30 oktober 2016 Allerheiligen

DORPSKERK DURGERDAM       ALLERHEILIGEN 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Chris Helfensteijn

m.m.v. de Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

 

liturgie

welkom en mededelingen

zingen    NLB 483 (Gij die alle sterren) (Cantorij: vers 2)

votum    DD Liedboek 9 (Hoor ons aan)

gebed

zingen    NLB 23c (Mijn God, mijn herder): 1, 2, 3 en 4  

schriftlezing   

Cantorij   Man that is born of a woman van H. Purcell

overweging

stilte

pianospel   Sinfonia 2 van J.S. Bach

zingen    NLB 731 (Cantorij: vers 1)

wij noemen u de namen … -staan-

zingen    Kaarsenlied

gebed    Onze Vader

zingen    NLB 801 (Door de nacht): 1, 2, 3 en 5 (Cantorij: vers 2)

zegen

 

gebed

Vanmorgen zijn wij bij elkaar om stil te staan

bij wat en bij wie ons aan het verleden bindt.

Hoezeer kan een mens niet in beslag worden genomen

juist door zijn verdriet en gemis,

en hoe ondenkbaar kan het hem voorkomen

dat hij ooit de weg terug zal  vinden

naar een bestaan waarin het volle licht vrij spel zal hebben.

 

Daarom schuilen wij dit uur bij elkaar,

in de hoop het geheimenis deelachtig te worden

waarin onze bestemming besloten ligt,

dat ons het besef aanreikt

dat wij ondanks onze pijn en ons verdriet

gewild zijn en, letterlijk, bedóeld,

zoals dat ook geldt voor

degenen die wij vandaag gedenken.

 

Dat wij daaruit de troost en het vertrouwen putten

dat onze verbondenheid met hen onopgeefbaar is

omdat zij en wij met elkaar geborgen zijn

in een trouwe liefde die ons denken overstijgt,

vandaag en morgen en alle dagen die nog zullen komen,

Amen

 

schriftlezing

Prediker 5:14 Zoals hij uit de schoot zijner moeder gekomen is, zo gaat hij weer heen, naakt zoals hij gekomen is, en hij verkrijgt niets door zijn zwoegen, dat hij aan deze zou kunnen nalaten. Zo iemand is naakt geboren, zonder bezit. En als hij doodgaat, kan hij niets meenemen. Alles waarvoor hij hard gewerkt heeft, moet hij achterlaten.

 

Romeinen 14: 7 Want niemand onzer leeft voor zichzelf, en niemand sterft voor zichzelf; 8 want als wij leven, het is voor de Here, en als wij sterven, het is voor de Here. Hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren.

 

overweging

Vorige week ben ik hier, in deze kerk, geïnterviewd door een filmmaker die bezig is met een televisiefilm over de vraag wat moderne mensen zich bij het woordje ‘god’ voorstellen. Hij kwam hier binnen met een wel grappig verhaal. Voorafgaand aan de afspraak met mij had hij een kunstenares bezocht. Hij zou haar treffen in een café bij de Brouwersgracht. Toen hij daar binnenkwam, zat zij er al even. Rondom haar was het een heel tumult. Zij had aan deze en gene laten weten waarom zij daar zat en op wie zij zat te wachten. Toen bleek dat     iedereen heel gretig was om voor een camera zijn of haar gedachten over god onder woorden te willen brengen. De filmmaker vertelde mij dat hij daar een hele tijd heeft zitten praten en dat er volstrekt uiteenlopende beelden over tafel schoten. Omdat de sfeer steeds meer verhit raakte, besloot hij uiteindelijk de vrouw met wie hij een afspraak had te vragen met hem mee te gaan naar een andere plek voor het interview dat hij voor ogen had.

 

In míjn gesprek met hem ging het al snel over het al dan niet bestaan van de hemel. Zoals zoveel verlichte, moderne geesten had ook hij de indruk dat het geloof in een hemel en in een leven na de dood zijn langste tijd wel had gehad. Hij kon zich zelfs nauwelijks voorstellen dat er nog mensen zijn voor wie de hemel en een leven na de dood realiteiten zijn.

 

Eigenlijk is dat de aanleiding voor mij geweest om daarover vanmorgen met u van gedachten te wisselen. Het zou namelijk wel eens zo kunnen zijn dat het niet volstaat om te roepen dat wij ‘natuurlijk niet langer in de hemel of in een leven na de dood geloven’. Maar voor het omgekeerde geldt in zekere zin hetzelfde. Het zou ook wel eens zo kunnen zijn dat wij, als wij ons hard maken voor het bestaan van dat hiernamaals, ook het één en ander over het hoofd zien. In de praktijk lopen beide denkbeelden (het wél en het níet in de hemel en een leven na de dood geloven) namelijk door elkaar. Dat klinkt wellicht cryptisch maar ik hoop dat u tegen de tijd dat ik ‘amen’ zeg zult begrijpen wat ik bedoel.

