29 mei 2016

Dorpskerk Durgerdam      zondag 29 mei 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Simon Plemp

 

liturgie

piano    uit Sonata voor fluit  in C Major (BWV 1033) Adagio, Menuet I &

II van J.S. Bach

welkom

zingen    NLB 675 (Geest van hierboven): 1

votum    DD Liedboek 3 (Vrede zij u allen ..)

gebed

zingen    NLB 675:2

schriftlezingen

zingen    NLB 655: 1, 2, 3 en 4

overweging

piano    Andante in C Major (D.29) van F. Schubert

gebed, stil gebed, Onze Vader

collectes   1. Voor de Dorpskerk Durgerdam

2.

zingen    DD Liedboek f3 (Ga met ons mee)

zegen

 

gebed

Onze dagen rijgen zich aaneen

en gaan maar al te vaak voorbij,

zonder werkelijk indruk na te laten.

Wij offeren ons leven

aan de dagelijkse gang van zaken.

 

Omdat er altijd zoveel móet

en omdat onze spankracht maar beperkt is,

hebben wij weinig oog voor

wat zich aan pijn en moeite

aandient om ons heen.

Willens en wetens,

omdat wij ervoor kiezen:

(ook wijzelf zijn tekort gedaan – en ben ik mijn broeders hoeder?),

of óngewild, omdat wij blind geworden zijn

voor alle leegte en gemis

in het hart van hen met wie wij leven.

 

Verder weg

van wat ons dagelijks in kringen rond doet gaan

is een wereld vol onopgeloste vragen en problemen,

overweldigend in getal en heftigheid,

zozeer dat wij er stil van worden,

en machteloos of cynisch zelfs.

En terwijl de wereld almaar kleiner wordt,

raken wij stuurloos en

neemt de vervreemding toe.

Op welke manier en waar en hoe

kan voor betrokkenheid

een leefbare en zinvolle vorm worden gevonden?

 

Misschien is het daarom dat wij hier naartoe kwamen

omdat wij verlangen naar en hopen op

een bestaan

dat transparant is en zicht biedt op

wat er in onze werkelijkheid gelegd is aan belofte en troost,

aan schoonheid en liefde,

en dat dat ruimte schept voor een bestaan

in hartelijke en liefdevolle vrijmoedigheid.

Amen

 

schriftlezingen

Vanmorgen lees ik u twee fragmenten voor uit twee verschillende Bijbelboeken. Het eerste vertelt het verhaal van de Toren van Babylon uit het boek Genesis. En het tweede is het verhaal van Pinksteren uit het boek Handelingen der apostelen. Nu realiseer ik mij natuurlijk dat het Pinksterfeest intussen twee weken achter ons ligt. Maar mij is onlangs iets overkomen dat ik rechtstreeks aan het Pinksterfeest verbond en het leek mij zonde om er een vol jaar mee te wachten voordat ik het u kan vertellen. Dan is het een opgewarmd kliekje terwijl het nu in zekere zin heet van de naald is.

 

Vooraf moet ik u misschien even kort vertellen dat van oudsher met Pinksteren (het Pinksterfeest bestond al eeuwenlang voordat de leerlingen van Jezus het vierden; zij waren bij elkaar gekomen, juist om Pinksteren te vieren) op dat feest het verhaal gelezen van Mozes die met de stenen tafelen waarop de Tien Geboden staan de berg Gods afkomt. Met dat verhaal wordt ons een gedachte of een besef aangereikt dat rijmt op wat Lucas in het boek Handelingen vertelt. Met die stenen tafelen geeft Mozes ons het goddelijke visioen van vrijheid en gerechtigheid in handen. Wij kunnen, wat Mozes ons aanreikt, ons toe-eigenen. Gods vrijheid is geen afstandelijke abstractie maar iets dat in onze harten gegrift staat. Wij kunnen ons daardoor laten inspireren. Als wij willen weten wat waar is en waarachtig, als wij op zoek gaan naar wat werkelijke vrijheid is, is het nergens voor nodig verwachtingsvol naar de hemel te staren. Wij kunnen de kennis daarover opdiepen uit ons eigen hart. Daarom wordt Pinksteren ook wel gezien als het feest van de uiteindelijke emancipatie van de relatie tussen God en ons mensen.

 

Genesis 11: 1 De gehele aarde nu was één van taal en één van spraak. 2 Toen zij oostwaarts trokken, vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden. 3 En zij zeiden tot elkander: Welaan, laten wij tichelen maken en die goed bakken. En de tichel diende hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem. 4 Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden. 5 Toen daalde de Here neder om de stad en de toren, die de mensenkinderen bouwden, te bezien, 6 en de Here zeide: Zie, het is één volk en zij allen hebben één taal. Dit is het begin van hun streven; nu zal niets van wat zij denken te doen voor hen onuitvoerbaar zijn. 7 Welaan, laat Ons nederdalen en daar hun taal verwarren, zodat zij elkanders taal niet verstaan. 8 Zo verstrooide de Here hen vandaar over de gehele aarde, en zij staakten de bouw van de stad. 9 Daarom noemt men haar Babel, omdat de Here daar de taal der gehele aarde verward heeft en de Here hen vandaar over de gehele aarde verstrooid heeft.

