12 juni 2016

Dorpskerk Durgerdam       zondag 12 juni 2016

 

voorganger  ds Pieter Lootsma

organist/pianist Chris Helfensteijn

m.m.v. de Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

violen   Jorinde Gray en Linde van de Ven

altviool  Marco Scandurra

cello   Apostoles Pagonis

contrabas  Daniël Muskitta

sopraan  Wil Helfensteijn

alt   Wesley Oversluis

 

in de deze dienst worden Toon Willem Tieleman Alberda van Ekenstein, Huib Focko Cornelis Alberda van Ekenstein en Guus Johan Leonhard Alberda van Ekenstein gedoopt.

 

liturgie

woord van welkom

zingen    NLB 865 (Komt nu met zang)

votum

gebed

Cantorij en strijkkwintet Openingskoor uit Cantate BWV 37 Wer da gläubet und getauft

wird van J.S.Bach (1685 - 1750)

inleiding op de doop  voordracht door de doopvader

strijkkwintet   intermezzo

doop    doopvragen

doop

zegen

zingen    NLB 347: 3   -staande gezongen-

onder het zingen worden de doopkaarsen overhandigd

schriftlezing en overweging

alt en sopraan   Koraal uit Cantate BWV 37 Herr Gott Vater, mei starker Held

 

gebed - stil gebed - Onze Vader (gezongen)

collectes   1. voor de Dorpskerk Durgerdam

2. voor het Waterlandproject (dit jaar: straatkinderen in

Brazilië)

tijdens de collecte speelt het kwintet Air van J.S. Bach uit Suite nr. 3 voor orkest

Cantorij en strijkkwintet Slotkoraal uit Cantate BWV 37

zegen     -staan-

zingen    Durgerdams Liedboek F2 (Verwonderd op weg): 1 en 2

 

gebed

Wij kwamen hier vanmorgen naartoe

in de hoop hier een adres te vinden

voor onze dankbaarheid

voor al het goede dat ons is toegevallen:

voor de goedheid van het leven,

voor het geschenk van vriendschap en liefde

en voor de kinderen die hier vanmorgen gedoopt zullen worden.

 

Maar ook met onze klacht over de builen en de butsen

die wij opliepen aan het leven

kunnen wij hier bij u terecht.

En met onze schuld, over wat wij elkaar aandeden

en wat wij elkaar onthielden.

 

Hoe merkwaardig is dat alles door elkaar gevlochten.

Daarom bidden wij dat er licht, ja dat níeuw licht mag vallen

op dit bestaan dat ons in handen is gegeven.

Dat wij wat goed is, en vreugdevol

en wat pijn doet en wat lijden met zich meebrengt

 met elkaar zullen weten te verbinden

en dat wij mogen leven vanuit een diep en

gemeenschappelijk weten

dat wij in goede handen zijn,

Amen

 

inleiding op de doop

Zo meteen zal de vader van onze drie dopelingen een door hemzelf geschreven gedicht voordragen. Maar eerst wil ik een paar woorden zeggen.

 

De doop van jullie zoons heeft de nodige voeten in de aarde gehad. De aanloop naar deze dag is lang geweest. En dan niet eens zozeer vanwege communicatie of agendaproblemen maar vooral omdat jullie tijd vroegen om je af te vragen én tot je door te laten dringen waarom precies je ernaar verlangde je kinderen ten doop te houden.

 

Ik denk dat er nooit een eenduidig antwoord op die vraag te geven zal zijn. Zoals ik in het gebed aan het begin van deze dienst verwoordde: je zult op zoek zijn naar een adres voor je dankbaarheid. Maar ook het besef van kwetsbaarheid en de verantwoordelijkheid om deze drie jongens zo ongeschonden mogelijk door hun jeugd te loodsen zal je parten spelen. Ook daarvoor zoek je een adres.

 

Als ik het hier heb over het vinden van een adres, dan zullen jullie je meteen afvragen hoe dat zit. Moet je dat letterlijk verstaan? Is er inderdaad iets of iemand die je hoort en ziet en bij wie je terecht kunt? Of is het een uitnodiging om een spel te spelen, een verleidelijk en oeroud spel, dat getuigt van eerbied voor wat er in jouzelf leeft aan verlangen en hoop? En waar jij jezelf aan toevertrouwt omdat het aspecten van het leven naar voren haalt die anders verdwijnen in de slordige hectiek van alledag?

