24 april 2016

DORPSKERK DURGERDAM       zondag 24 april 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Simon Plemp

 

liturgie

piano     Chaconne van G.F. Händel

welkom

zingen     NLB 657 (Zolang wij ademhalen): 1 en 3

votum     DD Liedboek 9

gebed

zingen     NLB 657: 4

schriftlezing    Marcus 16: 9 - 18

zingen     NLB 632 (Dit is de dag)     

overweging

piano     Largo, vivace en largo uit fluitsonate in h moll van G.F. Händel

zingen     DD Liedboek h1 (Hij die gesproken heeft): 1 en 3

gebed

stilte

Onze Vader (gezongen)

piano     improvisatie  

zingen  -staan-   LvdK 412 (O heer die daar)

zegen

 

gebed

In ons lied klinkt ons verlangen door

naar een wereld die afgerekend heeft

met alles dat ons schendt, verkracht, verwart en pijn berokkent.

Waar wij op hopen en wat wij zouden willen dat gebeurt

komt niet in de buurt van wat wijzelf bewerken kunnen.

Wat wij verlangen en zelfs af zouden willen dwingen,

(dat er een einde komt aan de lamlendigheid en het slordige níets doen aan wat er aan de wereld schort)

staat létterlijk godvergeten ver ons vandaan.

 

Want is er een God die met ons te doen heeft?

Of is hij als al die anderen

die voorbijgaan aan wat oneindig zwaar

en eenzaam is?

Niet dat wij dat geloven,

of liever: niet dat wij dat geloven wíllen.

Wij zoeken een stil maar stevig vertrouwen

en een ontfermend mededogen.

 

En hoe aarzelend ook,

ook omdat wij het anders ook niet weten,

bidden wij daarom:

Heer ontferm u over ons.

Amen

 

schriftlezing

In deze weken na Pasen worden traditiegetrouw verhalen gelezen over de verschijningen van Jezus. Het zijn verhalen die vertellen hoe waar wij mee dachten te hebben afgerekend, hoe wat wij dachten te hebben weggestopt (of: weggeborgen) zich opnieuw aandient. En hoe het ons uitnodigt om deel te krijgen aan ons bestaan. Mat Pasen vierden wij, althans dat is een volstrekt legitieme benadering, dat die kanten van ons die wij weggeborgen hebben opstaan uit hun ‘graf’ uit dat graf tevoorschijn komen omdat zij een rol willen spelen in dat leven van alledag. Met andere woorden: met Pasen staan wij stil bij de gedachte dat wij de mogelijkheid in ons dragen om complete, hele mensen te worden.

 

Wanneer wij het hebben over onze weggeborgen kanten of gevoelens, dan gaat het al gauw over onze kwetsbaarheid en wat daarmee samenhangt. Wij manifesteren ons alsof wij het prima redden in de chaos die het met elkaar samenleven vaak is. Dat ons dat vaak moeite ons dat kost en dat wij af en toe vrezen ten onder te zullen gaan, brengen wij, als het even kan, niet in beeld. De angst ten onder te gaan, duwen wij weg.

 

Maar vanmorgen wil ik het nu eens niet over die kwetsbare kanten hebben maar over onze sociaal ongewenste kanten. Want ook die hopen wij te hebben begraven. Ik denk dan aan de boosheid die er in ons woont. Vanmorgen zal het voornamelijk daarover gaan. Maar ik zou ook de jaloezie kunnen noemen. Of sommige van onze seksuele verlangens, noem maar op. Het is dringen in dat graf. Vanmorgen hoop ik de steen die ervoor ligt een klein beetje opzij te rollen om eens te kijken of wij onze boosheid, al is het maar voor even, onder ogen kunnen komen.

