16 april 2017 Pasen

Dorpskerk Durgerdam       Pasen 2017

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

piano: Duco Burgers

trombone: Lennart de Winter

 

liturgie

-  welkom

- piano en trombone Romance van C.M. von Weber

-  zingen   NLB 601 (Licht dat ons aanstoot): 1 en 3

-onder het zingen wordt de Paaskaars binnengedragen-

-  fragment uit een Paaspreek van Johannes Chrysostomus (345 - 407 AD)

-  zingen   DD j2 (Dit is de dag)

-  schriftlezing

-  piano en trombone Sonata No. 3 in a minor (Op. 2) van B. Marcello 

-  overweging   

- stilte  

-  piano     Sarabande uit de Engelse suite nr. 4 van J.S.

Bach

-  zingen   Lied 642 (Ik zeg het allen): 1, 3, 4, 7 en 8

-  collectes   1. voor de Dorpskerk Durgerdam 

2. voor het jeugdwerk van de PKN

- piano en trombone Morceau Symphonique (op. 88) van A. Guilmant

-  zingen   Lied 634 (U zij de glorie)

-  zegen

 

fragment Paaspreek Johannes Chrysostomus

Laat ieder die vroom is en Godminnend nu genieten van dit schone, stralende feest. Wie zich heeft afgetobd in de vasten, laat hij nu komen om de tienling in ontvangst te nemen. Maar hij die vanaf het eerste uur heeft gearbeid, laat hij komen en het loon ontvangen dat hem toekomt. Is hij eerst na het derde uur aangevangen, ook hij viere feest vol dankbaarheid. Zo iemand na het zesde uur is gekomen, laat hij niet aarzelen want ook hij zal geen schade lijden. Ook als hij gewacht heeft tot het negende uur, laat hem zonder vrees nadertreden. Ja zelfs als hij eerst te elfder ure gekomen is, laat hij niet bang zijn vanwege zijn traagheid want de Heer is edelmoedig en hij aanvaardt de laatste zo goed als de eerste. Zowel aan de arbeider van het elfde als die van het eerste uur verschaft hij rust. Aan de laatste betoont hij zijn barmhartigheid, aan de eerste schenkt hij hetzelfde om niet. Hij aanvaardt de werken maar ook de goede wil neemt hij in liefde aan. Hij beloont de daad en prijst het voornemen.

Of gij tot de eersten of tot de laatsten behoort, gaat allen binnen in de vreugde van onze Heer. Rijken en armen, weest één in uw blijdschap. Of gij nauwgezet of traag zijt geweest, viert samen deze feestdag. Verzadigt u allen aan het feestmaal van het geloof; verzadigt u allen aan deze overvloed van zijn goedheid.

Laat niemand nog klagen over zijn armoede want verschenen is het rijk waaraan een ieder zonder onderscheid deel heeft. Laat niemand nog jammeren over zijn zonden want uit het graf is de vergeving opgebloeid. Laat niemand nog vrees hebben voor de dood want de dood van de Verlosser heeft ons vrijgemaakt.

Waar o dood is uw prikkel?

Waar o onderwereld is uw overwinning?

Want Christus is opgestaan en de duivels zijn gevallen.

Want Christus is opgestaan en de engelen jubelen van vreugde.

Want Christus is opgestaan en oppermachtig heerst nu het leven.

Want Christus is opgestaan en geen dode blijft achter in het graf.

Christus immers opgestaan uit de doden is de eersteling van de ontslapenen geworden. Hem is de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen, Amen

 

schriftlezing

Lucas 24: 1 Op de eerste dag van de week gingen ze bij het ochtendgloren naar het graf met de geurige olie die ze bereid hadden. 2Bij het graf aangekomen, zagen ze echter dat de steen voor het graf was weggerold, 3en toen ze naar binnen gingen, vonden ze het lichaam van de Heer Jezus niet. 4Hierdoor raakten ze helemaal van streek. Plotseling stonden er twee mannen in stralende gewaden bij hen. 5Ze werden door schrik bevangen en sloegen de handen voor hun ogen. De mannen zeiden tegen hen: ‘Waarom zoekt u de levende onder de doden? 6Hij is niet hier, hij is uit de dood opgewekt. Herinner u wat hij u gezegd heeft toen hij nog in Galilea was: 7de Mensenzoon moest worden uitgeleverd aan zondaars en moest gekruisigd worden en op de derde dag opstaan.’ 8Toen herinnerden ze zich zijn woorden. 9Ze keerden terug van het graf en gingen aan de elf en aan alle anderen vertellen wat er was gebeurd. 10De vrouwen die het graf bezochten, waren Maria uit Magdala, Johanna, Maria de moeder van Jakobus, en nog enkele andere vrouwen die hen vergezelden. Ze vertelden de apostelen wat er was gebeurd, 11maar die vonden het maar kletspraat en geloofden hen niet. 12Petrus echter stond op en rende naar het graf. Hij bukte zich om te kijken, maar zag alleen de linnen doeken liggen. Daarop ging hij terug, vol verwondering over wat er gebeurd was.

