25 september 2016

Dorpskerk Durgerdam     zondag 25 september 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Chris Helfensteijn

m.m.v. de Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

 

liturgie

welkom

zingen   NLB 718 (God die leven) (Cantorij: vers 1)

votum   DD 3 (Vrede zij u allen.)

gebed

Cantorij  The Lord is my shepherd van Howard Goodall 

schriftlezing

zingen   NLB 790 (Hoog als de hemel) (Cantorij: 1 en 3)

overweging

stilte

zingen   NLB 283 (In de veelheid): 1, 2, 3 en 4 (Cantorij: 3)

gebed

collectes  1. voor de Dorpskerk Durgerdam

2. voor SOFAK

zingen   DD h7 (Komen ooit voeten)   

zegen

 

gebed

Wat ons in feite allemaal zoveel moeite kost,

is het leven dat ons gegeven is daadwerkelijk te léven.

Wij staan, althans dat is zo dikwijls ons gevoel,

in de coulissen

en wachten op het moment waarop wij geroepen zullen worden

om eindelijk het toneel te betreden,

aarzelend en angstvallig.

In onze meer en minder intieme vriendschappen,

maar ook in onze omgang met degenen met wie wij werken,

zijn wij dikwijls zo zuinig.

Wij houden zóveel achter dat er van werkelijke bloei nauwelijks sprake kan zijn,

bang als wij zijn onszelf te laten kennen,

en op onze kwetsbare kanten te worden

aangesproken.

En onze wereld, die onbeschrijfelijke compositie van

kleuren, geuren, smaken, klanken en gevoelens

overweldigt ons zó dikwijls,

dat wij ons er uit terugtrekken

en een eigen universum scheppen:

grijzer, stiller, vlakker,

dáár kunnen wij de angst te zullen verdwalen bedwingen,

dáár hopen wij onze verwarring de baas te blijven,

Maar omdat wij daarmee onszelf én de wondere, ons door u geschonken wereld zo schromelijk te kort doen, bidden wij:

Heer, ontferm u over ons.

Amen

 

schriftlezing

Mattheus 6: 25 Daarom zeg Ik u: Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten [of drinken], of over uw lichaam, waarmede gij het zult kleden. Is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding? 26 Ziet naar de vogelen des hemels: zij zaaien niet en maaien niet en brengen niet bijeen in schuren, en toch voedt uw hemelse Vader die; gaat gij ze niet verre te boven? 27 Wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? 28 En wat zijt gij bezorgd over kleding? Let op de leliën des velds, hoe zij groeien: 29 zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u, dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet bekleed was als een van deze. 30 Indien nu God het gras des velds, dat er heden is en morgen in de oven geworpen wordt, zó bekleedt, zal Hij u niet veel meer kleden, kleingelovigen? 31 Maakt u dan niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleden? 32 Want naar al deze dingen gaat het zoeken der heidenen uit. Want uw hemelse Vader weet, dat gij dit alles behoeft. 33 Maar zoekt eerst Zijn Koninkrijk en Zijn gerechtigheid en dit alles zal u bovendien geschonken worden.

 

overweging

In de nu afgelopen week werden, het zal u niet zijn ontgaan, in de Tweede Kamer de zogenaamde politieke beschouwingen gehouden. Tijdens deze debatten wordt het kabinetsbeleid zoals dat verwoord is in de troonrede tegen het licht gehouden. Hoewel dat maar zelden expliciet het geval is, is dit bij uitstek de gelegenheid waarbij de spanning tussen, aan de ene kant, de feitelijke situatie waarin wij met z’n allen verkeren en, aan de andere kant, de samenleving zoals wij zouden willen dat zij is voelbaar zou moeten zijn. Tijdens die debatten zou de vraag door moeten klinken of wij in staat zullen zijn de kloof tussen de realiteit van vandaag en onze ideeën over hoe ons land er in de toekomst uit zou moeten zien te dichten. En hoe ontwikkelen wij ons van waar wij nu staan in de richting van een samenleving die wij als rechtvaardiger, slagvaardiger en bestendiger beleven. Langs welke wegen bewegen wij ons daar naartoe?

 

De spanning tussen de werkelijkheid, de realiteit waarmee wij nu eenmaal hebben te dealen én onze gedachten over een wereld en een samenleving zoals deze naar onze opvattingen zou moeten zijn is van alle tijden. Het is niet overdreven om te zeggen dat ons leven onder precies die spanning geleefd wordt. Daarin verschillen wij van de dieren. Zij leven enkel in het hier en nu. Wij dromen onophoudelijk over hoe het ook zou kunnen zijn.