 

Handelingen 2: 1 En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. 2 En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; 3 en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; 4 en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. 5 Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel; 6 en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want eenieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

 

overweging

Iemand vroeg mij om een gesprek. Hij wilde het hebben over de vraag wie of wat God is, over wat hij zich bij die drie letters voor moet voorstellen. In de loop van de tijd was hij vooral gaan zien wat God allemaal níet is. Maar hij was eraan toe het een en ander wat transparanter te maken en woorden te vinden voor wat God voor hem betekent. Hij had het gevoel te kort te zijn geschoten in de opvoeding van zijn kinderen. Niet alleen ging geen van hen ooit nog naar een kerk, zij leken bovendien geen enkele affiniteit te hebben met die traditie die voor hem zo wezenlijk was. Toen hij met zijn vraag bij mij kwam, woog het mee, dat hij zijn kinderen zo graag zou willen kunnen vertellen over hoe hij zich thuis weet in dat geloof.

 

In de loop van ons gesprek neigde hij er meermalen toe de vraag toch maar te laten rusten. Twee gedachten speelden daarbij een rol. De eerste was dat hij inzag dat woorden hem niet dichter bij een antwoord brachten. Hij herinnerde zich een zin uit het boekje Geloven in een god die niet bestaat van Klaas Hendrikse dat ‘god niet bestaat maar gebéurt’. Misschien moest hij daar maar op wachten. Hij zou niet weten hoe dat eruit zou moeten zien maar hij zag geen alternatief meer. De tweede gedachte die opkwam was eigenlijk meer een ervaring. Tal van keren had hij geprobeerd met zijn familie over zijn geloof te praten. Maar evenzo vele keren was het uitgelopen op iets dat leek op ruzie. Hij voelde zich ten ene male onbegrepen en zijn familie bekeek hem dan wel meewarig dan wel schamper, beide, zowel het een als het ander, vanwege zijn in hun ogen achterhaalde en sentimentele ideeën. Letterlijk zei hij: we spreken een volstrekt verschillende taal en ik geef het op om nog te proberen de kloof te overbruggen.

 

We stelden de vraag wat de reden zou kunnen zijn dat hij zijn kinderen zo graag over zijn godsvertrouwen wilde vertellen. Dat bleek heel genuanceerd te liggen. Hij wilde dat zijn kinderen hem zouden begrijpen. En een aspect daarvan was dat hij het zo slecht verdroeg dat zij hem zagen als iemand die het spoor bijster was, die niet meer helemaal ernstig genomen kon worden en met wie je bepaalde gesprekken dus maar beter niet kon voeren.

 

Ik ben niet zo goed thuis in de bijbel als wellicht van mij verwacht mag worden. Maar op enig moment kwam, al pratende, het verhaal van de toren van Babel in mij op en ik vroeg hem of hij het goed vond als ik het er eens bij zou pakken. Helemaal zeker van mijn zaak was ik niet en ik was al ten dele gerustgesteld toen ik zag dat dat verhaal maar een paar regels behelst. Met enige aarzeling las ik hem die regels voor. En tot mijn verrassing sloeg hij meteen aan op het vierde vers waarin de woorden staan: Laten wij ons een naam maken. ‘Zou dat verlangen mij parten spelen?’, vroeg hij, ‘is dat waar ik mee bezig ben, mij een naam te maken?’ We spraken erover wat dat zou kunnen betekenen. En in hoeverre daar in zijn geval sprake van was. We kwamen er niet helemaal uit maar dat zoiets als de angst om naamloos ten onder te gaan hem parten speelde, werd wel duidelijk. In het brede palet van bedoelingen om zijn kinderen over zijn religieuze gevoeligheid te vertellen, bleek dat een in het oog springende kleur te zijn. Het idee om op een zekere dag onbegrepen en dus niet gekend te moeten sterven bleek een schrikbeeld te zijn.

 

De Tien Geboden die Mozes het verdwaalde en verdwaasde volk aanreikte, vormen met elkaar een kernachtige samenvatting van wat die oude schrijvers en vertellers zich bij vrijheid voorstelden. Met z’n tienen vormen zij de definitie van een volkomen vrijheid. En dan geen vrijheid in de zin dat je lekker mag doen wat je wilt of dat je zoveel geld hebt dat je je tong naar iedereen kunt uitsteken, maar wérkelijke vrijheid: dat je zo stevig in je schoenen staat dat je je eigen beslissingen kunt nemen en dat je je niet langer laat gezeggen door wat hoort of moet, door wat je ouders met je voor hebben of wat de buren fluisteren. Voor wie vrij is, is dat allemaal grenzeloos betrekkelijk.