 

Maar eerst lees ik een aantal verzen uit het 16-de hoofdstuk van het evangelie naar Marcus:

 

Marcus 16: 9 [Toen Hij des morgens vroeg op de eerste dag der week opgestaan was, verscheen Hij eerst aan Maria van Magdala, van wie Hij zeven boze geesten uitgedreven had. 10 Zij ging heen en berichtte het hun, welke bij Hem geweest waren, die treurden en weenden. 11 En toen zij hoorden, dat Hij leefde en door haar gezien was, geloofden zij het niet. 12 Daarna verscheen Hij in een andere gedaante aan twee van hen op de weg, terwijl zij zich naar het land begaven. 13 En ook die gingen heen om het aan de anderen te berichten. En ook die geloofden zij niet. 14 Daarna verscheen Hij aan de elven zelf, terwijl zij aanlagen, en Hij verweet hun hun ongeloof en hardheid van hart, omdat zij hen niet geloofden, die Hem aanschouwd hadden, nadat Hij opgewekt was. 15 En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, verkondigt het evangelie aan de ganse schepping. 16 Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden. 17 Als tekenen zullen deze dingen de gelovigen volgen: in mijn naam zullen zij boze geesten uitdrijven, in nieuwe tongen zullen zij spreken, 18 slangen zullen zij opnemen, en zelfs indien zij iets dodelijks drinken, zal het hun geen schade doen; op zieken zullen zij de handen leggen en zij zullen genezen worden.

 

overweging

Van de week zag ik de overzichtstentoonstelling van het werk van Karel Appel in het Gemeentemuseum in Den Haag. Nog voordat je de eerste zaal binnengaat, wordt in een klein portaal dat bekende filmpje getoond waarin Karel Appel met veel geweld verf tegen het doek smakt. Ik heb er een hele tijd naar staan kijken. Tussen het smijten met kwakken verf door staat Karel Appel in een aapachtige houding stil naar zijn werk te kijken. Die houding straalt agressie uit, een diepgevoelde woede. Voordat hij verder gaat met waar hij mee bezig is, maakt hij contact met de woede die hij in zich heeft. Omdat ik mij had voorgenomen het met u over boosheid en woede te hebben, heb ik een hele tijd naar dat filmpje staan kijken. Ook ik probeerde contact te maken met die woede van Karel Appel. En dat ging mij wonderwel goed af.

 

Ik zal u zeggen dat ik een in mijn eigen beleving opmerkelijke relatie met het fenomeen boosheid heb. Ik kan snel en gemakkelijk erg boos en soms zelfs driftig worden. Daar ben ik niet trots op, integendeel. Het is een eigenschap die mij vaak in de weg zit. Maar het gekke is dat de medaille ook een andere kant heeft. Want ik kan mij ook opwinden over het feit dat wij met z’n alles zo gehoorzaal, gelaten en gedwee van allerlei over ons heen laten komen. Onze maatschappij klaagt over van alles en nog wat maar dat we ons met z’n allen op een constructieve manier boos maken, ho maar. Op die momenten verlang ik naar een alerte boosheid.

 

De afgelopen weken heb ik hierover nagedacht en ben ik weer eens wat over boosheid en agressie gaan lezen. Ook heb ik er met een aantal mensen in mijn omgeving gesproken. Deze overweging is daarvan in zekere zin een verslag. Misschien word ik hier en daar wat erg persoonlijk en ik hoop dat u mij dat dan zult willen vergeven.

 

Laat ik beginnen te zeggen dat ik ervan overtuigd ben dat er niets tegen boosheid is, integendeel. Het kan heel verfrissend zijn als iemand zich ergens werkelijk boos over maakt. En als ik iets over mijzelf mag vertellen: braafheid, dat ik als het tegendeel van boosheid zie, maakt vaak dat ik mij ongemakkelijk ga voelen. Ik versta onder braafheid het in woord en daad beantwoorden aan wat sociaal gewenst is. Een braaf iemand zegt en doet precies wat de omgeving van hem of haar verwacht. Hij of zij lijkt helemaal geen stiekeme, stoute of verboden fantasieën, verlangens of gevoelens te hebben. Ik wordt daar dan altijd een beetje zenuwachtig van omdat ik mij dan ánders voel en bang ben betrapt te worden.