 

Ik ga op deze vragen geen antwoord geven. Maar ik vertrouw erop dat in het gedicht dat jij, Joris, zult voordragen, iets zal doorklinken van hoe jij hiermee omgaat.

 

Doopvragen

1. Vader en moeder Alberda van Ekenstein - ten Cate,

beloven jullie een lieve vader en moeder te zijn,

jullie kinderen te respecteren

met geloof in hun oorspronkelijkheid

en eigen mogelijkheden?

 

Willen jullie voor je kinderen leven,

hen beschermen en leiden

en zijn jullie bereid te accepteren

dat zij eens het ouderlijk huis zullen verlaten

en de wereld in zullen gaan?

 

Beloven jullie hen met vertrouwen op te voeden

zodat zij, eens volwassen geworden,

kunnen bevestigen wat met de doop gegeven is?

Wat is daarop jullie antwoord?

 

2. Willen jullie gedoopt worden omdat je hoopt dat dat je vertrouwen zal sterken en dat je daarom minder bang en dapperder zult zijn? En omdat je graag bij al die mensen wilt horen die voor jullie geleefd hebben en die ook gedoopt zijn?

 

doop en zegen

met welke namen .. :

 

Toon Willem Tieleman

‘IK HEB JOU UIT HET WATER GETROKKEN’ (Exodus 2: 10)

 

Huib Focko Cornelis

‘AL GA IK DOOR EEN DAL VAN DIEPE DUISTERNIS, IK VREES GEEN KWAAD WANT GIJ ZIJT BIJ MIJ’ (Psalm 23: 4)

 

Guus Johan Leonhard

DE WOLF EN HET LAM ZULLEN TEZAMEN WEIDEN EN DE LEEUW ZAL STRO ETEN ALS HET RUND. ER ZAL GEEN KWAAD MEER ZIJN NOCH VERDERF. (Jeremia 65: 25)

 

schriftlezing en overweging

Toen ik vorige week bij jullie op bezoek was en vroeg of er een verhaal is dat een speciale betekenis voor jullie heeft of dat je in het bijzonder aanspreekt, hoefde ik niet lang op een antwoord te wachten. Ik geloof dat jij (Toon) het was die zei dat jij het verhaal over Mozes die in een mandje gelegd wordt en zo, dobberend over het water, gered wordt, het mooiste verhaal vindt. Daarom ga ik dat verhaal vanmorgen voorlezen. En daarna zal ik er kort iets over vertellen.

 

Ik lees een gedeelte voor uit de kinderbijbel Woord voor Woord en daarna lees ik het vervolg uit het boek Exodus, hoofdstuk 2 vers 5 tot en met 10.

Exodus 2: 5 Toen kwam de dochter van Farao om in de Nijl te baden, en intussen wandelden haar dienaressen langs de Nijl; zij zag het kistje in het riet en zond haar slavin om het te halen. 6 Toen zij het open deed, zag zij het kind, en zie, het jongetje schreide, zodat zij medelijden met hem kreeg. … Toen zeide zijn zuster tot de dochter van Farao: Zal ik voor u uit de Hebreeuwse vrouwen een voedster gaan roepen, om het kind voor u te zogen? 8 En de dochter van Farao zeide tot haar: Ja. Toen ging het meisje de moeder van het kind roepen. 9 En de dochter van Farao zeide tot deze: Neem dit kind mee en zoog het voor mij, dan zal ik u het u toekomende loon geven. Daarop nam de vrouw het kind mee en zoogde het. 10 En toen het kind groot geworden was, bracht zij het naar de dochter van Farao; en hij werd door haar als zoon aangenomen, en zij noemde hem Mozes, want, zeide zij: ik heb hem uit het water getrokken.

 

Het is een misschien wel overbekend verhaal dat in geen kinderbijbel ontbreekt. Dat jij (jullie zoon) het had onthouden en dat het indruk op jou (hem) heeft gemaakt, wil zeggen dat het tot de verbeelding spreekt. Maar waar zou het over gaan? Wat zou de reden zijn dat ook dit verhaal eeuw in eeuw uit is doorverteld, letterlijk tot op de huidige dag? Wat hebben al die ouders, grootouders, leraren en kunstenaars erin gehoord dat zij dat keer op keer de moeite waard hebben gevonden? Daarover is veel te zeggen. Zo’n verhaal kent verschillende lagen. Maar ik heb er, voor vanmorgen, eentje uitgekozen.