 

Vanmorgen beperk ik mij tot een paar opmerkingen over alleen het eerste gebod: Ik ben de God die jullie uit Egypte heeft bevrijd, uit de slavernij. Andere goden verdienen het niet om te worden vereerd. Om een idee te kunnen krijgen van wat hier bedoeld is, moet u weten dat het Hebreeuwse woord voor Egypte zoiets als Angstland betekent, het land waar je onvrij bent omdat angsten je op de hielen zitten. Het is dan ook niet zozeer een topografische aanduiding van een staat maar verwijst veeleer naar een ‘state of mind’. Waar dit gebod toe uitnodigt, is het inzicht dat alle machten die op ons inwerken en die wij geneigd zijn als absoluut en onontkoombaar te beschouwen, waar wij, met andere woorden, voor buigen, uiteindelijk ontmaskerd zullen worden. Wij laten ons een oor aannaaien. Wij dansen naar de pijpen van werkelijk van alles en nog wat. Veelal uit angst. Of uit gehoorzaamheid. Maar Angst en Gehoorzaamheid zijn twee broertjes die hand in hand door het leven gaan. Er komt een dag waarop alles waar wij voor buigen en onze oren naar laten hangen niet zoveel voor zal blijken te stellen. Dan zullen wij het één en het andere in de juiste verhoudingen kunnen zien en al die machten het relativeren. Ál die machten op één na. Er is maar één die overeind blijft. En dat is het momentum waarop jij je angsten achter je liet, waarop je rechtop ging staan en een eigen stem en een eigen gezicht kreeg. Dát momentum, houd dat vast, keer daarnaar terug en laat je daardoor dan gezeggen.

 

Dat zogenaamde ‘Egypte’ kan heel uiteenlopende gedaanten aannemen. Zoals er tal van (vaak karikaturale) fantasieën leven over wat bevrijding en vrijheid is, zo bestaan er ook tal van karikaturen van wat onvrijheid is. Vrijheid in de bijbel is het beschikken over de mogelijkheid gestalte te geven aan jouw oorspronkelijkheid, om ‘ja’ te zeggen op wat jij jouw exclusieve roeping weet te zijn. En onvrijheid is wat jou daarvan afhoudt. En met name die onvrijheid kent vele gezichten zoals bij voorbeeld het hopeloze gevoel dat de wereld en de mensen je op de hielen zitten. Overal loop je op tegen je plichten en verplichtingen, verantwoordelijkheden en zorgen. Almaar dat eindeloze móeten. En waartoe het uiteindelijk leidt? Brengt het je ergens? Of houd je jezelf voor de gek met een waan over wie en wat jijzelf bent en van wat er van je wordt verlangd? Ach, je bent niet eens meer bij machte een antwoord te zoeken op de vragen die er op je afstormen. Daarvoor ben je intussen te moe. En misschien wel te bang. Deep down zou je het liefste helemaal alleen met jezelf willen zijn, geen anderen die aan je trekken. Je zou de dekens over je hoofd trekken en nergens aan hoeven denken. Hoe aanlokkelijk dat ook mag klinken, in de bijbel wordt dat met onvrijheid geassocieerd.

 

Ik heb het al vaker verteld dat het mij met een zekere regelmaat overkomt dat bruidsparen contact zoeken en in het kennismakingsgesprek voorzichtig opbiechten dat zij eigenlijk nooit in de kerk komen. ‘Maar’, volgt er dan, ‘wij leven wel naar de Tien Geboden’. Wat zij bedoelen is dat zij die Tien Geboden hebben leren lezen als een samenvatting van de christelijke ethiek of moraal. En die hebben zij zich naar eigen zeggen eigen gemaakt: zij gaan wel niet ter kerke, maar zij spreken netjes met twee woorden, vloeken met mate, betalen belasting, stelen en doden niet en zij zijn voor alsnog niet van zins hun aanstaande huwelijk op te breken.

 

Natuurlijk is daar allemaal niets mis mee. Integendeel zelfs. Goed en verantwoordelijk gedrag vormt de basis van een volwassen samenleving. Maar het is een misvatting te denken dat die Tien Woorden zich daarover uitspreken. Die bruidsparen plaatsen ze, evenals vele anderen, in het domein van de moraal. Daarin vergissen zij zich. We hebben het hier over religie, en over spiritualiteit. En wie eens de tijd neemt om te rade te gaat bij de momenten waarop hij werkelijk religieus ontroerd was, weet dat religie en moraal op een uiterst gespannen voet met elkaar staan.