 

Maar eigenlijk kan ik het mij nauwelijks voorstellen dat er mensen zijn die dergelijke fantasieën, verlangens en gevoelens niet hebben. Blijkbaar zijn zij adequaat weggestopt. Met die gedachte troost ik mijzelf dan maar. In mijn beleving staat het leven onder de voortdurende spanning tussen aan de ene kant dat ingewikkelde complex van lusten, driften, gevoelens en verlangens, en aan de andere kant het waar moeten maken wat mijn omgeving van mij vraagt. Dat klinkt misschien heftiger dan ik het bedoel want ik wil dat ook graag, dat waarmaken van wat mijn omgeving van mij verlangt. Maar het vergt altijd weer inspanning en concentratie omdat ik die andere kant van mijzelf aan de teugel moet zien te houden. Het besef voortdurend in dat spanningsveld te moeten leven maakt het leven voor mij uitdagend en aantrekkelijk. Ik denk dat juist in dat spanningsveld het vermogen mij in te leven in andere mensen en een speelse creativiteit geboren wordt. Ik moet dan altijd denken aan een interview dat Leen Jongewaard vlak voor zijn dood heeft gegeven aan Vrij Nederland. Hij vertelt daarin dat hij na een fikse depressie jarenlang in therapie is geweest. Dat had hem goed geholpen, althans, hij had zijn depressie overwonnen. ‘Maar’, zo vertelde hij, ‘de harmonie die ik vond, betekende het einde van mijn creativiteit.’

 

Wij hebben tal van methoden ontwikkeld om de naar ons idee ongewenste of bedreigende gevoelens weg te bergen. Wij zijn over het algemeen verdraaid goed in staat te doen alsof ze er niet zijn. Als ik me nu even beperk tot onze boosheid: We kunnen gewoon ontkennen dat wij er last van hebben. ‘Hoezo boos? Ik ben helemaal niet boos!’ Maar je voelt dat het niet klopt en dat er onder de oppervlakte van alles schuilgaat. Het kan overigens heel goed zijn dat degene die ontkent boos te zijn daarvan zelf ook inderdaad overtuigd is omdat hij (of zij) zijn eigen boosheid niet of nauwelijks heeft leren kennen. Een andere manier om onze boosheid te ontlopen is wat ze in de psychologie noemen ‘omkeren in het tegendeel’. Dat wil zeggen dat iemand diep van binnen heel verongelijkt of boos kan zijn maar zichzelf presenteert als altijd voorkomend en zelfs lief. Ook dat is dan geen bewuste leugen. Het is zijn onbewuste dat hem behoedt voor gedrag waar hij zich geen raad mee zou weten. Ik ben daar vaak alert op: als iemand zichzelf heel uitgesproken profileert, vraag ik mij al snel af of hij ten diepste niet het omgekeerd ervaart. En of hij dus niet druk in de weer is dat af te weren. En een derde, en voor vandaag laatste manier om onze boosheid hanteerbaar te houden is het koesteren van allerlei theorieën en theorietjes over wat het voorstelt en waar het vandaan komt. Met andere woorden: we verklaren de boosheid weg. ‘Ja, inderdaad, ik kan af en toe prikkelbaar zijn maar dat is maar heel zelden. Het kwam alleen maar omdat ik moe was en een drukke week achter de rug heb.’ Of: ‘Ja, mijn irritatie komt voort uit een oude herinnering. Die werd getriggerd door iets dat ik las. Verder speelt het echt geen rol.’

 

Dat wij het over het algemeen moeilijk vinden om vrijelijk met agressie te verkeren, is omdat wij als kind leren dat een fatsoenlijk mens nu eenmaal niet boos wordt of zich agressief gedraagt. Helemaal onzin is dat natuurlijk niet. Er is een grens aan wat wij ons wat dat betreft kunnen permitteren. Maar ik ben ervan overtuigd dat wij onszelf ook tekort doen als wij niet af en toe razend worden. Het kan heel verfrissend zijn als iemand eens flink de knuppel in het hoenderhok gooit. Veel emancipatoire vooruitgang wordt geboren uit authentieke woede op knechtende structuren.