 

Het is dan ook niet voor niets dat deze zelfde spanning zich in vrijwel ieder Bijbelverhaal aandient. En omdat ik het vanmorgen graag met u over deze spanning wilde hebben, heb ik gezocht naar een verhaal waarin die spanning representatief naar voren komt. Met name heb ik gekeken naar het boek Exodus dat uitsluitend en alleen over dit spanningsveld handelt. Waarom ik uiteindelijk een andere keuze maakte, zal ik zo meteen vertellen. Dat boek Exodus vertelt in een meeslepende beeldtaal hoe ons leven zich afspeelt in de even eindeloze als uitzichtloze ruimte van de woestijn. Achter ons ligt de wereld die wij verlaten hebben en waar we niet naartoe terug kunnen. Daar zaten we vast aan oude ideeën, daar wisten we precies hoe alles in elkaar stak en vragen hadden we nauwelijks. Maar dat ligt achter ons. Soms worden we zomaar opeens overmand door heimwee maar er is geen weg terug. Het is voorbij, voorgoed voorbij. Nu ligt niets meer vast. Alles kan en alles mag. Grenzen lijken niet meer te bestaan. ‘Waar moet dat heen’, vragen we ons af, ‘met ons en met deze wereld?’ Het enige waarop wij ons kunnen oriënteren is een nauwelijks gearticuleerd vermoeden van een land, verborgen achter de verste horizon van ons bestaan, een land waar wij van dromen, waar wij op hopen en waar wij ons, als we de moed daartoe op kunnen brengen, aarzelend naartoe bewegen. Wij zaten in Egypte, in Angstland. Wij waren onderworpen aan vertrouwde machten die zich als vanzelfsprekend deden gelden. Maar zij hebben hun betovering verloren. Ze zijn ontmaskerd. En in de lege ruimte van het nu zoeken wij tastenderwijs een weg naar een Rijk waarin waarheid en waarachtigheid de toon zullen zetten. Alleen vertrouwen kan ons op onze tocht nog op de been houden.

 

Dat ik zo met dit thema in de weer ben, is naar aanleiding van een artikel van de hand van Bas Heijne dat hij alweer enkele weken geleden in de NRC schreef. Heijne was door de filosofen Frank Meester en Coen Simon gevraagd om het boek Het onbehagen in de cultuur van Sigmund Freud te lezen en vanuit het door Freud gekozen perspectief naar onze moderne samenleving te kijken. Freud schreef dit boek in 1930 toen de eerste tekenen van desintegratie in met name Duitsland zich aandienden. Het is dus niet zo verwonderlijk dat Meester en Simon vermoedden dat er verschillende parallellen tussen toen en nu te trekken zouden zijn.

 

In dit boek signaleert ook Freud die eeuwige spanning tussen de werkelijkheid, de realiteit waarin wij het hoofd boven water moeten zien te houden én een samenleving zoals wij zouden willen dat zij is, zoals wij haar wensen of dromen. Hij benoemt e.e.a. met behulp van een aantal begrippen uit de psychoanalyse. Ik vertel u er kort iets over omdat dit artikel mijn denken over wat er zich in onze samenleving aandient heeft geholpen. In de eerste plaats noemt hij het zogenaamde lustprincipe: de mens is erop gericht een zo groot mogelijk geluk en genot te beleven. Wij willen het zo goed, gemakkelijk en comfortabel mogelijk hebben. Ik neem aan dat wij dat verlangen allemaal herkennen. Maar wat wij óók herkennen, is dat wij onze verlangens niet zomaar zullen kunnen uitleven. Dan zouden wij onszelf en elkaar niet te overziene schade toebrengen. Niet alles wat wij willen is ook mogelijk, in ieder geval niet meteen. Het besef daarvan is wat Freud het realiteitsprincipe noemt. Wat zich in mijn hoofd en hart aandient, kan niet zomaar verwerkelijkt worden in de wereld waar ik deel van uitmaak. Ik heb immers te maken met een vaak hardnekkige werkelijkheid.

 

Dat het lustprincipe een dikwijls lastige relatie met het realiteitsprincipe heeft, moge duidelijk zijn. Die twee schuren en wringen. En niet zelden frustreert ons dat. Maar dat ik dat verdraag, is omdat ik wel inzie (begrijp) dat ik de buitenwereld niet zomaar even naar mijn hand kan zetten. Dat inzicht noemt Freud beschaving. Het is de beschaving die onze oerdriften temt en in banen leidt. Beschaving is dat wat ons helpt om ons besef van realiteit én onze gedachten over hoe het óók zou kunnen zijn met elkaar te combineren.

