11 juni 2017 Pinksteren

Dorpskerk Durgerdam       Pinksteren 2017

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Simon Plemp

hobo / blokfluit: Berend van Halsema

 

liturgie

piano    Preludium in f, BWV 881 Das Wohltemperierte Klavier II van

`    J.S. Bach

welkom

zingen    NLB 672 (Kom laat ons): 1, 2 en 3

votum    DD Liedboek 5 (Vlam van de Geest)

gebed

Onze dagen rijgen zich aaneen

en gaan maar al te vaak voorbij,

zonder werkelijk indruk na te laten.

Wij offeren ons leven

aan de dagelijkse gang van zaken.

 

Wat erin is gelegd aan belofte en troost,

aan schoonheid en liefde,

het leeuwendeel ervan gaat

onopgemerkt aan ons voorbij.

 

Omdat er altijd zoveel móet

en omdat onze spankracht maar beperkt is,

hebben wij nauwelijks oog voor

wat zich aan pijn en moeite

aandient om ons heen.

Willens en wetens,

omdat wij ervoor kiezen:

(ook wijzelf zijn tekort gedaan – en ben ik mijn broeder’s hoeder?),

of óngewild, omdat wij blind geworden zijn

voor alle leegte en gemis

in het hart van hen met wie wij leven.

 

Verder weg

van wat ons dagelijks in kringen rond doet gaan

is een wereld vol onopgeloste vragen en problemen,

overweldigend in getal en heftigheid,

zozeer dat wij er stil van worden,

en machteloos of cynisch zelfs.

Op welke manier en waar en hoe

kan voor betrokkenheid

een leefbare en zinvolle vorm worden gevonden?

 

Misschien is het daarom dat wij hier naartoe kwamen

omdat wij verlangen naar en hopen op

een bestaan

dat transparant is en zicht biedt

op een leven in de geest van hartelijke en liefdevolle vrijmoedigheid.

Amen

zingen    NLB 672: 7

schriftlezing   Handelingen 2: 1 - 13

2: 1Toen de dag van het Pinksterfeest aanbrak waren ze allen bij elkaar. 2Plotseling klonk er uit de hemel een geluid als van een hevige windvlaag, dat het huis waar ze zich bevonden geheel vulde. 3Er verschenen aan hen een soort vlammen, die zich als vuurtongen verspreidden en zich op ieder van hen neerzetten, 4en allen werden vervuld van de heilige Geest en begonnen op luide toon te spreken in vreemde talen, zoals hun door de Geest werd ingegeven.

 

5In Jeruzalem woonden destijds vrome Joden, die afkomstig waren uit ieder volk op aarde. 6Toen het geluid weerklonk, dromden ze samen en ze raakten geheel in verwarring omdat ieder de apostelen en de andere leerlingen in zijn eigen taal hoorde spreken. 7Ze waren buiten zichzelf van verbazing en zeiden: ‘Het zijn toch allemaal Galileeërs die daar spreken? 8Hoe kan het dan dat wij hen allemaal in onze eigen moedertaal horen? 9Parten, Meden en Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kappadocië, mensen uit Pontus en Asia, 10Frygië en Pamfylië, Egypte en de omgeving van Cyrene in Libië, en ook Joden uit Rome die zich hier gevestigd hebben, 11Joden en proselieten, mensen uit Kreta en Arabië – wij allen horen hen in onze eigen taal spreken over Gods grote daden.’ 12Verbijsterd en geheel van hun stuk gebracht vroegen ze aan elkaar: ‘Wat heeft dit toch te betekenen?’ 13Maar sommigen zeiden spottend: ‘Ze zullen wel dronken zijn.’

hobo en piano   Siciliana uit sonate in a klein van G.Ph. Telemann

overweging

Met een achttal vrienden en vriendinnen hebben we een jaar of tien geleden een filmclubje opgericht. Iedere paar weken gaan we met elkaar naar de bioscoop en we hanteren daarbij een wat opmerkelijke formule. Omdat iedereen druk is met van alles en nog wat, is het vinden van een nieuwe datum vaak een kwestie van passen en meten. Om het onszelf niet moeilijker te maken dan strikt noodzakelijk gaan wij altijd en alleen maar naar het Filmhuis in Den Haag en we kiezen de film die begint op het moment dat ons die dag het beste uitkomt. Soms moet iemand laat werken. Dan gaan we naar een late film. Of iemand moet de volgende ochtend juist vroeg opstaan zodat de wat later beginnende films juist afvallen. Zo worden de films die wij zien eigenlijk voor ons gekozen. We laten de keuze van de film dus in belangrijke mate aan het toeval over en eigenlijk bevalt ons dat goed.

