok hevig, het angstzweet brak hem uit. … 14Nadat Jakob de nacht daar had doorgebracht, stelde hij uit het vee dat hij bezat een geschenk voor zijn broer Esau samen: 15tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen, 16dertig nog zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien, tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezelshengsten. … 23Het was nog nacht toen Jakob opstond en de Jabbok overstak op een doorwaadbare plaats, samen met zijn beide vrouwen, zijn twee bijvrouwen en zijn elf kinderen. 24Nadat hij hen over de rivier had geholpen, bracht hij ook al zijn bezittingen naar de overkant. 25Maar zelf bleef hij achter, helemaal alleen, en er worstelde iemand met hem totdat de dag aanbrak. … 27Toen zei de ander: ‘Laat mij gaan, het wordt al dag.’ Maar Jakob zei: ‘Ik laat u niet gaan tenzij u mij zegent.’ 28De ander vroeg: ‘Hoe luidt je naam?’ ‘Jakob,’ antwoordde hij. 29Daarop zei hij: ‘Voortaan zal je naam niet Jakob zijn maar Israël, want je hebt met God en mensen gestreden en je hebt gewonnen.’ 30Jakob vroeg: ‘Zeg me toch hoe u heet.’ Maar hij kreeg ten antwoord: ‘Waarom vraag je naar mijn naam?’ Toen zegende die ander hem daar. 31Jakob noemde die plaats Peniël, ‘want,’ zei hij, ‘ik heb oog in oog gestaan met God en ben toch in leven gebleven.’ 32En toen hij bij Peniël was overgestoken, zag hij de zon opkomen.

 

 

overweging

Het is, vermoed ik, het meest bekende van alle Jacobverhalen. Op de een of andere manier heeft het altijd en in brede kring tot de verbeelding gesproken. Blijkbaar vermoeden wij, zonder dat dat expliciet hoeft te worden gemaakt, dat hier een strijd verbeeld wordt die wij van dichtbij kennen. Het verhaal nodigt ons als het ware uit om ons met de figuur van Jacob te vereenzelvigen. Wíj zijn het zelf die, vóór wij verder kunnen op de weg die wij gaan, dat gevecht met ‘God en mensen’ moeten voeren.

 

Ik wil u niets opdringen, natuurlijk. Het is heel wel denkbaar dat u dat niet herkent en dat zoiets bij u niet speelt. Of dat iets dergelijks op dit moment in uw leven niet speelt. Maar het kan ook zijn dat u herkent wat Jacob hier doormaakt, dat het in zekere zin rijmt op een fragment uit het verhaal dat u leeft. Vanmorgen wil ik met u over die mogelijkheid nadenken, eigenlijk vooral aan de hand van een gesprek dat ik de afgelopen zomer tijdens een korte vakantie in Zwitserland voerde.

 

Met een aantal vrienden maakten wij een vierdaagse wandeltocht op en rond de Aletchgletsjer in Zwitserland.  Dat was om meer dan één reden indrukwekkend. Zo had ik nooit eerder met eigen ogen gezien hoe groot de gevolgen van de klimaatverandering intussen zijn. De Aletchgletsjer is een van de grootste gletsjers van Europa maar als het gaat zoals het nu gaat, is hij over enkele tientallen jaren volledig weggesmolten. Op de bergwanden links en rechts van de gletsjer is te zien tot hoe hoog hij vijf, tien, twintig of vijftig jaar geleden reikte. Het tempo waarin hij daalt en dus kleiner wordt, is zondermeer angstaanjagend hoog.

 

Maar hoe ernstig ook, dat toch terzijde. Vanmorgen wil ik u vertellen over een gesprek dat ik tijdens een wandeling met onze Bergführer, onze gids, heb gehad.

 

Hij vroeg mij wat ik voor werk deed. Ik moet bekennen dat ik niet altijd meteen sta te springen om daarover te vertellen. Wanneer ik vertel dat ik predikant ben roept dat niet zelden reacties op die om meer tijd en om een andere ambiance vragen dan op dat moment beschikbaar is. Maar nu, in dat imposante berglandschap, waarin wij alle tijd hadden om in gesprek te raken, vertelde ik graag over wat ik zoal doe. Ook nu was de reactie, laat ik zeggen, overweldigend. Het was alsof deze gids op deze ontmoeting gewacht had. Hij moest iets kwijt dat hem al heel lang bezig hield en in feite bezwaarde. Hij zag zijn kans schoon en kon eindelijk eens zijn hele verhaal vertellen.

