25 december 2016 Kerstmis

Dorpskerk Durgerdam       Kerstmis 2016

voorganger ds Pieter Lootsma

organist Simon Plemp

m.m.v.  Vocaal Ensemble Solisten

sopraan Ingrid Nugteren

altus  Tobias Segura Peralta 

tenor  Laurent Nadal

bas  Nathan Tax

 

liturgie

welkom

zingen   NLB 486 (Midden in de winternacht): 1, 2 en 3

Kerstverhaal  Brieven uit Raqqa van Bernard F. van Verschuer

ensemble  If Ye Love Me van Thomas Tallis

schriftlezing  Lucas 2: 1-7

ensemble  Away in a Manger, arr: Philip Ledger, tekst Maarten Luther

schriftlezing  Lucas 2: 8 - 14

zingen   NLB 481: 1 (Hoor de engelen zingen de eer)

schriftlezing  Lucas 2: 15 - 20

ensemble  Es ist ein Ros entsprungen van Michael Praetorius   

overweging

stilte

orgelspel  

zingen   NLB 483 (Stille nacht)

ensemble  Entre le boeuf et l'åne gris, anonymous

gebed

ensemble  Lully, Lulla, Lullay van Philip Stopford

zingen   Ere zij God in onze dagen (melodie: NLB 487): 1 en 2  

zegen

 

kerstverhaal (de oorspronkelijke -niet ingekorte- versie staat onderaan dit document afgedrukt)

Raqqa, 17 maart 2015

Lieve mama,

Ik heb jullie verlaten zonder iets te zeggen, zonder een boodschap achter te laten. Alleen God wist dat ik ging om een strijder voor de waarheid te worden.

Zeven weken ben ik in Syrie. Ik ben hier welkom geheten als een broer die thuisgekomen is van lange omzwervingen. Het is mooier dan ik had gedroomd. Voor het eerst in mijn leven ben iemand. Als ik morgen sterf dan heb ik ergens voor geleefd. Als ik thuis was gebleven en veertig jaar in een bestelbus was blijven rondrijden met pakketjes die mensen in hun radeloze verveling op internet hebben besteld, had ik dan geleefd? Ik besef dat ik u verdriet heb gedaan, u en papa, door weg te gaan als een dief in de nacht. Maar ik ben uw oudste zoon en ik wil dat u trots op me bent, dat u me niet voor niets gebaard hebt en een goede opvoeding hebt gegeven.

Uw liefhebbende zoon.

 

 

 

Rotterdam, 28 maart

Zoon, je brief heb ik niet aan je moeder gegeven.  Toen je na drie dagen niet terug was en niemand wist waar je uithing en je broers en ik bij je vrienden, op je werk, in de moskee, naar je gezocht hebben, begreep ik dat je weg was.  Ik heb je moeder verteld dat je op reis bent. Kom nu terug voordat de autoriteiten weten dat je een strijder bent geworden en voordat je vader en moeder je niet meer als hun zoon herkennen.

Vader

 

Raqqa, 13 april

Lieve mama,

U moet me geloven: het leven is een strijd. Niet de strijd die ik steeds aan het verliezen was, tegen alcohol en lage begeerten maar een strijd voor iets groters: voor de waarheid en tegen een wereld die enkel bezig is zijn belangen veilig te stellen, de olie, de afzet van hun cola en hun laptops. Wij bouwen aan een nieuwe wereld, aan een rechtvaardige. Ja, eerst nog met de wapens en er vloeit bloed (dat gaat nu eenmaal niet anders) maar straks bouwen we het land op waar rechtvaardigheid zal heersen.

We hebben een gevangenenkamp, nee dat we alle tegenstanders doden is een infame westerse leugen. Ik ben hoofd van de bewaking. Sinds een week is er een gevangene, een christen, een pater, Père Jacob. Wij praten soms. Hij zegt dat christenen en moslims vrienden zijn. Ik zei tegen hem dat de christenen de moslims eeuwenlang hebben onderdrukt. Toen zweeg hij. En alleen een heilige oorlog kan ons vrij maken, zei ik. Hij antwoordde dat elke oorlog een einde is, niet een begin. Hij zei dat God niet van ons vraagt om aan macht te bouwen, maar om mensen te dienen. Ik lachte hem uit: veel mensen hebben een heel andere indruk van christenen. Toen zweeg hij.