 

De laatste keren zagen wij op deze manier drie films op rij die, heel opmerkelijk, min of meer hetzelfde thema behandelden. Dat verraste ons en ik wil daarover (ik bedoel: over dat thema) vanmorgen met u van gedachten wisselen.

 

De eerste van de drie was Juste la fin du monde. Deze film vertelt het claustrofobische verhaal van een succesvolle  toneelschrijver die, na daar twaalf jaar niet geweest te zijn, terugkeert naar zijn geboorteplaats. De  reden van zijn terugkeer is dat hij zijn familie wil vertellen dat hij ernstig ziek is en niet lang meer te leven heeft. Het is de kijkers al meteen duidelijk dat hij indertijd niet voor niets is vertrokken uit de wereld waarin hij opgroeide. Hij barst op alle denkbare manieren uit het milieu waarin hij geboren is. De communicatie met zijn moeder, broer, zuster en schoonzuster verloopt dan ook hopeloos moeizaam wat tot een dramatische ontknoping van het verhaal leidt.

 

De tweede film heet El ciudadano illustre, ‘De ereburger’ betekent dat. Deze film laat een schrijver zien die, na veertig jaar in Europa te hebben gewoond, voor het eerst weer terugkeert naar het Argentijnse dorp van zijn jeugd. Hij heeft onlangs de Nobelprijs voor de literatuur gewonnen. Dat doet hem de vraag stellen of hij nu nog een werkelijk onafhankelijke kunstenaar is of dat hij zich heeft weten aan te passen en intussen deel is gaan uitmaken van het establishment. Dat laatste is zijn schrikbeeld. Maar eenmaal aangekomen in het verstikkende plaatsje waar hij opgroeide blijkt dat hij er nog altijd dezelfde vreemdeling is die hij zich daar altijd gevoeld heeft.

 

En de derde film die het lot ons voorschotelde was Verdwijnen, een Nederlandse productie. Deze film gaat over Roos die op bezoek gaat bij haar moeder die na een echtscheiding in Noorwegen is gaan wonen en met wie zij een, op z’n zachts gezegd, stekelige relatie heeft. Roos is echter vastbesloten om haar moeder te bereiken. Zij is naar Noorwegen gekomen om te vertellen dat ze ongeneeslijk ziek is waardoor dit de laatste kans op verzoening met haar moeder is.

 

Het zal u zijn opgevallen dat in alle drie deze films de hoofdpersoon zich aanvankelijk heeft losgemaakt van waar hij vandaan komt - om zich op een later moment af te vragen hoe dat nu precies in elkaar zit, de verhouding tot de familie, het geboortedorp of de moeder. En deze drie films vertellen alle drie het verhaal van de confrontatie tussen de beide werelden, die van de wereld en de werkelijkheid waarin de hoofdpersoon opgroeide en de mens die zich daarvan bevrijd heeft omdat hij wilde kunnen groeien en zich wilde kunnen ontplooien.

 

Misschien ben ik wat kort door de bocht in mijn veronderstelling dat dit thema blijkbaar actueel is. Dat zou kunnen. Maar ik zal u zeggen dat die gedachte wel bij mij heeft postgevat. Dat zogenaamde ‘exodusmotief’ is natuurlijk van alle tijden maar het is niet ondenkbaar dat het niet zomaar is dat juist nu zoveel films in het filmhuiscircuit dit thema behandelen. En dat onze tijd dus vragen oproept die hiervan de aanleiding zijn.