 

Hij begon mij te vertellen over wat hij het ‘grote verhaal van zijn leven’ noemde. Zijn vader was ook berggids geweest. En voor zijn broer gold hetzelfde. Zijn familie leefde met de bergen, al zolang als het geheugen teruggaat.

 

Enkele tientallen jaren geleden was zijn broer tijdens een tocht naar beneden gevallen en overleden. Dat dat een groot drama was, spreekt natuurlijk voor zichzelf. Afgezien van het grote verdriet om de dood van zijn broer, vroeg hij zich ook af of hij misschien schuld had aan dit ongeluk? Had hij iets kunnen doen om het te voorkomen? Had hij zijn broer moeten waarschuwen voor het één of ander? Of misschien had hij met die groep mee moeten gaan. Dan had zijn broer thuis kunnen blijven. Zeker wist hij het allemaal niet maar de vraag of en hoe het allemaal te voorkomen was geweest, bleef door zijn hoofd spelen. Met het verstrijken van de tijd, kwam voegde zich hier nog een ander schuldgevoel bij. Of liever, hij ging zich in toenemende mate schuldig voelen over iets van een heel andere orde. Hijzelf was getrouwd en had kinderen. Zijn broer niet. En eigenlijk iedereen (hij, zijn ouders en andere omstanders) hadden wel een vermoeden van wat daarvan de reden was. Maar nooit is er iemand geweest die de moed had gehad om dat te benoemen. Toen hij zich dat ging realiseren drong tot hem door hoezeer zij zijn broer gedurende al zovele jaren in de steek hadden gelaten.

 

Het was overigens opmerkelijk dat hij het in het gesprek met mij ook niet benoemde. Hij liet het aanvankelijk hierbij. Ik heb mij natuurlijk afgevraagd of ik hem niet had moeten helpen hardop te zeggen wat er speelde. Maar ik deed dat niet omdat ik wel een idee had van wat hij bedoelde. En ik was beschroomd omdat ik wilde voorkomen dat mijn eigen verhaal zou gaan resoneren.

 

Na enige tijd samen verder te hebben gelopen zei hij dat hij er de wereld voor over zou hebben om zijn broer alsnog te laten weten dat hij mocht zijn wie hij is. En dat hij van hem gehouden heeft, hoe dan ook.

 

Het schuldgevoel over dat verdrietige ongeluk had plaats gemaakt voor een veel dieper ervaren schuldgevoel over de manier waarop hij zijn broer al jaren voor zijn dood alleen gelaten had.

 

Dat besef heeft de toon in zijn hele verdere leven gezet. Dat ik dit vanmorgen in uw midden leg, is vanwege wat hij mij daarna vertelde. Hij heeft mij na dit voorzichtige begin in een monoloog van misschien wel een uur verteld over hoe hij met dat schuldgevoel is omgegaan.

 

Aanvankelijk was hij verdrietig, dat laat zich raden. Toen kwam dus dat schuldgevoel opzetten. Dat heeft hem gebroken. Hij wist zich geen raad, jarenlang. Totdat het schuldgevoel zich op enig moment vertaalde in een voor hem ongekende woede. Aanvankelijk richtte die woede zich op zijn ouders die kritiekloos capituleerden voor allerhande taboes en die hun kinderen niet hadden geleerd om open te zijn over zichzelf. Maar die woede luwde. Of liever, zij verlegde zich. Het volgende slachtoffer was de kerk die de samenleving een vervreemdende seksuele moraal had opgedrongen. Hij vertelde af en toe zo boos te zijn geweest dat hij, als hij op straat een geestelijke tegenkwam, de neiging had deze naar de keel te vliegen. Maar na jaren veranderde de focus van zijn woede opnieuw. Nu was de hele samenleving schuldig, met name alle instituties die ons in het gareel houden kregen ervan langs. Het ging zo ver dat hij uiteindelijk niet meer normaal kon functioneren en is, op aanraden van zijn vrouw, in therapie gegaan en zelfs enige tijd opgenomen geweest.

 

Nu was het allemaal wat rustiger in zijn hoofd. Maar hij vertelde nog altijd afstand tot de gewone wereld te bewaren en, waar het zijn werk betreft, zich te beperken tot het gidsen in de bergen.

