30 april 2017

Zondag 30 april 2017        Dorpskerk Durgerdam

Voorganger: ds Pieter Lootsma

Organist/pianist: Simon Plemp

 

gebed

Wat is dat toch wonderlijk,

dat juist ruimte ons zo kan benauwen

en dat vrijheid ons angst aanjaagt.

Niet voor niets zoeken wij onze horizon

angstvallig dichtbij

en richten wij ons leven, als het even kan,

overzichtelijk en herkenbaar in.

Dat brengt met zich mee dat wij geneigd zijn

voorbij te leven aan misschien wel

het mooiste dat wij in handen hebben gekregen:

onze onpeilbare originaliteit,

onze creativiteit,

en ons vermogen om grenzeloos lief te hebben.

Wat is het toch wonderlijk

dat juist wie ons lief en dierbaar zijn

ons onzeker maken als zij gaan groeien

en eigen ruimte zoeken.

Hoewel wij van hen zeggen te houden,

kunnen wij ons afvragen in hoeverre

wij hen een eigen leven gunnen.

Want liever zien wij dat zij zich voegen

naar hoe wij ons hun leven hadden voorgesteld.

Hoe dikwijls zijn wij niet vooral beangst

hen te verliezen

en daarmee ook onszelf kwijt te raken.

Wat is dat toch wonderlijk

dat deze planeet die ons in handen is gegeven

ons zozeer overweldigt

dat wij ons vooral afvragen

hoe hem te onderwerpen

en op de knieën dwingen.

En wie en wat ons vreemd is,

mensen, volkeren, culturen,

wij verlangen ernaar

hen naar onze hand te zetten

en in het gareel te dwingen

van wat ons vanouds vertrouwend is.

 

Zo doen wij onszelf, elkaar en u voortdurend tekort,

en daarom bidden wij:

Heer, ontferm u over ons.

 

schriftlezing                  uit Jozua 6

Jozua 6: 1Jericho was toen al volkomen afgegrendeld uit angst voor de Israëlieten, er kon niemand in of uit. 2De HEER zei tegen Jozua: Ik lever Jericho met zijn koning en al zijn dappere helden aan je uit. 3Jullie moeten om de stad trekken; alle weerbare mannen moeten eenmaal om de stad gaan, en dat zes dagen achter elkaar. 4Er moeten zeven priesters met zeven ramshoorns voor de ark van het verbond uit gaan. Maar op de zevende dag moeten jullie zevenmaal om de stad trekken. De priesters moeten op de ramshoorns blazen, 5en als het volk die hoort klinken moet het uitbarsten in luid geschreeuw. De muur van de stad zal dan instorten en iedereen zal de stad binnenklimmen vanaf de plaats waar hij zich bevindt.

12De volgende dag stond Jozua in alle vroegte op. De priesters namen de ark van de HEER op, 13de zeven priesters met de zeven ramshoorns trokken al blazend op de hoorns voor de ark van de HEER uit, de voorhoede ging voor hen uit en de rest van het volk kwam achter de ark van de HEER. Onophoudelijk klonken de ramshoorns. 14De Israëlieten trokken ook op de tweede dag eenmaal om de stad en gingen daarna terug naar het kamp. Zo deden ze zes dagen.

15Op de zevende dag stonden ze bij dageraad op en trokken op dezelfde wijze zevenmaal om de stad. Alleen op deze dag trokken ze zevenmaal om de stad, 16en bij de zevende maal, toen de priesters de ramshoorns lieten klinken, riep Jozua tegen het volk: Schreeuw, want de HEER heeft u Jericho in handen gegeven! 20Toen de ramshoorns klonken, brak het volk uit in een donderend geschreeuw. De muur stortte in en iedereen klom de stad binnen vanaf de plaats waar hij zich bevond.

 

overweging

Vanmorgen, de 30-ste april van dit jaar, de oude Koninginnedag, had ik me voorgenomen het over het begrip identiteit te hebben. In deze week van nationale gedenk- en herdenkingsdagen leek me dat een passend onderwerp. Het is een begrip dat in de aanloop naar de afgelopen verkiezingen te pas en te onpas klonk. Met name over onze Nederlandse identiteit is veel te doen geweest is.