 

Ieder mens zal zich op enig moment de vraag stellen wie hij nu eigenlijk is. En waar en onder welke omstandigheden hij het meest tot zijn recht zal komen. De drie hoofdpersonen uit de films die ik zag zullen niet de enigen zijn die tot de conclusie kwamen dat zij daarvoor uit zullen moeten breken uit de wereld aan gedachten, opvattingen en percepties waarin zij opgroeiden omdat zij een andere, meestal bredere horizon nodig hebben om adem te kunnen halen, om vrij te kunnen denken en bewegen. Om lief te hebben zoals zij dat willen, om te doen waar zij in geloven en om te láten wat hun van zichzelf vervreemdt. Soms is dat afstand nemen fysiek, dan trekken zij daadwerkelijk weg. Vaak voltrekt het zich in het hoofd. Dan volstaat het je erin te oefenen op een andere manier te kijken of jezelf anders op te stellen.

 

Ik stel me zo voor dat wat ik hier beschrijf een spanningsveld is dat in ieder leven op de één of andere manier een rol speelt. Ik kan het gevoel hebben tussen twee polen in te staan: aan de ene kant alles wat met, laat ik zeggen, mijn geboorte gegeven is én aan de andere kant mijn ideeën over wie ik eigenlijk en uiteindelijk denk te zijn. Om datzelfde in wat meer theatrale woorden te zeggen: ergens diep in mij schuilt een onvervreemdbare kern die de bewaarplaats is van mijn eigenlijke ik. En het is mijn taak die kern te bevrijden en er, al ademend, gestalte aan te geven.

 

Dat is een opdracht aan de mensen van alle tijden maar na de drie genoemde films te hebben gezien ben ik mij gaan afvragen of het misschien zo is dat wij daar meer mee worstelen dan de generaties boven ons dat deden. Wat zou daarvan de reden kunnen zijn? Weten doe ik het natuurlijk niet maar ik sluit niet uit dat het te maken heeft met de hoge eisen die de samenleving van vandaag de dag aan met name studerenden en werkenden stelt. Die eisen worden niet zelden als heel dwingend ervaren. Zij moeten meebuigen, zich aanpassen en schikken. En omdat dat het gevoel kan opleveren dat zijzelf niet voldoende aan bod te komen, kan het verlangen boven komen drijven om nu eindelijk eens op zoek te gaan naar eigenheid, authenticiteit en waarachtigheid.

 

Laat ik wat explicieter worden. Ik doel op de 24-uurs economie, de almaar verdergaande digitalisering die er onder meer toe leidt dat veel werknemers verondersteld worden 24 uur per dag beschikbaar te zijn. Het idee dat ons werk en de economie er zijn om ons in onze behoefte aan dagelijks brood te voorzien is verlaten. Intussen zijn wie werken er vooral om de economie op gang te houden en zo mogelijk te doen groeien. Daarbij wordt een grote flexibiliteit verondersteld die tot uitdrukking komt in de manier waarop arbeidscontracten er uitzien en carrières worden opgebouwd. Maar het begint al eerder: de studieduur wordt ingekort. Zo wordt de tijd om ouderwets student te zijn ingeperkt. Al tijdens de studie staan veel beslissingen over wat wel en wat niet te doen al in het teken van dat vervloekte CV. Mens worden door fouten te maken en er zo achter komen wie je bent, door maandenlang niets te doen en dus de ruimte te hebben om met jezelf in gesprek te raken, het komt, hoe nuttig dat allemaal ook is, onherroepelijk in het gedrang.

 

Daar komt dan nog bij dat door de toegenomen welvaart en door de veranderde relaties tussen ouders en kinderen (veel ook jonge mensen hebben een uitermate plezierig leven en tal van kinderen zien hun ouders tegenwoordig als ‘goede vrienden’?) is de uitdaging om je tegen hen te verzetten en van hen los te maken goeddeels verdampt. Het aangaan van de strijd met je ouders om ruimte te verwerven om zelf iemand te worden neemt in de volwassenwording een minder centrale plaats in dan dat lang het geval is geweest.