 

Het verhaal begint met de mededeling dat er een koning over het land heerst ‘die Jozef niet gekend heeft’. Dat staat daar niet toevallig. Wat de verteller duidelijk wil maken, is dat het donker is in het land. Dat is het niet altijd geweest. Eens was het anders. Eens was er een koning die vermoedde dat die vreemde Jozef die gevangen zat in de donkere, ondergrondse kerkers van zijn paleis hem wat te zeggen had. En dat hij dus naar hem zou moeten luisteren.

Dat hij Jozef een plaats zou moeten geven in het leven dat jij leidde. Toen hij dat deed, ontstond daar aan de oever van de rivier een paradijs op aarde. Door toedoen van Jozef. Maar ook door toedoen van de koning die de wijsheid van Jozef als een geschenk zag en hem naast zich op de troon plaatste.

 

En toen, de jaren kwamen en de jaren gingen, toen kwam er een koning die Jozef niet kende. Dat wil zeggen dat hij zich niet ontvankelijk betoont voor die stem die spreekt vanuit de diepten van het huis dat hij bewoont. Integendeel, hij wil er niet aan worden herinnerd dat zijn waarheid en zijn werkelijkheid wel eens heel betrekkelijk zouden kunnen zijn. Dat er aspecten van het leven zijn die hij over het hoofd ziet. Maar misschien heeft hij daarvan toch ergens wel een vermoeden. Want hij beveelt dat alle jongetjes die verwant zijn aan Jozef omgebracht moeten worden. Blijkbaar moet die stille, verborgen stem tot zwijgen worden gebracht.

 

Hoe de koning heet vertelt het verhaal niet. Dat zou kunnen zijn om duidelijk te maken dat zo’n mannetjesputter geen naam mag hebben. Maar wat ook zeker speelt is dat het niet zozeer om dat ene mannetje gaat, maar over een afschuwelijke menselijke mogelijkheid. Iets van alle mensen van alle tijden en alle plaatsen. In al deze verhalen wordt de spanning uitgebeeld tussen het naar zichzelf toe redenerende machtsdenken aan de ene kant, en het in vertrouwen gul van je áf te kunnen leven aan de andere kant.

 

Aan de ene kant staat Jozef die een aantal verhalen lang laat zien wat het is om vertrouwensvol in het leven te staan. Daartegenover staat de mens die niets van hem afweet. Die hem zelfs niet kent. Of wil kennen. Die hem het liefst wegbergt in de donkere kerkers van het huis dat hij bewoont. Dat is de mens die zichzelf afsluit voor het geheim dat dit leven draagt. Hij verdedigt dat koninkrijk te vuur en te zwaard.

 

Het lijken twee heel verschillende werelden te zijn, die van de koning die Jozef niet kent én die van Jozef en zijn erfgenamen. Aan de ene kant dus de wereld van de macht die vanzelfsprekend gebaseerd is op de overmacht van de grote getallen en op uiterlijk vertoon. En aan de andere kant staan de mensen in een kwetsbare hulpeloosheid. Van hen wordt verlangd dat zij zich staande houden in een wereld die hen niet of nauwelijks ziet staan. En waarin zij geen stem hebben. Hoe zíj op de been blijven? Dat heeft te maken met hun vermoeden dat de wereld van de Farao niet het laatste woord zal hebben. Áls er zoiets als gerechtigheid bestaat, als waarheid en waarachtigheid niet enkel een idee-fixe is, dan zal dat eens aan het licht komen!

 

Het lijken twee heel verschillende werelden die aan één kant haaks op elkaar staan. Maar dat is tot op zekere hoogte maar schijn. In feite staan zij heel dicht bij elkaar. Zij ontmoeten elkaar voortdurend. Daarover vertelt het verhaal van dat biezenmandje. Over hoe die twee werelden elkaar opzoeken, en blijven opzoeken, en elkaar niet loslaten.

 

Mozes zal eruit hebben gezien als iedere andere Egyptische hoveling. Hij zal de taal hebben gesproken. Uiterlijk neemt hij deel aan het leven rond de farao. Hij zal zijn dagelijkse offers gebracht hebben op de altaren van de farao. Maar op de één of andere manier zijn zijn drijfveren en bronnen toch andere dan die in zijn omgeving in zwang zijn. Op de één of andere manier is hij zich bewust van de betrekkelijkheid van wat hij om zich heen ziet. Dat geeft hem een zekere distantie. Hij laat zich niet meteen meeslepen door wat er om hem heen belangrijk wordt gevonden. En precies daarin schuilt het geheim van zijn grootheid. En van de mogelijkheid zijn wereld te beïnvloeden en te veranderen.