 

overweging

Of het toeval was of niet maar juist in de weken vóór Pasen werd in verschillende theaters in het land het toneelstuk Tasso door het Nationale Toneel opgevoerd. Het is een reprise want hetzelfde stuk van Johann Wolfgang Goethe is ook al in 2014 opgevoerd. Het vertelt het tragische levensverhaal van de Italiaanse dichter Torquato Tasso. Stukje bij beetje ontdekt Tasso dat datgene waar hij zo vast op vertrouwde een illusie lijkt te zijn: zijn kunst kan de wereld niet veranderen.

 

Het toneelstuk is in het verleden vaak geïnterpreteerd als oproep aan kunstenaars tot verzet tegen de heersende macht. Maar voor Goethe was het toch veeleer de reflectie van een worsteling die hijzelf van heel nabij kende: hoe vrij ben je als kunstenaar? Of misschien nog algemener gesteld: hoe vrij is de mens, als het erop aankomt? Hoe verhoudt hij zich tot de wereld om zich heen en welke claims heeft die wereld eigenlijk op hem?

 

Goethe was, zoals u wellicht weet, zowel kunstenaar als politicus. Wij kennen hem vooral als schrijver en dichter maar hij was ook maatschappelijk actief, onder meer als minister. Hij wist daarom als geen ander hoe de expressieve vrijmoedigheid van de kunstenaar onder druk komt te staan als hij zijn partij in de samenleving wil meeblazen. Dat besef stemde Goethe vaak somber of zelfs cynisch. In dit toneelstuk geeft hij daar uiting aan. Goethe heeft enkele tientallen jaren aan dit stuk geschreven en er zijn dan ook sporen van de verschillende periodes uit dat leven in terug te vinden.

 

Torquato Tasso is gepubliceerd in 1790 maar pas in 1807 voor het eerst gespeeld. Het is geënt op het leven van de gelijknamige Italiaanse dichter die leefde van 1544-1595 en die een archetype is geworden van de even briljante als onaangepaste kunstenaar. Tasso groeide op aan de verfijnde hoven van de renaissancistische Italiaanse stadsstaten. In het toneelstuk over dat leven wordt een aantal personages opgevoerd die stuk voor stuk een aspect van het, laat ik zeggen, ‘machtsspel’ tussen de kunstenaar en de zijn buitenwereld verbeelden.

 

Naast Torquato Tasso is daar zijn royale weldoener hertog Alfonso II van Ferrara. Dankzij Alfonso kan Tasso ettelijke tijdloze meesterwerken produceren. Maar hun verhouding is eigenlijk onafgebroken uit balans. Verder laat Goethe twee prinsessen opdraven: Leonora en Eleonore. De ene is wat zuinig in haar bewondering voor de kunstenaar en zijn werk. De ander schept er behagen in hem te strikken. Uit zoiets als verveling speelt zij met zijn en met haar eigen gevoelens. En dan is er nog Antonio, een geslepen diplomaat en politicus in Alfonso’s dienst. Hij is eigenlijk Tasso’s tegenpool én tegenstrever. Is Tasso voortdurend op zoek naar authenticiteit en integriteit, in het leven van Antonio speelt dit thema geen rol. Hij beschikt nauwelijks nog over een eigen persoonlijkheid. Die heeft hij ingeleverd. Hij stelt zijn talenten volkomen in dienst van zijn heer en meester. Dat maakt hem tot onbetrouwbaar en door en door vals. Bij hem heiligt het doel alle middelen, koste wat kost.

 

In het toneelstuk wordt verteld hoe de kunstenaar Tasso aan het hof van hertog Alfonso in conclict raakt met zichzelf. De kunstenaar zoekt naar mogelijkheden om zich uit te drukken, in het geval van Tasso in gedichten. De hertog heeft de kunstenaar uitgenodigd aan zijn hof om met hem te kunnen pronken. Hij wil dat zijn gedichten goed ontvangen worden door zijn vrienden. Dat draagt bij aan zijn statuur. Tasso schrijft in feite ter meerdere eer en glorie van zijn heer. Alfonso droomt van het perfecte gedicht dat de samenleving zal wakker schudden en tot grootse daden zal aanzetten. Die grootsheid zal dan op hem afstralen. Hij heeft aan de bron ervan gestaan!