 

Maar, vervolgt Freud (en ik hoop dat u het mij toestaat hem nog een keer te citeren) maar beschaving is nooit een gelopen race. Driftmatige hartstochten kunnen sterker blijken dan rationele overwegingen of dan het verlangen naar rust en harmonie. Onze intrinsieke woede over de onoverbrugbare kloof tussen het lust- en het realiteitsprincipe kan aan de oppervlakte komen en zich een weg naar buiten banen. Dat kan op enig moment ontaarden in zelfs radicale pogingen om die vervloekte kloof te dichten. En in onze wanhoop lijkt er dan maar één weg te zijn: als de wereld zich niet aanpast aan mijn verlangens, dan moet die wereld maar vernietigd worden. Om hetzelfde wat deftiger te zeggen: dan moet het realiteitsprincipe ongedaan worden gemaakt. Freud herkende die neiging in de opkomende woede in het Duitsland van toen. Bas Heijne denkt hetzelfde te zien in onder meer de boosheid van de radicale islam en de aanhang van iemand als Donald Trump. In beide voorbeelden is de realiteit een dusdanig groot obstakel op weg naar een werkelijkheid waarvan wij dromen dat die realiteit uit de weg geruimd moet worden. Als dat niet goedschiks kan, dan kwaadschiks. Ikzelf vermoed dat er hiervan wel meer voorbeelden te geven zijn. En dat wij daarvoor tamelijk dicht bij huis kunnen blijven. Maar voor nu wil ik dat laten rusten.

 

Wat mij voor hier en nu een wezenlijk inzicht lijkt te zijn, is dat Heijne (of liever: dat Freud) duidelijk maakt dat wij over het algemeen voortdurend op zoek zijn (en blijven!) naar mogelijkheden om beide werelden met elkaar te verbinden, die van alledag en die van ons verlangen. Op enig moment ervaren wij de spanning tussen beide als vermoeiend, slopend of zelfs ondragelijk en dan blijken wij uitermate vindingrijk te zijn in het zoeken naar oplossingen voor het verminderen van de spanning.

 

Hoewel het artikel met name inzicht wil geven in de politieke structuren van toen en nu, begon ik mij al lezend af te vragen of dit nu niet precies óók datgene is waar het dat al eerder genoemde boek Exodus over gaat. En misschien mag ik het zelfs breder trekken en mij afvragen of wat Heijne beschrijft niet raakt aan het wezen van wat godsdienst is. Godsdienst is immers een niet onbelangrijk aspect van iedere cultuur. En misschien is wel met name de godsdienst het terrein waar wij zoeken naar de mogelijkheden om de spanning tussen het hier en nu en dat ‘aan de overkant van onze woestijn gelegen gedroomde land’ te overbruggen. Sommige van die mogelijkheden daarvan helpen ons, andere doen dat niet. Er zijn er die tallozen hébben geholpen en er zijn er die intussen naar de achtergrond gedrongen zijn omdat wij er niet langer mee uit de voeten kunnen.

 

Ik ga u drie ‘modellen’ noemen; drie voor, naar ik vermoed, voor iedereen herkenbare manieren om het hier en nu én het ooit en dan met elkaar te verbinden. Als eerste noem ik de gedachte dat het leven hier op aarde miserabel is, treurig en ellendig. Maar, zo wordt dan gezegd, al die pijn en ellende zal na onze dood vergoed worden. Dan wacht ons een bestaan van een dusdanige luister dat wij wat wij hier te verduren hebben op slag zullen zijn vergeten. Hier beneden is het niet; omhoog, omhoog het hart naar boven! Zo is in de beleving van velen gedurende lange jaren de kloof tussen de geleefde en de gedroomde werkelijkheid gedicht geweest, althans, zo was er een leefbaar perspectief op het gedicht worden van de kloof. Het tweede model dat ik u ga noemen herinner ik mijzelf nog goed uit de jaren ’70 en ’80 van de vorige eeuw. Toen waaide er een wind die ons land die maakte dat er op grote schaal geloofd werd dat als wij met z’n allen er de schouders onder zetten, wij die wereld waarin alles klopt wel kunnen bewerkstelligen. De maatschappij deugde niet. Maar omdat wij een helder beeld hadden van de maatschappij zoals zij zou moeten zijn, gingen wij vol geloofsvertrouwen aan de slag om die in alle opzichten betere want rechtvaardiger wereld te bewerkstelligen. Toen werd gedacht dat de kloof op die manier gedicht kon worden. Het altijd fnuikende cynisme had ons nog niet in zijn greep.