 

Ik ben de God die jou uit Egypte bevrijdt, houd mij in ere. Je ontmoet mij op het moment dat je die dekens die je over je hoofd getrokken hebt, opslaat en het zonlicht je ogen raakt. Wanneer je de vogels hoort zingen en jij je op een wonderlijk nieuwe manier ontspant. Dat is geen morele oproep; het is een ervaring die beloftevol boven zichzelf uitwijst - zoals al die Tien Geboden woord geven aan momenten waarop wij de weg vinden, wég uit onmacht en krampachtigheid.

 

Ik kom nog even terug op het gesprek waarmee ik deze preek begon, dat gesprek over de vraag of er woorden zijn voor wie of wat God nu eigenlijk is. Dat gesprek had een wat mij betreft prachtige en onverwachte afloop. Omdat wij geen van beiden haast bleken te hebben, vertelde hij nog even over recente wandelvakantie met een van zijn zoons in Frankrijk. Het was een belevenis geweest om zo met zijn zoon op stap te zijn. Het wondermooie glooiende landschap met in vrijwel ieder dorp een Middeleeuws kerkgebouw had bij de vader de behoefte opgeroepen over zijn godsvertrouwen te spreken. Maar hij had zich ingehouden. Zijn zoon leek zijn religieuze ontroering niet te delen. Het leek alsof zij verschillende talen spraken. Soms liepen zij uren zwijgend naast elkaar. Dat was op momenten bijna pijnlijk, die stilte. Maar er waren ook momenten dat die stilte op een plezierige manier gevuld raakte. Naarmate de dagen verstreken kwam de vader meer een meer onder de indruk van de schoonheid van zijn zoon. Niet alleen van zijn krachtige lichaam, maar vooral van zijn denken en voelen. De jongen vertelde over zijn werk in de zorg voor mensen met zowel een geestelijke als lichamelijke handicap. Die mensen waren in de manier waarop hij erover sprak ten volle ménsen, hun tekorten ten spijt. En bovendien was zijn relatie met hen tot verbazing van zijn vader volstrekt wederkerig. Zijn zoon vertelde hoe hij zich in zijn werk herkend voelde in wie hij in wezen is.

 

Nu moet u letten op de beelden die ik gebruik. Want ze zijn allemaal ontleend aan het Pinksterverhaal uit het boek Handelingen en ik hoorde ze terug in het verhaal dat de vader mij vertelde.

 

Met dat de dagen verstreken ging er een andere wind waaien in de omgang van vader en zoon. De vader ging zijn zoon met nieuwe ogen bezien. De verhouding draaide zich om. Zijn verlangen te vertellen over wat hem bewoog en bezighield verdampte en hij kwam terecht in de rol van toehoorder, luisteraar. Het eenvoudige enthousiasme van zijn zoon raakte hem meer dan hij voor mogelijk had gehouden. Maar pas toen hij mij dit verhaal op de valreep van ons gesprek vertelde, realiseerde hij zich als een donderklap bij heldere hemel, dat zij, zijn zoon en hij samen in Frankrijk, dan wel niet over God spráken maar dat God daar gebéurde! Gezamenlijk liepen zij verder, de volgende heuvel op. En bovenop gekomen keken zij uit op een zich voor het eerst ontvouwend landschap dat zachtjes aangeraakt werd door de voorjaarszon.

Amen

 

gebed

In een wereld waarin zoveel speelt

dat wij intussen het overzicht dreigen te verliezen,

wordt ons verteld dat u inbreekt ín

onze verwarring en onze zorgen en zorgjes –

dat u alles waar wij op vastlopen

en tegenaan hikken

in een volstrekt ander licht zet.

 

En of het waar is?

Wie zal het zeggen?

Maar alleen al de gedáchte dat het waar zou kúnnen zijn,

is zo onvergetelijk schoon

dat wij bereid zijn tot onze dood

de oren te spitsen

of wij het soms horen mochten.

 

Dankbaar zijn wij u voor die mensen in ons leven

die ons, hoe gebrekkig ook,

op het spoor van u hebben gezet.

 

Wij vragen om de moed, de volwassen kinderlijkheid,

en de humor,

om het met u te wagen.

Om creativiteit bidden wij u,

en om de huiver

om eerbiedig te verkeren met, zeg maar,

dat kind dat u in ons midden legt.

Dat wij niet werkeloos toezien

als het wéér teniet gedaan wordt, vervolgd,

verloochend, gemarteld, gekruisigd.

 

Bindt ons opnieuw dat verhaal van uw

nabijheid op het hart.

Laat het ons bang te moede worden

als midden in deze gevaarlijke wereld

plotseling de zon van uw goedheid over ons opgaat.

Dat wij zien hoezeer wij gevangen zijn in

een drift om te presteren, om ons gelijk te halen,

en in verbittering, luiheid, ongeloof,

och al dat gedool en gedwaal van ons,

help ons daar uit.