Uw liefhebbende zoon die God bidt dat u trots op hem bent.

 

Rotterdam, 8 mei

Zoon, je brief heb ik aan je moeder voorgelezen om haar niet nog zieker te maken door onzekerheid. Sinds ze het weet waar je bent, zit ze aan de tafel. Ze slaapt niet meer en eet niet meer van verdriet. Aischa is langs geweest om te vragen of we iets van je weten en om  te zeggen dat ze zwanger is. Je wordt vader, je moet je verantwoordelijkheid op je nemen en naar huis komen nu het nog kan.

Vader

 

Raqqa, 25 juni 

Lieve mama, elke avond bid ik voor uw gezondheid en dat ik u weer zal zien. De pater, père Jacob, is dood. Er was in de gevangenis gestolen. Bij twee van de jongens werden de spullen gevonden. Hier heerst oorlogsrecht: daar staat de doodstraf op. Toen zei de pater: ik ben oud, neem mij in hun plaats. Ik zei: dwaas, denk je zo makkelijk een martelaar te worden? Hij keek me alleen maar aan. Ik denk nog weleens aan hem. Dat geloof van hem vertegenwoordigt geen kracht, alleen maar zwakheid. Daar heb je niets aan, daar kun je geen staat op bouwen. Hij zei een keer: kijk naar de kinderen hier, in hen ontdek je de ogen van God. Zeg alstublieft tegen Aischa dat ik blij ben om het kind dat ze verwacht.

Uw liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 10 juli

Jongen,

Een moeder draagt haar kind in zwakheid. Ja, mijn zoon, zoals het in de Koran staat, zo is het. Niet dat zij zwak is: maar zij voelt het, het kleine, het filigrane werk dat diep in haar geweven wordt. Een kind wordt geboren, het groeit op tot een man, hij heft zijn handen, balt zijn vuisten, verzamelt zijn kracht en neemt de wapens op om een imperium te stichten. Maar het wonder blijft daarin verborgen dat Gods kracht verschijnt in de zwakheid. Mensen willen of kunnen dat niet erkennen, zij onderwerpen elkaar, richten tekens op van hun grootheid.  Waar een man beveelt, waar een oorlog woedt, waar een menigte opkomt, waar een massa schreeuwt, daar is God niet, hij bouwt in stilte. Zijn koningschap troont op de aanbidding van de mensen die verbaasd knielen voor het ontzaglijk kleine wonder, dat zo veel groter is dan wat zij zelf kunnen bevatten. Een mens, man of vrouw, die dat vergeten is, die dat niet meer wil zien, miskent zichzelf, maakt zich tot een grote, lelijke reus, een monster, tot een eenzaam wezen dat geen liefde kent, alleen heerschappij of onderworpenheid. Mijn zoon, mijn kind noem ik je, opdat je dat niet vergeet.

 

Raqqa, 1 september

Lieve mama,

Jouw brief heb ik om mijn hals gebonden en ik draag hem op mijn hart. Ik begrijp niet wat je schrijft, maar ik voel je bloed erdoorheen stromen. Een man mag zwakheid niet toelaten. Voor het eerst in mijn leven heb ik iets gevonden dat mij het gevoel geeft een mens te zijn. Toen de pater werd doodgeschoten, Père Jacob, over wie ik schreef, zag ik hem een ogenblik daarvoor tegen de muur staan, bleek was hij en een beetje in elkaar gedoken. Geen held van zijn geloof, dacht ik, zo ziet een martelaar er niet uit. Wij zijn winnaars, dat zullen ze mettertijd wel in de gaten krijgen. Ik bid elke dag voor jullie. Je liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 13 september

Zoon,

Aischa is gisteren bevallen. Ze maakt het goed. Jullie hebben een gezonde zoon. Ze heeft hem Tariq genoemd, ‘ster’ in het Arabisch. Door zijn ster kan je de weg naar huis teruggaan en vinden. Je moeder is meteen het kind gaan zien. Toen ze thuis kwam huilde ze. Het kind lijkt op jou toen je geboren was, zei ze.

Vader.