 

Maar ook de angst die langzaamaan bezit neemt van onze samenleving, onder meer door de door de media schaamteloos uitvergrootte terroristische aanslagen draagt ertoe bij dat wij er sneller toe geneigd zijn ons maar te voegen.

 

Hoewel ik mij er natuurlijk van bewust ben dat er hier en daar uitzonderingen zijn op wat ik hier allemaal zeg, zijn de meeste deskundigen het erover eens dat er hier sprake is van een trend. Om hetzelfde wat radicaler te verwoorden: mensen worden met zachte hand uitgenodigd zichzelf in te zetten als instrument voor iets dat groter is dan zijzelf zijn. Vaak is dat de economie. Het verlangen om je individualiteit of je persoonlijkheid in het algemeen in de grondverf te zetten, wordt subtiel ontmoedigd.

 

Het mag ons troosten dat dat laatste niet alleen iets van nu is. het speelt al zolang de wereld bestaat. Maar de bedoelde subtiliteit is voor de ene generatie moeilijker te pareren dan voor de andere. Het zou wel eens kunnen zijn dat wij leven op een moment op de curve waarop het moeilijk is om op te staan tegen de eisen van de tijd.

 

En dan ben ik nu eindelijk waar ik wezen wil. Want precies daarom is het zo goed dat wij ondanks alles toch eens per jaar Pinksteren vieren. Pinksteren helpt ons er aan herinneren dat ieder mens afzonderlijk begiftigd is met een van God gegeven vlammetje. Dat vlammetje maakt deel uit van zijn wezen, van wie hij in wezen is. Dat vlammetje herinnert hem er aan dat hij meer is dan wat zijn omgeving met hem voor heeft. Juist door dat vlammetje kan hij uitstijgen boven de vorm waarin de samenleving zijn leven het liefst gegoten ziet. Dat vlammetje nodigt hem uit om weg te trekken, zich los te maken van wat hem klein houdt. Het doet hem zich realiseren dat hijzelf iemand is, dat hij groter is dan hij misschien wel durft te vermoeden.

 

Ik besluit met een paar woorden over de tegenstelling die Lucas signaleert tussen aan de ene kant het wonder van het elkaar eindelijk allemaal kunnen verstaan en, aan de andere kant, degene die schamper opmerken dat ‘ze wel dronken zullen zijn’.

 

Wie naar de genoemde films zit te kijken identificeert zich zonder moeite met de hoofdpersoon. Zijn (of haar) verlangen en streven is eenvoudig te begrijpen en te verstaan, al betreft het mensen met een volstrekt andere achtergrond dan de mijne. Al spreken zij een mij vreemde taal, zij vertolken mijn verlangen en streven. Zij vertellen míjn verhaal en daarom wordt ik door hen geraakt en geïnspireerd.

 

Daar tegenover staan, aan de andere kant dus, de cynici, degenen die roepen dat ‘ze’ dronken zijn en te veel wijn gedronken hebben. Die rollen worden in de films gespeeld door het thuisfront: de familie die verlaten is, het dorp waar de beroemde nobelprijswinnaar vandaan komt en de door het leven getekende en cynisch geworden moeder. ‘Doe maar gewoon; dan doe je meer dan gek genoeg’, stralen zij uit en roepen zij. ‘Wat verbeeldt hij zich wel door zoveel aandacht naar zich toe te trekken. En om zich zo nadrukkelijk te manifesteren. Zijn wij niet goed genoeg meer voor hem?’

 

Vandaag willen wij ons met elkaar verbinden in die herkenning van het verlangen naar eigenheid. We ontstijgen vanmorgen ons cynisme. Ieder van ons is op zoek naar zijn of haar eigen stem. Naar het je durven toevertrouwen aan wat je ten diepste drommelsgoed weet dat juist bij jou past. Want dat, dat  heeft iets ‘heiligs’, iets goddelijks: juist die eigenheid is ons van God gegeven, zo is dat door de eeuwen heen ervaren.

 

Daarom willen wij daar zuinig op zijn. En eerbiedig mee omgaan. En daarom vieren wij Pinksteren. Ieder jaar weer.