 

Wat iemands identiteit is, is niet eenvoudig vast te stellen of onder woorden te brengen. Het heeft te maken met hoe iemand zichzelf ervaart en hoe hij zich tot zijn omgeving verhoudt. Maar vooral is het zo dat wij ons nauwelijks bewust zijn van onze identiteit. Juist omdat zij zo vanzelfsprekend is. Soms, met name in de ontmoeting met anderen (mensen van elders), dringt tot ons door dat wij anders zijn, anders in het leven staan of anders tegen de dingen aankijken. Op dergelijke momenten stuiten wij op zoiets als identiteit.

 

Het is zoals met die twee vissen die samen, gezellig een eindje op zwemmen. Op een gegeven moment komen zij een derde vis tegen die hen vriendelijk groet en zegt: Goeiemiddag! Lekker water vandaag, hè? Als de twee verder zwemmen, zegt de ene vis tegen de andere: Niet om het één of ander, maar weet jij wat dat is, water?

 

Een ander, aansprekend voorbeeld krijg ik vaak te horen van mensen die iemand aan de dood hebben moeten afstaan. Zij vertellen, soms met een gevoel van schuld of schaamte, dat zij zich pas na de dood van hun dierbare zijn gaan realiseren wat deze voor hen betekende. Toen hij (of zij natuurlijk) nog leefde, voelde alles als heel vanzelfsprekend. Het was zoals het was. De nu overledene was daar een vanzelfsprekend deel van. Hij of zij was een deel van jou. Wat dat betekende, daar had je nauwelijks zicht op. Pas toen de dood zijn rol had opgeëist, drong tot je door hoezeer je bij elkaar hoorde en hoe jij dankzij hem of haar was wie je was.

 

Van identiteit ben je je, over het algemeen, nauwelijks bewust. Je leeft ermee en wordt er hooguit mee geconfronteerd als je ziet dat andere mensen dezelfde dingen anders doen of beschouwen. Dan wordt wat voor jou zo vanzelfsprekend is aangetast en ga je je vragen stellen.

 

Tijdens mijn middelbare school woonden wij in Drenthe. Mijn ouders gingen voor bepaalde boodschappen graag naar Duitsland. Ik herinner mij nog goed dat de bouwstijl zo anders was zodra we de grens over waren gegaan. De Nederlandse manier van bouwen bleek minder vanzelfsprekend dan ik dacht. En tegelijkertijd kon ik moeilijk onder woorden brengen wat er nu zo anders was aan de Duitse huizen. Waren het andere stenen? Waren de verhoudingen anders? Of zat het m in de manier waarop de tuinen waren ingericht? Ik wist het niet. Maar het voelde anders, misschien was dat het wel het voornaamste. Ik ervoer dat ik in het buitenland was.

 

Het luistert nauw met dat begrip identiteit. Want aan één kant is het onontbeerlijk: wie niet een voldoende sterk ontwikkelde identiteit heeft, loopt het risico ten onder te gaan in de chaos die de werkelijkheid nu eenmaal is. Je moet nu eenmaal een beetje weten wie je bent, waar je vandaan komt en waar je voor staat. Maar aan de andere kant is het wel zaak ervoor te zorgen dat die identiteit fluïde blijft. Zij moet niet al te vast omschreven zijn. Want als er geen beweging meer in zit, en het besef van wie je bent te rigide wordt, loop je het risico het contact met de steeds veranderende samenleving te verliezen. Wij moeten, in elk geval tot op zekere hoogte, mee veranderen en mee bewegen. En dan bedoel ik vooral dat de manier waarop wij onszelf zien en beleven aan verandering onderhevig is. We kunnen nieuwe inzichten opdoen die onze identiteit beïnvloeden. Kennis verwerven die onze manier van kijken beïnvloedt. Van ons wordt gevraagd dat wij bereid zijn ons zelfgevoel te bevragen en zo nodig te ontmaskeren.

