29 januari 2017

Dorpskerk Durgerdam      zondag 29 januari 2017

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Chris Helfensteijn

m.m.v. de Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

 

gebed

Wanneer wij de omvang

en de diepte

van onze vragen, onze pijn,

maar ook van onze vreugde,

onze hoop en ons verlangen,

wanneer wij dat allemaal

ongefilterd toe zouden laten,

dan verdrinken wij er in.

 

Datzelfde geldt voor

onze veeleisende omgeving:

ook de vragen, de eisen die zij stelt,

de claims die er op ons gelegd worden,

wij filteren ze,

ontkennen of negeren ze,

want anders zouden wij eronder bezwijken.

 

De pijnlijke verdeeldheid en de strijd

in deze wereld,

en de zo dikwijls vruchteloze roep

om recht en gerechtigheid;

wij sluiten onze oren ervoor

om niet ten onder te hoeven gaan

in het moeras

van teleurstelling en frustratie.

 

Wij zijn ons ervan bewust dat wij

geen andere keuze hebben

al gaat onze onverschilligheid

en afweer en botheid

eigenlijk altijd ten koste

van onze verbondenheid

met onze  diepste

en meest waarachtige bronnen.

Daarom reiken wij,

ook vanmorgen weer,

naar nieuw vertrouwen,  naar geborgenheid

en een diep besef uiteindelijk in goede handen te zijn.

Amen

 

 

schriftlezing

Marcus 8: 27 En Jezus vertrok met zijn discipelen naar de dorpen van Caesarea Filippi. En onderweg vroeg Hij zijn discipelen en sprak tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? 28 Zij antwoordden en zeiden: Johannes de Doper; en anderen: Elia; weer anderen: Een van de profeten. 29 En Hij vroeg hun: Maar gij, wie zegt gij, dat Ik ben? Petrus antwoordde en zeide: Gij zijt de Christus. 30 En Hij verbood hun nadrukkelijk met iemand hierover te spreken.

 

overweging

Laat ik maar meteen fors beginnen. De kerk (maar misschien moet ik zeggen: het westerse christendom) heeft een fors probleem. En ik ben bang dat dat niet zomaar even op te lossen is. Dat de christelijke traditie in onze streken met een imagoprobleem worstelt is algemeen bekend. Maar vanmorgen wil ik het met u over iets anders hebben, iets dat naar mijn gevoel dieper grijpt. En dan bedoel ik dat de kerk zo langzamerhand een taal spreekt die elders niet of nauwelijks nog wordt verstaan en begrepen, vaak ook niet meer door mensen die ermee zijn opgegroeid.

 

Eén van de eerste keren dat dit tot mij doordrong, was na een dienst die ik in de Haagse Kloosterkerk geleid had. Ik geloof dat ik het verhaal hier en daar al eerder heb verteld. Terwijl ik handen stond te geven, kwam er iemand naar mij toe die duidelijk even wilde praten. Hij bleek te hebben gehoord dat de preken in de Kloosterkerk anders van toon waren dan hij zich van huis uit herinnerde. Nieuwgierig geworden was hij op een zondagmorgen op zijn fiets gestapt en naar de kerk gekomen. ‘Maar’, vertelde hij, ‘ik heb uw preek helaas niet gehoord. U begon de dienst met te zeggen dat ‘Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft’ en toen was ik al meteen zo in de war dat ik de hele dienst nodig had om mijzelf te hervinden. Want worden kerkgangers hier verondersteld dat werkelijk te geloven, dat God deze wereld gemaakt heeft? Ik haakte meteen af.’

 

Ik zal u zeggen dat ik schrok van wat hij zei. Want hoe je het ook wendt of keert, vanuit een communicatieoogpunt is het niet wijs om al in de eerste zin iets te zeggen dat zoveel uitleg vraagt dat alleen ingewijden het kunnen verstaan. Daarom ben ik sinds dit voorval alerter geworden op wat ik zeg, wat ik bid en wat ik laat zingen. En met name die liederen zijn vaak lastig. Daar is bijna geen ontkomen aan. Want zelfs de zogenaamde moderne of eigentijdse liedteksten zijn veelal geschreven in een taal die voor een buitenstaander op zijn zachtst gezegd vaak moeilijk toegankelijk is. Er wordt een beeld van god en van Jezus opgeroepen dat maar moeilijk weerklank vindt in de tijd waarin wij leven.