 

Raqqa, 23 oktober            

Lieve mama,

Op facebook heb ik een foto van mijn kind gezien. Ik wist niet dat ik voor een mens zoveel liefde kon voelen, behalve dan voor jou. Hij is een geschenk, een teken. In elk kind dat ik hier zie, zie ik hem. Alsof zij de bewaarders en dragers van leven zijn, alsof in één kind de hoop van een hele wereld is. Kan het zijn dat in zo iets kleins en wat zo zwak is, zo iets groots als alle hoop voor de mensen samengebald is?

Je toegewijde zoon.

 

Raqqa, 1 november

Gisteren is uw zoon gevallen als gevolg van een laffe aanval van de ongelovigen. De zekerheid dat hij als martelaar naar de hemel is gegaan zal van u gelukkige mensen maken. Om zijn hals droeg hij een brief in een linnen zakje genaaid. De brief sluiten we hierbij in.

 

 

overweging

Eén van de redenen waarom de briefwisseling tussen Rotterdam en Raqqa mij aanspreekt, is dat het een poging is om die op het oog ondoorgrondelijke jihadgangers een menselijk gezicht te geven. Hoe het u is vergaan weet ik natuurlijk niet maar ik ging aspecten van wat die jongen motiveert om naar Syrië te gaan bij mijzelf herkennen. U zult willen aannemen dat ik niet de neiging heb om letterlijk in zijn voetspoor te treden maar wat hem drijft, is mij niet helemaal vreemd.

 

Dat ik dat hier durf te zeggen, is omdat ik veronderstel dat ik daarin niet alleen sta. Misschien is het zelfs zo dat er zich hier iets universeels aandient, iets dat alle mensen, waar ter wereld zij ook wonen, met elkaar gemeen hebben.

 

Waar ik dan op doel, is niet zozeer het naïeve idealisme van de jongeman uit Rotterdam maar vooral zijn bevlogenheid om zijn idealen te verwerkelijken. Hij is ontevreden over de wereld waarin hij leeft en hij wil wat dóen. Hij wil uitbreken uit het verlammende keurslijf van alledag om een andere, nieuwe maar vooral betere wereld te scheppen. Het is een drang die ieder mens parten speelt. Zij komt voort uit een oerdrift om wat ons beklemt of bedreigt met daden te lijf te gaan.

 

De jongen uit de briefwisseling doet precies dat met een grote vanzelfsprekendheid. Hij gaat er daarom van uit dat zijn ouders hem niet alleen zullen begrijpen maar dat zij bovendien trots op hem zullen zijn. Hij vertaalt zijn primaire driften in actie en de gedachte dat iemand daar bezwaar tegen zou kunnen maken komt hem onwaarschijnlijk voor.

 

Of toch niet helemaal? In de loop van de briefwisseling lijkt er toch iets in zijn toon te veranderen. Daarvoor zijn drie aanleidingen. De eerste is de ontmoeting met Père Jacob die hem voorhoudt dat het erop aankomt te zoeken naar wat wij met elkaar gemeenschappelijk hebben. En ons dus niet blind te staren op waarin wij van elkaar verschillen. Ook de opmerking van de Pater dat het beter is te dienen dan te heersen blijkt hij ergens in zijn geheugen opgeslagen te hebben. Dat zal niet helemaal toevallig zijn. De tweede aanleiding om toch net iets anders te gaan denken is de geboorte van zijn zoon. Père Jacob had hem al eens gezegd dat je God kunt herkennen in de ogen van een kind. Na de geboorte van Tariq dringt tot hem door wat daarmee gezegd wil zijn. Dat wordt versterkt door de bijzondere brief die hij van zijn moeder ontvangt. Zij schrijft in zekere zin hetzelfde als wat de pater zei: dat kracht zich in zwakte en kwetsbaarheid openbaart.

 

Zowel de pater als zijn moeder stellen het in kwetsbaarheid met elkaar verbonden zijn tegenover die oerdrift die onze Rotterdamse vriend naar Syrië deed afreizen. Vanmorgen wil ik daarover graag eens met u nadenken, over die tegenstelling tussen ook ónze oerdriften en wat Père Jacob en de moeder daartegenover stellen. Ik vermoed dat het Kerstverhaal van Lucas ons hierbij behulpzaam kan zijn. Ik stel voor daar nader naar te gaan kijken.