 

Gisteravond hoorde ik op de radio een gesprek van Sylvana Simons met Arend Jan Boekestijn. Ik zat in de auto maar ik heb begrepen dat het sinds afgelopen woensdagavond gelukkig weer in zwang begint te raken om ook thuis samen naar de radio te gaan zitten luisteren. Maar hoe dan ook, Sylvana en Arend Jan werden door de presentator uitgenodigd om samen te luisteren naar een fragment van een voorstelling van Hans Teeuwen. In dit fragment genoot Teeuwen hoorbaar van het feit dat hij, behalve aantrekkelijk en rijk, bovendien blank, heteroseksueel en man was.

 

Arend Jan Boekestijn zei te begrijpen dat het een parodie was op het superioriteitsgevoel van veel mensen zoals hijzelf maar hij hield vol dat wat Teeuwen op de hak neemt voor hem niet geldt. Natuurlijk is ook hij blank, heteroseksueel en man maar hij zei zich daarvan los te kunnen maken. Hij beoordeelde niemand op huidskleur, seksuele voorkeur of sekse. Hij kan mensen benaderen onafhankelijk van wie en wat hijzelf is.

 

Sylvana Simons trok dat in twijfel. En ik denk terecht. Boekestijn is als die ene vis die verbaasd aan de andere vis vraagt wat water is: hoezo speelt het een rol dat ik een blanke man ben? Ik ben me nergens van bewust. Nee, brave maar even naïeve Arend Jan, dat zal best. Misschien is het hoog tijd dat je daar dan eens wat aan doet!

 

De joods-Duits-Amerikaanse denker Rosenstock Huessy heeft zich eigenlijk zijn hele leven met dit vraagstuk beziggehouden. Hij definieert identiteit in termen van verantwoordelijkheid. Wij mensen, wij leggen voortdurend verantwoording af over hoe wij ons opstellen, over wie wij zijn en wat wij doen. En wij doen dat (dat verantwoording afleggen) aan ons verleden en aan wat er nu speelt. Zo oefenen wij ons erin ons tot het verleden en het heden te verhouden en om beide een beetje bij elkaar te houden. En dat doen wij dan bovendien voor zowel onszelf als voor de omgeving waarin wij leven (onze groep, onze cultuur, ons eigen wereldje). Dus: klopt wat ik ben in het licht van waar ik vandaan kom? In het licht van wie ik denk te zijn? En geldt dat voor zowel mij persoonlijk als voor de groep waar ik deel van uitmaak? Middels dat gesprek boetseren wij onze identiteit. En uit dit voortdurende zelfgesprek moet dan duidelijk worden, niet alleen wie je bent maar vooral ook wie je zou willen zijn en worden. Het één is niet los te zien van het ander.

 

Maar dan wordt het nu hoog tijd dit alles in verband te brengen met het verhaal dat wij lazen uit het boek Jozua. Want dit verhaal gaat over precies ditzelfde. Of liever, het gaat over het omgekeerde ervan.

 

Heel lang heb ik het boek Jozua gelezen als, net als de andere bijbelboeken, een serie mooie, spannende beeldverhalen. Maar nog niet zo lang geleden drong tot mij door dat dit boek een wel heel speciale plaats inneemt in de bijbel. Veertig jaar lang, een mensenleven lang, zwerven wij door de woestijn. Wat ons op de been houdt is de gedachte, de droom of de fantasie dat er aan de overkant van de woestijn een land op ons wacht waar alles anders zal zijn. Dáár komt eenieder tot zijn recht. Daar heeft niemand het meer nodig zich ten koste van zichzelf of van anderen te manifesteren. Daar vallen de talloze, lastige puzzelstukjes die wij met ons meedragen eindelijk op hun plek. Wij dromen over dat land. Wij hopen er een glimp van op te vangen. En wie weet zullen we er ooit voet aan land zetten.

 

Dat alles wordt ons in het boek Exodus voorgehouden. Maar in het boek Jozua is het dan eindelijk zo ver: wij trekken de rivier over en gaan dat land binnen. Het is vooralsnog een droom want het is te mooi om waar te zijn. Het boek Jozua vertelt van die droom, het is de verbeelding ervan. Het is daarom in feite mystieke literatuur: het beschrijft een werkelijkheid die wij ergens wel kennen maar die zich niet laat rijmen met wat wij dagelijks zoal om ons heen zien.