 

Ik begin met u een tweetal voorbeelden te geven die beide uit het leven gegrepen zijn. De beide mensen die ik op het oog heb, een man en een vrouw, hebben in de loop van het afgelopen jaar een dierbare aan de dood verloren. Beiden zijn het moderne mensen waarvan ik vermoed dat zij, als dat bij voorbeeld een jaar geleden ter sprake zou zijn gekomen, gelachen zouden hebben om de gedachte dat ons leven niet is afgelopen als ons hart ophoudt te slaan. Geloof in een leven na de dood paste niet in hun wereldbeeld. Dat zouden zij ouderwets gevonden hebben.

 

De eerste is een betrekkelijk jonge vrouw die haar een aantal jaren oudere man heeft moeten begraven. De verzorging van hem tijdens zijn ziek zijn en alles wat er op haar af kwam rondom zijn overlijden en zijn begrafenis, ze heeft het allemaal met grote zorg en eerbied gedaan. Toen dat allemaal achter de rug was, zat zij eigenlijk voor het eerst alleen in het huis waar zij de jaren van hun huwelijk gewoond hadden. Het was er soms bijna angstig stil en ze kon haar gevoelens en gedachten moet niemand delen. Het contact met de kinderen uit het eerste huwelijk van haar man haperde en van de vele andere mensen om haar heen had zij het gevoel dat zij toch niet helemaal aanvoelden wat haar bezig hield. Op een gegeven moment betrapte zij zichzelf erop dat zij iedere dag naar het graf van haar man ging en dat zij daar hele gesprekken met hem voerde. Niet alleen voelde zij zich tijdens die gesprekken begrepen, haar man antwoordde haar ook. Zij praatten samen en na zo’n gesprek ging zij daarna blij, dankbaar en getroost terug naar huis.

 

Het tweede voorbeeld lijkt hierop. Het betreft een man wiens vrouw na jaren en jaren dement te zijn geweest is overleden. Ook hij heeft al die jaren zo goed mogelijk voor zijn levensgezel gezorgd. Drie keer per week ging hij naar het verpleeghuis waar zij woonde om haar op te zoeken en er te helpen als vrijwilliger. Toen ze overleden was, was hij verrast door de pijn die hem dat deed. Hoewel zij al jaren geen gesprek meer met elkaar hadden kunnen voeren, miste hij haar meer dan hij voor mogelijk had gehouden. Op een dag werd hij zich ervan bewust dat hij het gevoel had dat zijn vrouw hem van boven in de gaten hield. Zij sloeg hem gade. En hij wist dat zij verdrietig werd als zij zag hoe alleen hij zich voelde. Zij zou willen dat hij wat ging doen met zijn tijd, weer zou gaan tennissen of golfen. Misschien kon hij nu ergens anders als vrijwilliger aan de slag. En, zo vertelde hij mij, telkens als hij in beweging kwam en erop uit trok, wíst hij dat hij zijn vrouw daar een regelrecht plezier mee deed. Dat waren de momenten waarop zij zich eindelijk kon ontspannen. En dat gunde hij haar zo.

 

Beiden, zowel de vrouw als de man uit deze voorbeelden, putten troost uit de fantasie die zij koesterden. Daar is niets op af te dingen en niemand van ons zou deze twee mensen hun fantasie willen ontnemen. Maar de vraag is óf het enkel een fantasie is die hen met hun respectievelijke partners verbindt? Of valt er toch net iets meer over te zeggen?

 

De in 1990 overleden schrijver Frans Kellendonk die overigens een lastige relatie had met kerk en godsdienst, wil het in deze en dergelijke gevallen niet over fantasie hebben. Hij noemt het: verlangen. Hij vermoedt dat de gedachte over een leven na de dood voortkomt uit een diep gevoeld en volstrekt legitiem verlangen. Ergens schrijft hij dat wij ‘de grote woorden wel kunnen afschaffen maar dat daarmee niet is afgerekend met het verlangen waaruit zij zijn ontstaan.’ Het inzicht dat het niet kan zijn dat er ergens daarboven een plek is waar wij elkaar te zijner tijd allemaal terug zullen zien, wil niet zeggen dat het verlangen naar geborgenheid voor onze doden en naar het op de één of andere manier in stand kunnen houden van een relatie met hen óók zal zijn verdampt. Misschien is het tegendeel wel waar. Een dergelijk verlangen blijkt dikwijls sterker te zijn dan wat ons verstand ons ingeeft. En wat Kellendonk de ‘grote woorden’ noemt, helpt ons om ons verlangen onder ogen te komen, te expliciteren en in banen te leiden. Onze traditie reikt ons taal aan, beeldtaal, die helpt te voorkomen dat de dood van een geliefde leidt tot eenzame en machteloze frustratie.