Amen

stilte

blokfluit   Andante uit Fantasie in D groot voor blokfluit solo van G.Ph.

Telemann

gebed   Reisgebed van Gerard Reve

Traditiegetrouw lees ik met u op deze laatste zondag voor de vakantie het reisgebed van Gerard Reve. Ik leid het, voor degenen die er nog niet vertrouwd mee zijn, even in.

 

De Katholieke traditie kent min of meer vaste reisgebeden waarvan sommigen al eeuwen oud zijn en hun oorsprong vonden in de kloosters die gelegen zijn langs pelgrimsroutes zoals bij voorbeeld die naar Santiago. In 1965 klaagde de indertijd bekende pater Henri de Greeve in een meditatie in het weekblad De Nieuwe Linie dat nog maar zo weinig mensen die oude reisgebeden uit hun hoofd kenden. Aloude en alom bekende regels dreigden verloren te gaan en de Greeve vond dat jammer. Hij was bang dat het kind met het badwater zou worden weggegooid.  Ik noem u twee van de regels waar de Greeve op doelde: ‘verleen ons een voorspoedige reis en kalm weder, opdat wij door uw heilige engel vergezeld, behouden het doel onzer reis mogen bereiken en eindelijk ook de haven van het eeuwige leven mogen binnengaan’ en ‘wij smeken u, Heer, verhoor onze gebeden en maak de weg van uw dienaren veilig en voorspoedig, opdat wij bij al de wisselvalligheden van dit leven altijd door uw hulp beschermd worden.’

 

De schrijver Gerard Reve schreef de pater een brief als reactie op zijn uitlatingen over het verdwijnen van de oude reisgebeden. Ik ga u die brief voorlezen. Het is een typische Reve-brief: direct van toon en hij schuwt het niet om heilige huisjes omver te stoten. Maar aan het eind van zijn brief staat een reisgebed dat Reve schreef in een poging de traditie van de reisgebeden te vernieuwen. Het is dat gebed waar het mij om gaat.

 

‘Waarde Vader,

Ik ben nog nooit een gebed tegengekomen dat mij niet, wegens zijn hebberige toon, met weerzin vervulde. Die weerzin geldt ook uw reisgebed, afgedrukt bij uw meditatie in het nummer van 28 augustus. Wie op reis gaat, bestede zijn tijd liever aan bijvoorbeeld het laten controleren van remmen en richtingaanwijzers, dan aan dit infantiel gedoe.

Ik zou eindelijk wel eens een gebed onder ogen willen krijgen, dat God zoekt, in plaats van Hem, om van alles en nog wat, aan Zijn kop te zeuren. Uw gebed heeft, volgens mij, met geloof niets te maken, want waarachtig geloof is belangeloos en vraagt niets, en smeekt zeker geen onheil af over anderen: want het kan niet overal tegelijk mooi weer zijn, en we weten evenzeer dat elke dag, onherroepelijk, een aantal ongelukken gaat brengen.

 

Welnu: als men voor zichzelf goed weer of een veilige tocht afsmeekt verzoekt men God dus, de naaste met tent en al te laten wegregenen, respectievelijk zich te pletter te laten rijden, want iets in de trant van ‘indien het uw wil is dat iemand op de weg omkomt, laat mij dat dan zijn’ kom ik in uw gebed niet tegen. Een reisgebed, dat God en mens althans waardig genoemd zou kunnen worden, zou ongeveer als volgt moeten luiden:

 

‘O God. Ik sta op het punt op reis te gaan. Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is. Ik wil u liefhebben. Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of ander kwaad zal berokkenen.

Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken. Ik sta voor U. Ik weet dat ik, of ik veilig zal aankomen dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden, altijd U toebehoor. Want in leven en sterven zijt Gij in mij, en ben ik in U. Ik ga nu weg. Vaarwel, o God.

Met de meeste hoogachting ben ik,

uw Gerard Reve’

stil gebed

Onze Vader

collectes   1. voor de Dorpskerk Durgerdam

2. voor

zingen   NLB 687 (Wij leven)

zegen