 

Maar uit de woorden van Tasso klinkt een heel ander verlangen. Hij wenst zich niet te voegen en is op zoek naar vrijheid en eigen beslissingsrecht. Dit onderscheid is de wortel van het conflict tussen Alfonso en Tasso. De vrijheid van de kunstenaar wordt ingekaderd door de eisen die zijn mecenas stelt. Het stuk van Goethe gaat over de spanning tussen de kunstenaar, die vrijheid van werken en denken zoekt, en de hertog die hem vooral ziet als een voertuig voor zelfverheerlijking.

 

Op enig moment gaat Tasso zich realiseren dat hij een grens is overgegaan. Hij besluit zich los te maken van de hertog. Daarmee hoopt hij weer de ruimte te krijgen om te doen waartoe hij zich geroepen weet. Dat gaat gepaard met een veelbetekenende scene. Voordat Tasso vertrekt, vraagt hij de hertog de gedichten die hij geschreven heeft terug te geven. De hertog weigert dat. Pas na lang heen en weer praten bewilligt deze in zoverre in Tasso’s verzoek dat Tasso een kopie van zijn werk kan krijgen. Daarmee wordt pijnlijk verbeeld hoe Tasso zijn oorspronkelijkheid heeft verkocht. Hij heeft zichzelf verloochend en kan dat niet meer ongedaan maken.

 

De vraag die Goethe ons stelt is dus waar de grens ligt? Wij ambiëren het allemaal, een voor een, om vrij te zijn. Maar is dat in de wereld waarin wij moeten leven überhaupt mogelijk? Kan iemand het zich in deze samenleving permitteren om werkelijk vrij zijn? Of is het onontkoombaar dat hij vooral praktische keuzes maakt en dus voortdurend concessies doet? Het stuk toont de eeuwige spanning tussen existentiële vrijheid en onbevangenheid aan de ene kant en een geconditioneerd en een vooral gehoorzaam bestaan aan de andere kant.

 

Misschien voelt u het al, het verhaal van Tasso vertoont overeenkomsten met het verhaal van Jezus zoals de evangelieschrijvers dat hebben gecomponeerd. Jezus staat, net als Tasso, voor de vrije, onbevangen en creatieve geest. En beide verhalen vertellen hoe die vrijheid in het geding is of komt. Ik vermoed eigenlijk dat iedere cultuur verhalen koestert die ditzelfde thema behandelen. Het is een universeel thema dat mensen van alle eeuwen bezig houdt. Want wie zichzelf eens kritisch tegen het licht houdt, kan niet om de gedachte heen dat hij het kostbaarste dat hem is toevertrouwd veronachtzaamt: zijn oorspronkelijkheid, de mens die hij in de meest letterlijke betekenis van het woord in wézen is.

 

Beide verhalen, dus zowel dat van Torquato Tasse als dat van Jezus van Nazareth lees ik als een verbeelding van dit het gesprek dat wij met onszelf voeren.

 

Tasso is afhankelijk van anderen om overeind te blijven. Met name van hertog Alfonso en van zijn uitdagende en speelse dochter Eleonore. Om bij hen in het gevlei te blijven, sluit hij compromis op compromis. Dat hij daarvoor een hoge prijs betaalt, acht hij aanvankelijk onontkoombaar. Dat besef werkt relativerend. En zo ruimt zijn creatieve vrijheid schoorvoetend het veld voor de wens naar de pijpen van de hertog en zijn dochter te dansen. Totdat er dus een grens bereikt is en Tasso eigenlijk nauwelijks nog adem kan halen.

 

In de verschillende evangeliën wordt ditzelfde thema anders verbeeld. Jezus staat daar voor de mens die géén concessies doet. Zijn volkomen autonomie geeft hem zijn vrijheid. Maar juist omdat in zijn verhaal geen hertog of prinses wordt opgevoerd die daar belang bij hebben en van hem hopen te profiteren, betaalt hij dezelfde hoge prijs.

 

Van Tasso wordt verteld dat hij, als hij uiteindelijk voor de vrijheid kiest, ten onder gaat. Hij moet toegeven dat zijn onbevangen creativiteit geen bestaansrecht heeft in de wereld zoals wij die kennen. In de laatste regel van Goethe’s toneelstuk valt te lezen hoe Tasso zich ten slotte als een schipbreukeling vastklampt aan de rots waarop hij zijn einde vindt.