 

Maar ik wil nog een stapje verder gaan en hieraan nog een derde begrip toevoegen. We hadden het over fantasie en over verlangen. Maar ik herken nog een derde ingrediënt in het vrijmoedige gesprek dat de weduwe en de weduwnaar uit de beide voorbeelden met hun doden voeren. En dat derde ingrediënt is hun vertrouwen. Zij fantaseren. En zij verlangen. Maar daarnaast houdt het zékere vertrouwen dat hun verdriet en hun strijd om het hoofd boven te houden een adres heeft hen op de been. Want immers, zij zijn van harte in staat zich toe te vertrouwen aan wat ik in eerste instantie afdeed als een fantasie. Ook dat vertrouwen blijkt sterker dan wat hun cynische verstand op dergelijke momenten als waarheid aandraagt. Dat vertrouwen weet van geen wijken en het heeft geen enkele boodschap aan wat de ratio hen ingeeft.

 

De regels die ik voorlas uit het 14de hoofdstuk van zijn brief aan de Romeinen spreken van een dergelijk vertrouwen: ‘hetzij wij dan leven, hetzij wij sterven, wij zijn des Heren.’ Het is een regel die mij lief is omdat hij onder woorden brengt hoe ook ik dit voel. Misschien mag ik daarom eens proberen in een paar woorden te zeggen wat ik mij erbij voorstel.

 

Om te beginnen: Paulus was een gewone sterveling, als u en ik. Hij beschikte net zomin als wij dat doen over kennis van wat ons aan de overkant van de doodsrivier te wachten staat. Daar zinspeelt hij ook niet op, althans, ik kan mij dat niet voorstellen. Wat ik denk en wat ik meen te herkennen, is dat hij naar woorden heeft gezocht die zijn vertrouwen in een alles overstijgende liefde en trouw tot uitdrukking brengen.

 

Paulus had het nodige meegemaakt. Maar misschien was het meest heftige moment in zijn leven wel het moment waarop hij zichzelf ontmaskerde. Wellicht weet u uit ervaring hoe kwetsbaar iemand dan kan zijn. Zo’n moment waarop je als in een flits dwars door jezelf heen kijkt. Opeens wordt duidelijk waarom je doet zoals je doet. En waarom je bent zoals je bent. Alle aangekoekte beelden die je van jezelf hebt, verbrokkelen. Je bent zo naakt als maar mogelijk is.

 

En dan kan het gebeuren dat er in die kwetsbare naaktheid een besef geboren wordt dat je er desondanks ‘mag zijn’. En al zou je niet weten door wie of wat, je weet wel dat er van je gehouden wordt. En dat die liefde onvoorwaardelijk is. Dat eigenlijk niets er meer toe doet. En dat wat tot dan toe zo groot en massief leek te zijn oneindig betrekkelijk is. Álles. Zelfs de dood. Die even broze als overweldigende liefde trekt zich van de dood niets aan. Of ik nu leef of sterf, ik weet mij geborgen. En geborgd.

 

Een paar jaar geleden is er een boek verschenen van de Amerikaanse dichter Christan Wiman. In dat boek vertelt Wiman over deze en dergelijke ervaringen in de jaren dat hij leed aan een levensbedreigende kanker. Willem Jan Otten heeft dat boek adembenemend mooi vertaald in het Nederlands. Het heet Mijn heldere afgrond. Ik raad het u allemaal van harte aan.

 

In zijn boek heeft ook Wiman het meermalen over het verlangen. Hij beschrijft hoe hij zich niet meer in de godsdienst van vroeger kan herkennen. Hij kan daar geen ‘ja’ meer op zeggen. Maar tegelijkertijd verlangt hij er wel naar. En dan niet naar de kerk van toen of de sfeer die erom heen hing maar naar de inhoud van dat geloof. Aanvankelijk is het zijn verstand dat hem verbiedt die inhoud opnieuw te omarmen. Tot het op een gegeven moment tot hem doordringt dat een mens heel goed in staat is iets te geloven dat niet waar is. Sterker nog, dat daar niets mis mee is. En vanaf dat moment staat hij zichzelf toe om gul en ruimhartig om te gaan met zowel zijn fantasie, zijn verlangen als met zijn vertrouwen. Iets hoeft niet langer ‘wáár’ te zijn of in de rationele of driedimensionale werkelijkheid te bestaan om er tóch in te geloven. De twee voorbeelden waarmee ik deze preek begon, getuigen daarvan. Het was een gedachte, een inzicht, dat onvoorstelbaar bevrijdend bleek te zij. Het markeerde een keerpunt in zijn geloofsleven.

 

Toen ik dat gesprek had met die filmmaker waarover ik vertelde, had ik Wiman al gelezen. En ik heb op de vraag wat ik mij bij het woordje god voorstel iets in de sfeer van Wiman gezegd. Dat ik eigenlijk nauwelijks een voorstelling heb van wie of wat god is. Maar dat ik hem associeer met de momenten waarop ik mij, als Paulus, gedragen weet, kome wat komt. En dat ik hem, als Wiman, onthul op de momenten dat ik mijn verlangen en vertrouwen ernstig neem.

 

Vanmorgen staan wij stil bij onze doden. Ik besluit met de bede dat wie hier vanmorgen worstelt met de pijn om het verlies van iemand die deel uitmaakte van wie en wat jijzelf bent, dat hij zich in God met zijn dode verbonden zal weten.

Amen