 

Het is heel wel denkbaar dat Lucas, toen hij een geboorteverhaal schreef voor de hoofdfiguur uit zijn boekje, in gedachten bezig was met precies deze zelfde tegenstelling. Toen hij achter zijn schrijftafel ging zitten, wist hij één ding zeker. De hoofdfiguur uit zijn boek zou gestalte moeten geven aan wat het is om volkomen vrij te zijn. Zijn verhaal zou laten zien wat vrijheid behelst. Zoals in een ouverture altijd alle thema’s al klinken die verderop worden uitgewerkt, zou dat dus ook hier het geval moeten zijn. Dit geboorteverhaal zou al meteen illustreren wat vrij zijn inhoudt.

 

De vrijheid die Lucas voor ogen heeft, is niet onmiddellijk dezelfde als waar wij aan denken als wij dat woord horen. Het gaat hem er niet om in het wilde weg te mogen roepen wat er toevallig in je opkomt. Of om lekker alles te kunnen doen waar je zin in hebt, waar je opgewonden van raakt of wat je op dat toevallige moment goeddunkt. Lucas had ook de reclames voor het Zwitserlevengevoel niet op zijn netvlies. Hij denkt bij het begrip vrijheid aan iets volstrekt anders. Voor hem is vrijheid de ruimte die geschapen wordt als jij erin slaagt om jouw angsten (en dan met name jouw angsten voor jouw eigen diepere gedachten en gevoelens) te overwinnen. Bij uitstek vrij is die mens die zichzelf onder ogen durft te komen.

 

Erover nadenkend hoe hij dit vrijheidsbegrip in beeld zou kunnen brengen kreeg Lucas een lumineuze inval. Hij zou zijn hoofdfiguur geboren laten worden in een modderige stal, omringd door dieren. Die dieren bedoelde hij als de verbeelding van al die lastige lusten en driften die in een mens leven en waartoe hij zich vaak maar moeizaam verhoudt. Wat hij dus duidelijk hoopte te maken is dat die voorbeeldig vrije mens die hij in zijn boekje portretteert al vanaf het prilste begin een vrijmoedige relatie onderhoudt met ook de dierlijke krachten die er in hem leven. Daarmee voldoet hij aan een van de meest lastige eisen die de vrijheid stelt.

 

Lucas plaatst zich met zijn keuze in een lange traditie. Door de eeuwen heen staan in de kunst de dieren dikwijls het symbool voor ons lust- en driftleven. Zij verbeelden niet zelden die gulzige krachten en verlangens die ieder mens kent maar waar hij zo dikwijls geen raad mee weet. Zijn opgeruimde buitenkant laat niets van zijn dierlijke driften en primaire emoties zien. Of het is omdat zij zich manifesteren in het gebruik van te voor de hand liggende argumenten en een niets ontziende dadendrang.

 

De grote 20ste-eeuwse psycholoog Sigmund Freud noemde dat verborgen leven in de catacomben van ons bewustzijn het ónderbewustzijn. Freud was gaan begrijpen dat wij geen of nauwelijks toegang hebben tot een niet onaanzienlijk deel van ons gevoels- en driftleven. Wij hebben het weggeborgen. Hij legde bloot dat wij er als de dood voor zijn. Het is die angst die maakt dat wij het wegduwen. Het is misschien wel typerend voor de Westerse mens dat hij het onderbewuste onderdrukt. Alles wat zich daarbeneden roert, hij heeft er geen goed zicht op en hij kent daarom de macht er niet van.

 

Freud was zich als geen ander bewust van het belang van de emancipatie van dat onderbewustzijn. De oerdriften die daarbeneden in onze onderbuik kloppen en kolken noemde hij das Es. Dat Es moet uitgenodigd worden om in beeld te komen en deel uit te gaan maken van de wereld van alledag. Daarmee wil hij bereiken dat het onderbewustzijn deel uit gaat maken van het zelfbewustzijn. Das Es soll Ich werden, was het devies. Want als dat niet gebeurt, gaat het een eigen leven leiden. Als het verwaarloosd en ontkend wordt, gaat het aandacht vragen en begint het voor zichzelf. Het móet in gesprek worden gebracht met de rede, met de beschaving en met de godsdienst. Als dat niet voldoende gebeurt breekt het los en gaat het eenzijdig het morele kompas van ons mensen bepalen.

 

Dat kan tot ernstige ontsporingen leiden. In het vooroorlogse Oostenrijk en Duitsland had Freud dat met eigen ogen gezien en kunnen constateren. Hij had gezien hoe het Es ruimte opeiste en de toon ging zetten. De rede, de beschaving en de godsdienst werden buiten spel gezet. Lompe, onverschillige dadendrang kregen vrij spel.