 

Jezus wordt gekruisigd. Ook voor hem is er geen plaats. Of het u opgevallen is, weet ik niet maar voor beiden geldt dat hun overgave dubbelzinnig is. Tasso klampt zich vast aan de rots waarop hij schipbreuk loopt. Blijkbaar is de hoop op redding nog niet helemaal vervlogen. En Jezus zoekt aan het kruis waaraan hij genageld is naar woorden om zijn vertrouwen in het fundament waarop hij zijn leven bouwde overeind te houden: ‘Vader in uw handen beveel ik mijn geest …’

 

Maar desondanks komen beiden aan hun eind. In de natuur geldt nu eenmaal het recht van de sterkste. En dat is degene die zich het beste weet te handhaven in de groep. Dat zijn eigenheid en oorspronkelijkheid ergens onderweg is ondergesneeuwd, speelt daarbij geen rol. Zowel Tasso als Jezus treft een tragisch einde.

 

Als het doek voor Tasso valt is zijn verhaal letterlijk ten einde. Goethe maakt hiermee een statement. Uit dit slot spreekt zijn eigen teleurstelling en frustratie. Maar de evangelisten gebruiken het laatste restje hoop dat zij in de sterfscene lieten bestaan om nog een hoofdstuk aan hun geschrift toe te voegen. Misschien is dat wel het meest wezenlijke geworden van hun hele werk. Bij hen is het verhaal niet uit na de troosteloze neergang van hun held.

 

Wat ik in hun laatste hoofdstukken lees, is een poging om de aandacht te verleggen, wég van die treurige ondergang van wat ons allemaal zozeer ter harte gaat. En dat is dan toch onze creatieve onbevangenheid. Daarin ligt immers alles besloten wat wij als waar en waarachtig beschouwen. Al het andere zijn aangeleerde kunstjes, halfslachtige compromissen of laffe uitvluchten. Wat de evangelisten dus doen, is ons bewust maken van het besef dat het toch ondenkbaar is dat waar het zo op aan komt, namelijk het gestalte geven aan wie en wat wij ten diepste denken te zijn, dat dat teniet kan worden gedaan wordt door zoiets als ijdelheid, als lompe onverschilligheid, door angst of wat dan ook. Waarheid en waarachtigheid kan het onderspit lijken te delven, zéker, wij zien het immers in onszelf en overal om ons heen gebeuren. Wij ervaren het als onontkoombaar om ermee te marchanderen omwille van een vermeend lijfsbehoud. Maar misschien is het wel een hoogmoedige gedachte dat wij waarheid en waarachtigheid om zeep zouden kunnen helpen. Dat zou suggereren dat ons botte en linkshandige gemanoeuvreer een langere adem heeft dan wat waar en waarachtig is? En dat waarheid en waarachtigheid niet opgewassen zou zijn tegen ons kromme gestuntel.

 

Dat leek de evangelisten ronduit ondenkbaar. Zij benadrukken in rijke beeldtaal hoezeer het de moeite waard in om te blijven zoeken en te blijven streven. Geen moeite is vergeefs gedaan. Datgene waar Tasso en Jezus voor zijn gestorven, lijkt te hebben verloren. Dat líjkt zo, inderdaad. We zouden dat kunnen gaan denken. Maar dat kan domweg niet het einde van het verhaal zijn. Het mooiste komt nog. Bij het gloren van de Paasochtend staat fier overeind het besef dat wat zo gaaf en mooi bedacht is niet teniet gedaan kan worden. God láát niet varen wat zijn hand begonnen is.

Amen

 

gebed

God, dit woord waarmee wij u noemen

is bijna dood en zonder betekenis geworden,

leeg en te kwetsbaar in een wereld

waarin zo veel om onze aandacht strijdt.

Wij bidden u dat het vanmorgen opnieuw betekenis krijgt,

dat het opnieuw van kracht mag worden

als een belofte van trouw en liefde

over alle grenzen heen,

onzichtbaar en verborgen

maar rakelings nabij.

 

Wij bidden voor

voor allen die de wereld regeren,

voor allen die bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen,

voor allen het koningschap bekleden

en regeren over al is maar over

één, eigen vierkante meter,

dat zij oog zullen hebben voor

wat er zich achter de feiten aandient

en dat zij hun oor te luisteren zullen leggen

bij wie geen stem heeft,

dat zij genade voor recht zullen laten gelden,

dat zij niet het zicht

op wat u achter de grenzen van onze horizon

gesteld hebt, zullen verliezen.