 

Ik wil de schuld of de verantwoordelijkheid voor de ontstane kloof tussen onze godsdienst en de moderne mens zeker niet bij de mensen van nu leggen. Dat is niet terecht en het heeft bovendien geen enkele zin. Ik ben ervan overtuigd dat de reden van de ontkerkelijking niet is dat moderne mensen geen radar zouden hebben voor religie en spiritualiteit. Maar hun geraaktheid, hun religieuze verlangens, het rijmt niet op wat er in de kerken wordt gezegd, gedaan en gezongen. Dat ligt, zoals gezegd, voor een niet onbelangrijk deel aan de taal die daar gesproken wordt. Jonge mensen leren die taal niet meer spreken en verstaan. Maar ook de vormen die gehanteerd worden voldoen niet meer. Diensten als deze zijn, om maar even iets te noemen, voor veel jonge mensen te weinig interactief. Als zij al eens over de in hun beleving manshoge drempel van de kerk heen klauteren, dan is de toon die zij horen bovendien veelal te routineus. Het gaat allemaal te gemakkelijk: zowel de verhevenheid als de kwetsbaarheid van waar zij naar verlangen lijkt te ontbreken.

 

De vraag uit onze bijbellezing van vanmorgen: ‘Wie zeggen de mensen dat ik ben?’ is daarom niet de vraag naar de identiteit van ene meneer van Nazareth. Ervan uitgaande dat de verhalen over de Jezus uit de evangeliën een metafoor is voor onze ontmoeting met de god waar de bijbel over vertelt, is er de vraag naar het wezen en de kwaliteit van een ontmoeting met wat wij gemakshalve ‘God’ noemen. Wat is dat nu eigenlijk, die ervaring van zo’n moment waarop alles op zijn plaats valt, waarop wij onszelf hervinden en wij ons, al is het maar voor een ogenblik, niet verschuilen achter die façades die wij hebben opgetrokken? Hoe beoordelen wij een dergelijke ervaring? Nemen wij haar ernstig en weten wij haar naar waarde te schatten? Zijn het enkel verhelderende momenten of zijn het ervaringen die erom vragen als bodem van het bestaan te worden gezien? Willen wij vanuit die helderheid verder leven? Wie zeggen de mensen dat ik ben? Het is een vraag die blijkbaar actueel was in de tijd dat deze verhalen op schrift gesteld werden, en het is een vraag die in onze dagen om een antwoord vraagt.

 

Iedere dinsdag schrijft Pia de Jong een column in de NRC. Zij woont sinds enkele jaren met haar gezin in Princeton in de VS en in haar columns bericht zij over wat haar opvalt in haar nieuwe woonomgeving.

In één zo’n column vertelt Pia de Jong hoe zij tijdens een zondagmorgenwandeling verzeild raakt in het gemeenschapshuis van de Quakers in Princeton. Die Quakers zijn daar in de zeventiende eeuw neergestreken nadat zij vanwege hun geloof uit Engeland hadden moeten vluchten. Het blijkt een kale ruimte te zijn, zonder kleed op de vloer, geen schilderijen aan de wand, helemaal niets. Alleen een paar eenvoudige stoelen in een kring. Wanneer zij binnenkomt, wordt zij welkom geheten door een vriendelijke mevrouw die uitnodigend zegt dat zij daar bij elkaar komen om ‘God te ervaren’ en dat zij, als zij dat wil, aan kan schuiven. Alleen al dat maakt de nodige indruk op Pia de Jong. Zij is van huis uit katholiek maar heeft het geloof in een god mijlenver achter zich gelaten. De gedachte dat God ‘te ervaren’ zou zijn, is voor haar volkomen nieuw. Ik lees een aantal regels uit haar column voor: Ik weet niet of ik verwacht dat de geest van God zal neerdalen maar ik ben opgelucht dat niemand opstaat en iets zegt. De rust en de stilte zijn weldadig na alle geschreeuw rondom de presidentsverkiezingen, alle talking heads, het permanente bombardement van nieuwsflitsen. Hier telt alleen het moment. Ik voel de kramp in mijn rug, snuif de donkerzoete geur van hars op. Voor mijn voeten loopt een spinnetje. En dan stelt zij zichzelf de volgende verrassende vraag: Misschien is dit wel wat mensen met God bedoelen. Een besef van continuïteit dat je eeuwigheid kunt noemen. De wind die elke herfst opnieuw de bomen inklimt en de laatste blaadjes meeneemt. Nieuwe mensen worden geboren en gaan, onvermijdelijk, op zoek naar betekenis. En altijd, altijd weer de liefde.

 

Mij trof dit, toen ik het las, dat kunt u zich wellicht voorstellen. Want wat zij doet is God wegtillen uit de driedimensionale werkelijkheid waarin zij hem sinds haar jeugd had gezocht en níet gevonden. God blijkt een ervaring te zijn. Hij woont in de eenvoud, in de stilte, in de voorbijtrekkende seizoenen, in die kramp in je rug en het spinnetje voor je voeten. Hoewel ik beslist niet verwacht dat haar verhouding tot wat zij geloof noemt in dat ene uurtje zal zijn veranderd, leek zij even te beseffen dat als iemand het over God heeft, het niet per se gaat over een hogere macht die ons doen en laten aanstuurt.