 

Het tafereel in de Kerststal doet een appèl op ons om onze oerdriften onder ogen te komen, met hen in gesprek te gaan en ze zo te vermenselijken. Dat geldt op een individueel niveau en het geldt voor een samenleving als geheel. Telkens opnieuw dienen onze primaire invallen in gesprek te worden gebracht met wat zoveel eeuwen beschaving ons heeft gebracht. In het verhaal over de Rotterdamse jihadganger zijn het Père Jacob en de moeder die hem daarop wijzen en zo de nuance terug willen brengen in zijn denken en doen. Zij willen voorkomen dat de driften de wereld ontmenselijken en zij beogen daarentegen te bevorderen dat hun kind en pupil meer mens wordt, Mens met een hoofdletter.

 

Nog een enkele regel uit de brief van die moeder: ‘Een mens, man of vrouw, die vergeten is dat het daarom gaat, die dat niet meer wil zien, die miskent zichzelf, hij maakt zich tot een grote, lelijke reus, een monster, ja, tot een eenzaam wezen dat geen liefde kent, alleen heerschappij of onderworpenheid.’

 

Wij kunnen kiezen. Iedere dag weer. En hier, vanmorgen, in het bijzonder.

Amen

 

oorspronkelijke versie van het Kerstverhaal

Raqqa, 17 maart 2015 

De met Allah verbondenen, geen vrees is er voor hen en zij zijn niet bedroefd. Zij die geloven en vrezend zijn voor hen is de goede tijding in het nabije leven en in het latere.

Lieve mama,

Ik heb jullie verlaten zonder iets te zeggen, zonder een boodschap achter te laten. Alleen God die mijn overleggingen kent, zijn wil doe ik, wist dat ik ging om een strijder voor de waarheid, een strijder voor de Islam te worden.

Het koranvers heb ik op een papier geschreven en boven mijn bed geprikt. Ik denk elke avond aan u en bid voor u en vader. Zeven weken ben ik in Syrië. De broeders en zusters hebben me onmiddellijk opgenomen als een broer die thuisgekomen is van lange omzwervingen. Het is mooier dan ik had gedroomd. Voor het eerst in mijn leven ben iemand. Als ik morgen sterf dan heb ik ergens voor geleefd. Als ik thuis was gebleven, als ik in Holland was gebleven en veertig jaar in een bestelbus was blijven rondrijden met pakketjes die mensen in hun radeloze verveling op internet hadden besteld, als ik met tachtig in mijn bed was gestorven, had ik dan geleefd? Het was verkwist leven geweest, ik was pleziertjes blijven najagen, auto’s, mooie kleren, achter de meisjes aan, als de eerste de beste ongelovige. Ik besef dat ik u verdriet heb gedaan, u en papa, door weg te gaan als een dief in de nacht. Maar ik ben u oudste zoon en ik wil dat u trots op me bent, dat u me niet voor niets gebaard hebt en een goede opvoeding gegeven. Ik ben u dankbaar, God zal u belonen.

Uw liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 28 maart

Zoon, je brief heb ik niet aan je moeder gegeven.  Toen je na drie dagen niet terug was en niemand wist waar je uithing en je broers en ik bij je vrienden, op je werk, in de moskee, gezocht en gevraagd hebben begreep ik dat je weg was.  Ik heb je moeder verteld dat je op reis bent. Ik weet zeker dat ze vreest dat je een strijder bent geworden, maar zij noch ik durven het hardop te zeggen. Je bent een schande voor je ouders, je bent een gevaar voor je broers, je zou hen kunnen verleiden. Wie heeft je hoofd op hol gemaakt? God moge hem slaan met een ziekte. Kom nu terug voordat de autoriteiten weten dat je een strijder bent geworden en voordat je vader en moeder je niet meer als hun zoon herkennen.

Vader.                    

 

Raqqa, 13 april

Is hij dan beter die zijn bouwwerk vestigt op vreze en welgevallen van God of hij die zijn bouwwerk vestigt op de afbrokkelende rand van een ravijn zodat hij daarmede wordt meegesleurd in het vuur van de Gahannam?  