 

Daarna liepen we een hele tijd stilzwijgend naast elkaar verder. Op een gegeven ogenblik heb ik de stilte verbroken en heb ik hem de vraag gesteld of zijn boosheid op de kerk en de geestelijkheid ertoe geleid heeft dat hij ook zijn religieuze ontvankelijkheid is kwijtgeraakt? Ik kon me dat om een aantal redenen niet voorstellen. De  toegang die hij had tot zijn fijnzinnige gevoelsleven en natuurlijk het feit dat hij zijn dagen slijt in die bergen maken een zekere religiositeit toch onontkoombaar?

 

Hij gaf mij toen het mooiste antwoord dat ik ooit op die vraag heb gekregen. Zijn antwoord was, en hij formuleerde het heel teruggehouden, woord voor woord, zijn antwoord was niet bevestigend of ontkennend. Ik weet niet eens zeker óf hij mij een antwoord op mijn vraag gaf.

 

Hij zei dat de bergen hem maar één ding hebben geleerd. En dat is dat je als mens bescheiden moet zijn. Dat je jezelf altijd ter discussie moet blijven stellen omdat je niet alleen nooit het gelijk aan je kant hebt maar ook omdat je jezelf niet kent. Jij weet niet wat jouw bezielt. Je kent je eigen motieven niet. Ze worden altijd weer één voor één ontmaskerd.

 

U zult het met mij eens kunnen zijn dat het maar een kleine stap is van deze Zwitserse Bergführer naar het verhaal dat wij vanmorgen lazen uit het eerste bijbelboek.

 

Laat ik nog eens benadrukken dat dat inderdaad een verháál is. Dat wil zeggen dat er geen eenduidige uitleg te geven valt. Het rijmt telkens weer anders op de levens van degenen die ernaar luisteren. Maar dat gezegd zijnde mogen wij veronderstellen dat dit verhaal verbeeldt hoe mensen moeten vechten om uiteindelijk samen te kunnen gaan vallen met wie zij zijn. Jacob vocht voor hij uiteindelijk zijn schuld achter zich kon laten en thuis kon komen bij zichzelf en bij zijn broer. Onze berggids vocht een lange, donkere nacht om zich te bevrijden van zijn schuld en ook van zijn woede om zo ook thuis te kunnen zijn bij zowel zichzelf als bij zijn overleden broer.

 

Een mens kent zichzelf vaak slecht. En zijn motieven. In die lange, donkere nacht worden zij één voor één ontmaskerd. Er zijn krachten die ons drijven waar wij geen vermoeden van kunnen hebben. Welke stem in mij bepaalt wat ik doe en laat? Welke autoriteit ken ik aan de verschillende stemmen toe? En speelt God een rol? Klinkt zijn wil of bedoeling door in een van de stemmen? In welke dan? En hoe?

 

Hoevelen zij er niet die een ogenschijnlijk zorgeloos leven leiden, licht als het stof dat de wind over de aarde blaast? Nooit zijn er problemen die hun ertoe dwingen zich in het leven te verdiepen. Alle vragen pareren zij met snelle en logische oplossingen. Met hun denken gaan zij de werkelijkheid uit de weg. In feite vervangt dat denken de werkelijkheid. Aan het leren kennen van de werkelijkheid komen zij niet toe.

 

Maar er kan een moment zijn waarop de werkelijkheid zich onontkoombaar aan hen opdringt. Zij hebben hun vrouwen, hun dieren en slavinnen misschien al op een doorwaadbare plaats veilig naar de overkant van de rivier overgebracht. Maar zij zijn gaan voelen dat zijzelf een levend gevaar voor hun familie zijn als zijzelf verder leven zoals zij dat tot dusver deden. Er moet pas op de plaats gemaakt worden. Er ligt  huiswerk te wachten. Dat moet eerst af. Eerst zal er gestreden moeten worden. Met God en met de mensen. Om thuis te kunnen zijn, bij zichzelf en bij hun broeders en zusters. Met zijn gevecht betaalde onze Jacob een hoge prijs. Hij verloor wie hij was. Mij hij herwon een nieuwgeboren mens met een volkomen nieuw perspectief. Toen Jacob opstond, zag hij de zon opkomen.

Amen