 

In onze samenleving is het overigens ook zaak om niet al te herkenbaar godsdienstig te zijn. Dat geldt voor wie zich verbonden weet met de christelijke traditie net zo goed als voor de kinderen van de islam. Wij hebben het niet zo op openlijk godsdienstige mensen. Godsdienst is zoiets als een hobby geworden: het is natuurlijk prima om iets met de bijbel of de koran te hebben maar doe dat dan bij voorkeur wel in je vrije tijd. De verhalen van Mozes worden beschouwd als behorende tot een levensterrein dat los staat van de rest van het bestaan. Je kunt er je buren en collega’s niet mee lastig vallen.

 

Dat heeft ertoe geleid dat ook de kerken zich nauwelijks durven uit te spreken over wat er aan de hand is in het publieke domein. Alles wat bij voorbeeld naar politiek zweemt lijkt er een taboe te zijn geworden. Dat laat zich natuurlijk wel verklaren. Godsdienst, kerk en moskee worden zo dikwijls beleefd als een beperkende en beknellende factor in de ontwikkeling van het gewone leven. Zowel in de kleine kring van het eigen huis en de familie, als ook in de samenleving als geheel. In beide grote godsdiensten in Nederland zijn hiervan ook inderdaad voorbeelden te vinden. Het blijkt voor gelovige tradities heel moeilijk te zijn om gelijke tred te houden met de vaak heel ingrijpende vragen die de ontwikkelingen in de samenleving oproepen. Daarom worden zij weggezet als een remmend anachronisme: ‘Weg jullie! En val ons niet langer lastig met je misplaatste bemoeienis!’

 

Maar hoe begrijpelijk misschien ook, er hapert wel iets. Net zomin als de farao de pasgeboren jongens kan verdrinken in de hoop hun wereld tot zwijgen te brengen, kan de kerk doen alsof de farao er niet is. Het gaat niet aan die twee van elkaar gescheiden te houden. Beide partijen onthouden elkaar daarmee iets wezenlijks.

 

Het gaat, en daarover vertelt dat verhaal van vanmorgen, om de wonderlijke, vaak onzichtbare verwevenheid van het één en het ander: van de wereld van de farao en de wereld die Mozes en de zijnen representeren. Wij lazen hoe dat jongetje in zijn eigen, kleine ark (de vertellers gebruiken voor dat biezenmandje hetzelfde woord als voor het schip waarin Noach en de zijnen de zondvloed overleefden), hoe dat jongetje argeloos de wereld van de farao komt binnendrijven. Zoals die farao indertijd Jozef aan het licht bracht, zo weet deze farao met behulp van zijn dochter, Mozes op te diepen. Deze verovert zich een plek aan het hof. Daar maakt hij deel uit van twee werelden. Hij geeft gestalte(!) aan wat je kunt noemen ‘een dubbele loyaliteit’. Dat hoeft niet ten koste te gaan van zijn roeping of integriteit. Hij weet die twee werelden op elkaar betrokken te houden. Daarvoor lijkt hij geen kerk, moskee of tempel nodig te hebben. Het is een levenshouding, een manier van doen. En van laten.

 

Tot slot. De dochter van de koning, die hem gevonden heeft, geeft hem de naam Mozes. ‘Want’, zegt zij, ‘ik heb hem uit het water gehaald’. ‘Hij die uit het water is getrokken’, in die naam zit zijn roeping verborgen: deze Mozes zal straks, op zijn beurt zijn hele vólk uit het water trekken. In zijn vrijmoedige verbondenheid met zowel de farao als met zijn meest eigen bronnen, weet hij een nieuwe werkelijkheid te scheppen.