Lieve mama,

Gisteravond las ik dit in de Koran, 9e sura.  Een bouwwerk op de afbrokkelende rand van een ravijn, zo was mijn leven, zo is het bestaan in Holland. Om te eindigen in een val in het vuur. Hier leef ik zoals de profeet heeft gezegd, hier ben ik een gelovige. Het leven is een strijd. Niet een strijd die ik steeds aan het verliezen was, tegen alcohol en lage begeerten, niet alleen om mijzelf te redden, maar voor iets groters. Voor de waarheid, voor de overwinning op de machten in de wereld die erop uit zijn om van alle mensen ongelovigen te maken, kaffirs. Die met hun vliegtuigen komen en hun bommen gooien, zogenaamd voor vrijheid van mensen, maar alleen om hun eigen belangen zeker te stellen: hun olie, de afzet van hun cola en hun laptops. Wij bouwen aan een nieuwe wereld, aan een rechtvaardige. Ja, eerst nog met de wapens, en er vloeit bloed dat gaat nu eenmaal niet anders, straks bouwen we het land op en allen zullen na een rechtvaardig leven in het paradijs beloond worden.

We hebben een gevangenenkamp, nee dat we alle tegenstanders doden is een infame westerse leugen. Ik ben hoofd van de bewaking. Sinds een week is er een gevangene, een christen, een pater, père Jacob. Wij praten soms. Hij zegt dat christenen en moslims vrienden zijn. Ik zei tegen hem dat de christenen de moslims eeuwenlang hebben onderdrukt. Toen zweeg hij. En alleen een heilige oorlog kan ons vrij maken, zei ik. Hij antwoordde dat elke oorlog een einde is, niet een begin. Hij zei dat God niet van ons vraagt om aan macht te bouwen, maar om mensen te dienen, te beginnen met iemand die op de grond ligt overeind te helpen. Ik lachte hem uit: veel mensen hebben een heel andere indruk van christenen. Toen zweeg hij weer.  Uw liefhebbende zoon, die God bidt dat u trots op hem bent.  

 

Rotterdam, 8 mei

Zoon, moge God je dwaze hoofd afkoelen en je verwarde gedachten ontrafelen. De brief heb ik aan je moeder voorgelezen, om haar niet zieker te maken door onzekerheid. Sinds ze het weet zit ze aan de tafel, ze slaapt niet meer en eet niet meer van verdriet.

Aischa is langs geweest om te vragen of we iets van je weten en om  te zeggen dat ze zwanger is. Je wordt vader, je moet je verantwoordelijkheid op je nemen, naar huis komen nu het nog kan. Je kind heeft een vader nodig, die geld verdient en voor een woning zorgt, geen martelaar ver weg in de woestijn aan wiens gebeente de honden knagen.  Vader.

 

Raqqa, 25 juni 

En wij hebben de mens zorg voor zijn ouders opgedragen. Zijn moeder heeft hem gedragen in zwakheid op zwakheid. Breng dan mij en uw ouders dank. 31ste Sura.

Lieve mama, elke avond bid ik voor uw gezondheid en dat ik u weer zal zien. Met mij gaat het goed. Ik was gewond bij een bombardement maar met Gods hulp ben ik er gauw weer bovenop gekomen. 

De pater, frère Jacob, is dood. Er was in de gevangenis gestolen. Bij twee jongens waren de spullen in hun bed gevonden. Hier heerst oorlogsrecht, daar staat de doodstraf op. Toen zei de pater: ik ben oud, neem mij in hun plaats. Ik zei: dwaas, denk je zo makkelijk een martelaar te worden? Hij keek me alleen aan. Ik denk nog weleens aan hem. Dat geloof van hem vertegenwoordigt geen kracht, alleen maar zwakheid. Daar heb je niets aan, daar kun je geen staat op bouwen. Hij zei een keer: kijk naar de kinderen hier, in hen ontdek je de ogen van God. Zeg alstublieft tegen Aischa dat ik blij ben om het kind dat ze verwacht. De oorlog zal gauw voorbij zijn, inshallah.  Dan kan zij naar mij toe komen en zal het kind in een vrije islamitische staat groot worden. Weet u verzekerd van de liefde van uw zoon.