 

En zo is er in verloop van de tijd op alle mogelijke manieren gezocht naar begaanbare wegen tussen de inderdaad niet zelden bittere werkelijkheid en een fantasie van genoegdoening en gerechtigheid.

 

Ik moet zo langzamerhand afronden. En dat doe ik door te vertellen over een derde model waarvan ik vermoed dat dat in onze tijd opgeld doet. Ik zal dat doen aan de hand van het fragment dat ik u voorlas uit het evangelie naar Mattheus. Ook dit fragment nodigt uit om de kloof tussen beide al meermalen genoemde werkelijkheden te dichten. Maar dan op een eigen en nieuwe wijze. Nu speelt de factor tijd geen rol meer. Hier is het dichten van de al meermalen genoemde kloof geen kwestie van nú en láter of ooit. Mattheus laat zien dat beide werkelijkheden zich tegelijkertijd aandienen, althans voor wie het kan en wil zien. U en ik, wij zijn onnozele, sterfelijke wezentjes. Zeker. Maar tegelijkertijd zij wij niet minder dan een wonder. Als het erop aankomt zijn er geen woorden om te beschrijven hoe geheimenisvol ons bestaan toch is! En kijkt u eens naar de vogels in de lucht. Slim zijn ze niet. Gedachten hebben ze niet. Maar ze leven ons een onbevangenheid voor waar wij een puntje aan kunnen zuigen. En de schoonheid van de bloemen op het veld, hebt u die wel eens tot u door laten dringen? Kunt u daaraan tippen?

 

Dat koude land áchter ons en de onbegrensde hartelijkheid van het land achter wat voor alsnog onze horizon is, het laat zich niet op de landkaart vinden. Beide gaan schuil in ons hart, in onze ziel, te zelfder tijd. Het is een kwestie van kijken. En die andere manier van kijken, kunnen wij ons oefenen.

 

Ik wil besluiten met iets dat ik van de week op de radio hoorde vertellen. Bij de opening van de nieuwe stationshal van het Centraal Station in Utrecht is een uitermate onorthodox kunstwerk gekozen. Voortdurend lopen er daar vier kunstenaars (acteurs) rond die synchroon alledaagse handelingen van reizigers imiteren. Ze kijken op hun telefoons, lopen gehaast naar de perrons, zoeken in paniek in hun handtas en zo voort. En omdat zij dat precies tegelijkertijd doen, worden die gewone gebaren tot een dans. Zo beleefde de reiziger die er op de radio over vertelde dat tenminste. Zij had, gefascineerd kijkend, zelfs haar trein gemist.

 

Een paar dagen later stond zij weer op een van de vele perrons en hoorde hoe de omroeper een perronwisseling aankondigde voor de reizigers aan de overkant van het spoor waarbij zij stond te wachten. Ze zag hoe iemand geschrokken opkeek en zich naar de trappen haastte. Toen deed iemand anders precies hetzelfde, met precies dezelfde bewegingen. Daarna kwam er een groepje mensen volgens datzelfde patroon in beweging. En zo voort.

 

Ze zei: ‘Het was alsof ik naar een choreografie stond te kijken. En dat kwam door dat kunstwerk. Dat kunstwerk had mij anders naar de wereld leren kijken. Ik zag opeens de schoonheid van het gewone leven. Ik kreeg er een nieuwe, bijna, ja liefdevolle relatie mee.’

Amen

 

gebed

O God, u kent ons,

mensen op weg, hoewel, op weg?

Wij bewegen ons van onze geboorte naar onze dood,

maar wij voelen: dat dat niet alles kan zijn en dat de eigenlijke bestemming van een mens een hogere is.

En daarom zijn wij hier, in deze kerk, om te horen dat u ons nabij bent op de vreemde omwegen die wij telkens weer maken.

Wij bidden u om toenadering.

En om te mogen erváren waartoe wij zijn bestemd.

Dat wij onze vruchteloosheid afwerpen

en opnieuw het leven zullen wensen.

 

Wij vragen u dat voor onszelf, en voor wie wij verantwoordelijkheid dragen,

dat wij hen niet op onze dwaalwegen meesleuren,

dat wij hen niet minachten,

dat wij uw schepping niet verwaarlozen zodat zij een wildernis wordt, waarin onze kindskinderen niet meer leven kunnen.

 

Om liefde en eerbied bidden wij, voor alles wat u hebt gemaakt en wat u ons in handen gaf.

 

In de stilte …