 

Het verhaal van de val van de muren van Jericho is, vermoed ik, het meest bekende verhaal uit dit kleine boekje. Joshua fits the battle of Jericho. En dit verhaal vertelt hoe de stillen in den lande, die stil voortgaande mensen huns ondanks in staat zijn de muren tussen hen en wie zij als hun tegenstander of misschien zelfs hun vijand zien te slechten.

 

We hebben het vanmorgen over identiteit. Over hoe wezenlijk het voor ons allemaal is om onszelf te kunnen definiëren en zo, althans voor ons eigen gevoel, op de kaart te zetten. Maar niet ieder van ons slaagt daar altijd even goed in. Niet zelden is onze identiteit diffuus, gekunsteld of gaat zij voorbij aan wie wij eigenlijk en in wezen zijn. Identiteit kan vals zijn, beperkend of belemmerend. En hoe dikwijls brengt zij geen scheiding tussen mensen?

 

Daarom zitten wij hier. Precies daarom luisteren wij hier keer op keer naar de verhalen zoals die uit het boek Jozua. Want zij helpen ons in te zien dat het uiteindelijk niet onze identiteit is die uitmaakt wie wij zijn. Identiteit verhult onze kwetsbaarheid, onze armoede, onze tekorten en onze onmacht. Daarom hebben wij haar nodig. Zij is onontbeerlijk in het leven van alledag. Wij zijn bang anders nergens meer te zijn. Of niemand meer te zijn. Maar wie wij werkelijk zijn is niet afhankelijk van waar wij vandaan komen, wie wij kennen en wat wij het gepresteerd of waargemaakt.

 

Ons verlangen om iemand te zijn en erbij te mogen horen, dat alles hoort thuis aan deze kant van de rivier. Maar vanaf hier hebben wij onherroepelijk zicht op een werkelijkheid die groter is dan wij kunnen bevroeden. Daar vallen alle grenzen tussen mensen weg, als die muren rondom Jericho. Daar zijn wij allemaal kinderen van één Vader, broers en zusters in één en hetzelfde schuitje. Dáár ligt dat uiteindelijke vaderland waarin wij ons met alles wat wij wel en niet zijn geborgen kunnen weten. Waar er geen verschil meer is tussen binnen en buiten, tussen sterk en zwak en tussen wel of niet. Dat is dáár waar de horens klinken, waar muren instorten en ieder vanaf waar hij zich bevindt zijn eigen plaats inneemt.

Amen

 

gebed 

Mensen onderweg zijn wij. Wij bewegen ons van onze geboorte naar onze dood, maar wij voelen dat waar wij ons allemaal druk over maken, niet alles kan zijn en dat de eigenlijke bestemming van een mens een hogere is.

En daarom zijn wij hier, in deze kerk, om te horen dat wij niet alleen zijn op de vreemde omwegen die wij telkens weer maken. Wij bidden u om toenadering. En om te mogen erváren waartoe wij zijn bestemd. Dat wij onze vruchteloosheid afwerpen en opnieuw het leven zullen wensen.

Wij vragen u dat voor onszelf, en voor wie wij verantwoordelijkheid dragen, dat wij hen niet op onze dwaalwegen meesleuren, dat wij hen niet minachten, dat wij uw schepping niet verwaarlozen zodat zij een wildernis wordt, waarin onze kindskinderen niet meer leven kunnen.

In deze week van nationale feest- en gedenkdagen bidden wij voor onze Koning en zijn huis. Wij bidden voor de hele regering en voor onze volksvertegenwoordiging. Dat zij zich gezegend mogen weten en zich bewust zijn van de grote verantwoordelijkheid die er op hun schouders rust. Dat zij hun ambt met eerbied zullen vervullen.

Om liefde bidden wij, om zachtheid en vooral om ruimte voor onze diepste verlangens.

In de stilte van dit moment zoeken wij daarmee in gesprek te geraken.