 

Ik vertel u nog zo’n voorbeeld waarin God ook als ervaring ter sprake kwam. Een paar weken geleden had ik een gesprek met een vriend over het al dan niet bestaan van zoiets als de vrije wil. Deze vriend heeft, om het voorzichtig te zeggen, geen in het oog springende religieuze radar en moet niets hebben van kerk en godsdienst. Maar waar het die vrije wil betrof, konden we elkaar wel vinden. Om kort te gaan, onze conclusie kwam erop neer dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen iets dat waar is omdat neurobiologen en andere exacte denkers het proefondervindelijk hebben kunnen aantonen. Zij gaan uit van de premisse dat alles wat gebeurt een oorzaak heeft en dus te verklaren is uit het eraan voorafgaande. Als zij daarin slagen, dan stellen zij tevreden de waarheid van hun premisse vast. Zij zullen het bestaan van zoiets als een vrije wil betwisten. Want wat wij doen en laten is in hun ogen het gevolg van wat wij deden en lieten. Hoogstwaarschijnlijk hebben zij gelijk en is hun veronderstelling terecht. Ik ben in elk geval niet in een positie er iets tegenin te brengen. Maar wat ik overeind houd, is dat zij een aspect van de werkelijkheid beschrijven, niet meer dan dat.

 

Het is zonder meer ook waar dat ik niet kan leven zonder het gevóel (of zelfs de overtuiging) te hebben dat ik zelf beslissingen neem. Houd ik mijzelf dan voor de gek? Dat zou natuurlijk kunnen. Maar mag ik er daarom niet meer over praten? En mag ik mijn eigen verlangen en gevoel in het algemeen niet serieus meer nemen? Ik kan toch overeind houden dat zowel de theorie van de neurowetenschapper als mijn eigen ervaring bestaansrecht hebben. Dat zij beide naast elkaar bestaan? Dat was zo’n beetje onze conclusie. Dat onze vrije wil wellicht een illusie is maar dat het leven nu eenmaal niet te leven is zonder die illusie. Wij moeten haar alleen al daarom volkomen ernstig nemen.

 

Na dit gesprek zaten we samen in de auto en ik kon het niet laten te zeggen dat ditzelfde principe wat mij betreft ook geldt voor het bestaan van God: in de fysieke werkelijkheid is hij niet te vinden en exacte wetenschappers zullen hem niet opmerken. Maar dat wil niet zeggen dat ik hem niet kan ervaren. Daarna was het lange tijd stil in de auto. Ik hoop op enig moment hierover met hem nog eens verder te praten.

 

De vraag die ik mijzelf al zo dikwijls gesteld heb, is of zo’n ervaringswerkelijkheid of ervaringsfeit van een lagere orde is dan wat zich in de feitelijk en concrete werkelijkheid aandient? Is er sprake van een rangorde? Wij hebben allemaal geleerd dat ons verstand boven ons gevoel gaat. Maar klopt dat wel? Bedriegen wij onszelf niet?

 

Op die vraag heb ik maar één antwoord kunnen vinden. En dat antwoord dient zich aan als ik goed naar mijzelf luister en kijk. Als ik echt eerlijk probeer te zijn, dan moet ik erkennen dat ik, als het erop aankomt, vooral vanuit mijn gevoel, mijn beleving en ervaring reageer. Pas daarna verzin ik de redenen waarom ik iets doe of nalaat. Maar die redenen dienen vooral om mijn handelen te rechtvaardigen. Maar dat doe ik dus pas in tweede instantie. In eerste instantie reageer ik vanuit de emotie. Ik weet niet of u dat herkent maar wat mij betreft versterkt dat besef de concurrentiepositie van de ervaring ten opzichte van wat feitelijk is enorm.

 

God bestaat en woont in onze ervaring, in onze beleving. Wie heeft geleerd zijn ervaring ernstig te nemen en ernaar te luisteren, kan, niet zelden tot zijn verwondering, God in de ogen kijken. Precies dat is waar wij onszelf hier in oefenen, in dat ernstig nemen van wat wij voelen. En van wat ons gevoel ons te vertellen heeft. Waar het daarbij op aankomt, is dat wij woorden vinden, vaak nieuwe woorden, die daarbij behulpzaam zijn, die nauw aansluiten bij wat er zich aandient én die verstaan kunnen worden door wie ons ter harte gaan.

Amen

 

gebed   van Jacqueline van der Waal

 

Ik wilde, dat mij God in d’eenzaamheid

Den smalle weg ten leven vinden deed.

De grote weg, die veilig is en breed,

Dien niemand missen kan, ligt welbereid.

 

Met afgepaste plichten geplaveid,

En meeningen, die ieder kent en weet,

Daar wandelt men gerust en welgekleed ..

Het is de weg, die ten verderve leidt.

 

Maar zoo ik –ik slechts wijs? al d’andren dwaas?-

Dien weg verlatende, mijn weg niet vond?

En nog verward door ’t waarschuwende geraas

Der scharen, niet Gods stille stem verstond?

Gods breede baan lag veilig voor mijn voeten ..

Zou, wie God opgeeft slechts zijn God ontmoeten?