 

Rotterdam, 10 juli

Bloed van mijn bloed, hart uit mijn moederhart, deel van mijn ziel,

Een moeder draagt haar kind in zwakheid op zwakheid. Ja, mijn zoon, zoals het in de Koran staat, zo is het. In zwakheid draagt de vrouw haar kind. Niet dat zij zwak is: maar zij voelt het, het kleine, de kwetsbaarheid, het filigrane werk dat diep in haar geweven wordt, micromillimeter voor micromillimeter. Een kind wordt geboren, hij groeit op tot een man, hij heft zijn handen, balt zijn vuisten, verzamelt zijn kracht, neemt de wapens om een imperium te stichten. Maar het wonder is er, blijft daarin verborgen, dat Gods kracht verschijnt in de zwakheid. Mensen willen of kunnen dat niet erkennen, onderwerpen elkaar, richten tekens op van hun grootheid.  Waar een man beveelt, waar een oorlog woedt, waar een menigte opkomt, waar een massa schreeuwt, daar gebeurt het. God is daar niet, hij bouwt in stilte. In zwakheid op zwakheid: zijn koningschap troont op de aanbidding van de mensen die verbaasd knielen voor het ontzaglijk kleine wonder, dat zo veel groter is dan wat zij zelf kunnen bevatten, zo klein maar zoveel groter dan alles wat zijzelf maken kunnen. Dat leven daar ontstaat. Een mens, man of vrouw, die dat vergeten is, die dat niet meer wil zien, miskent zichzelf, maakt zich tot een grote, lelijke reus, een monster, tot een eenzaam wezen dat geen liefde kent, alleen heerschappij of onderworpenheid.

Mijn zoon, mijn kind noem ik je, opdat je dat niet vergeet, in zwakheid die ik gekend heb ben je gedragen, gegroeid, geboren, opdat je dat niet vergeet.

   

Raqqa, 1 september

Lieve mama,

Jouw brief heb ik om mijn hals gebonden en ik draag hem op mijn hart. Ik begrijp niet wat je schrijft, maar ik voel je bloed erdoorheen stromen. Een man mag zwakheid niet toelaten. God roept strijders. Ik heb voor het eerst in mijn leven iets dat mij het gevoel geeft een mens te zijn. Toen de pater werd doodgeschoten, Père Jacob, over wie ik schreef, zag ik hem een ogenblik daarvoor tegen de muur staan, bleek was hij en een beetje in elkaar gedoken. Geen held van zijn geloof, dacht ik, zo ziet een martelaar er niet uit. Sinds hij dood is, een maand geleden, lijkt het of de andere gevangenen meer rechtop zijn gaan lopen. We moeten ze strenger behandelen, we geven ze minder te eten, maar ze doen alsof het hun niks kan schelen. Wij zijn de winnaars, dat zullen ze mettertijd wel in de gaten krijgen. Ik bid elke dag voor jullie. Je liefhebbende zoon.

 

Rotterdam, 13 september

Zoon,

Aischa is gisteren bevallen. Ze maakt het goed en… jullie hebben een gezonde zoon. Ze heeft hem Tariq genoemd, ster in het Arabisch. Door zijn ster kan je de weg naar huis teruggaan en vinden. Je moeder is meteen het kind gaan zien. Toen ze thuis kwam huilde ze. Het kind lijkt op jou toen je geboren was, zei ze.

Vader.

 

Raqqa, 23 oktober            

Lieve mama,

Op facebook heb ik een foto van mijn kind gezien. Ik wist niet dat ik voor een mens zoveel liefde kon voelen, behalve dan voor jou. Een keer heb ik ernaar verlangd om thuis te zijn en hem vast te houden. Hij is een geschenk, een teken. In elk kind dat ik hier zie, zie ik hem. Alsof al die kinderen mij aankijken en er een vraag in hun ogen te lezen is: is er iets te hopen? Alsof zij de bewaarders en dragers van leven zijn, alsof in één kind de hoop van een hele wereld is. Zij vragen mij niet echt, maar ik wist niet wat ik moest antwoorden. Kan het dan zijn dat in zo iets kleins en wat zo zwak is, zo iets groots als alle hoop voor de mensen samengebald is? Je toegewijde zoon.

 

Raqqa, 1 november

Gisteren is uw zoon gevallen als gevolg van een laffe aanval van de ongelovigen. De zekerheid dat hij als martelaar naar de hemel is gegaan zal van u gelukkige mensen maken. Om zijn hals droeg hij een brief in een linnen zakje genaaid. De brief sluiten we hierbij in.