 

Het is altijd lastig om precies te verwoorden waarom je je kinderen zo graag wilt laten dopen. Er is geen enkel ouderpaar dat dat kan. Maar altijd weer speelt mee dat je zo vurig hoopt dat je kind zijn eigenheid niet zal verliezen. Dat het niet ten prooi zal vallen aan de gulzige macht die bepaalt hoe de koek verdeeld wordt. Met andere woorden: je hoopt dat er altijd ook een ander geluid, een tegengeluid zal opklinken in het hart van je kind. Door je kind te laten dopen, maak je duidelijk dat jij, als vader of als moeder, dát geluid ernstig wilt nemen. Omdat ook jij vermoedt dat wat het leven de moeite waard maakt, wortelt in een vruchtbaar samenspel van het één en het ander.

Amen

 

gebed

Traditiegetrouw lees ik met u op deze laatste zondag voor de vakantie het reisgebed van Gerard Reven. Ik leid het, voor degenen die er nog niet vertrouwd mee zijn, even in.

 

De Katholieke traditie kent min of meer vaste reisgebeden waarvan sommigen al eeuwen oud zijn en hun oorsprong vonden in de kloosters die gelegen zijn langs pelgrimsroutes zoals bij voorbeeld die naar Santiago. In 1965 klaagde de indertijd bekende pater Henri de Greeve in een meditatie in het weekblad De Nieuwe Linie dat nog maar zo weinig mensen die oude reisgebeden uit hun hoofd kenden. Aloude en alom bekende regels dreigden verloren te gaan en de Greeve vond dat jammer. Hij was bang dat het kind met het badwater zou worden weggegooid.  Ik noem u twee van de regels waar de Greeve op doelde: ‘verleen ons een voorspoedige reis en kalm weder, opdat wij door uw heilige engel vergezeld, behouden het doel onzer reis mogen bereiken en eindelijk ook de haven van het eeuwige leven mogen binnengaan’ en ‘wij smeken u, Heer, verhoor onze gebeden en maak de weg van uw dienaren veilig en voorspoedig, opdat wij bij al de wisselvalligheden van dit leven altijd door uw hulp beschermd worden.’

 

De schrijver Gerard Reve schreef de pater een brief als reactie zijn uitlatingen over het verdwijnen van de oude reisgebeden. Ik ga u die brief voorlezen. Het is een typische Reve-brief: direct van toon en hij schuwt het niet om heilige huisjes omver te stoten. Maar aan het eind van zijn brief staat een reisgebed dat Reve schreef in een poging de traditie van de reisgebeden te vernieuwen. Het is dat gebed waar het mij om gaat.

 

Waarde Vader,

Ik ben nog nooit een gebed tegengekomen dat mij niet, wegens zijn hebberige toon, met weerzin vervulde. Die weerzin geldt ook uw reisgebed, afgedrukt bij uw meditatie in het nummer van 28 augustus. Wie op reis gaat, bestede zijn tijd liever aan bijvoorbeeld het laten controleren van remmen en richtingaanwijzers, dan aan dit infantiel gedoe.

Ik zou eindelijk wel eens een gebed onder ogen willen krijgen, dat God zoekt, in plaats van Hem, om van alles en nog wat, aan Zijn kop te zeuren. Uw gebed heeft, volgens mij, met geloof niets te maken, want waarachtig geloof is belangeloos en vraagt niets, en smeekt zeker geen onheil af over anderen: want het kan niet overal tegelijk mooi weer zijn, en we weten evenzeer dat elke dag, onherroepelijk, een aantal ongelukken gaat brengen.

 

Welnu: als men voor zichzelf goed weer of een veilige tocht afsmeekt verzoekt men God dus, de naaste met tent en al te laten wegregenen, respectievelijk zich te pletter te laten rijden, want iets in de trant van ‘indien het uw wil is dat iemand op de weg omkomt, laat mij dat dan zijn’ kom ik in uw gebed niet tegen. Een reisgebed, dat God en mens althans waardig genoemd zou kunnen worden, zou ongeveer als volgt moeten luiden:

 

‘O God. Ik sta op het punt op reis te gaan. Ik weet niet, of het misschien mijn laatste reis is. Ik wil u liefhebben. Ik hoop, dat ik onderweg niemand enig ongeluk of ander kwaad zal berokkenen.

Ik wil proberen niet, of veel minder, te drinken. Ik sta voor U. Ik weet dat ik, of ik veilig zal aankomen dan wel onderweg verwonding, ziekte of dood zal vinden, altijd U toebehoor. Want in leven en sterven zijt Gij in mij, en ben ik in U. Ik ga nu weg. Vaarwel, o God.

Met de meeste hoogachting ben ik,

uw Gerard Reve’