 

Ik lees altijd graag de columns van Bas Heijne. Ik heb hem hier al meermalen geciteerd. Als ik door zijn bril meekijk naar onze samenleving denk ik altijd veel te herkennen. Hij is zo iemand die op gezette tijden de boel eens lekker opschudt. Twee weken geleden schreef hij iets behartenswaardigs in het kader van waar wij het vanmorgen over hebben. Hij citeerde de Franse, negentiende -eeuwse denker Alexis de Tocqueville die al in zijn tijd waarschuwde dat een van de grote gevaren van democratie is dat het zo geestdodend is. Ik citeer:

 

In een democratie wordt iedereen een vredig, gelijkmatig en welvarend leven beloofd. Dat is mooi, want wie wil het niet, maar dat betekent dat er geen of nauwelijks ruimte is voor heftige, verheven, glorieuze gevoelens, zoals nationale trots, heldendom, gedeelde hartstocht, glorie en eergevoel. Waarom zou je sterven voor het vaderland als je daardoor je pensioen misloopt?

Mensen, besefte Tocqueville, hebben emoties nodig om zich onderling verbonden te voelen, anders gebeuren er ongelukken. Dat inzicht van Tocqueville over de gevaarlijke saaiheid van de democratie verklaart de bizarre paradoxen rondom de heersende EU-haat: er wordt - soms terecht -  geklaagd over het gebrek aan democratie binnen de Europese instellingen, maar het corrupte despotisme van Poetin wordt onophoudelijk vergoelijkt. Niet omdat men er bang voor is, zoals steeds wordt geopperd, maar omdat men het bewondert. Achter veel meligheid gaat een niet te onderschatten verlangen naar daadkrachtig machismo schuil. Tot zover Bas Heijne.

 

Dat ik deze alinea voorlees, is omdat ik denk dat hij een punt heeft. Wij verlangen niet zelden naar grootse en soms groteske emoties. Maar onze manier van met elkaar samenleven laat daarvoor weinig tot geen ruimte. Dat leidt ertoe dat er uitwegen worden gezocht. Of dat nu het verzet tegen de zich ontwikkelende Europese Unie is of het verzet tegen de ontkenning van wie en wat wij ten diepste denken te zijn. Paul Cliteur hield vorige week in de Rode Hoed in Amsterdam de Socrateslezing over religieus gelegitimeerd geweld. Over dat onderwerp is natuurlijk eindeloos veel te zeggen en dat zal nu en hier ik zeker niet gaan doen maar vriend en vijand zijn het er toch over eens dat het woedende geweld waarmee wij de afgelopen tijd zijn geconfronteerd in elk geval ook een oorsprong vindt in een aangetast zelfbewustzijn, een verkrachte integriteit en een gebrek aan ruimte om gestalte te geven aan diepere verlangens en fantasieën. Dat almaar mee moeten buigen met de eisen die de instandhouding van een democratische samenleving nu eenmaal met zich brengt, botst niet zelden met de loyaliteiten en ambities die er ook zijn.

 

Het wordt tijd dat ik dit hele verhaal in lijn breng met niet alleen de regels die ik u voorlas uit het evangelie naar Marcus. In deze regels uit het evangelie naar Marcus wordt ons verteld over verschijningen van Jezus. Wat moeten of mogen wij daaronder verstaan? Ik neem niet aan dat u dit verhaal leest als een beschrijving van wat er zich ooit, toen en daar in de zichtbare en tastbare werkelijkheid heeft afgespeeld. Wat Marcus waarschijnlijk heeft willen zeggen, is dat waar Jezus voor stond overal in de werkelijkheid oplicht, tot op de dag van vandaag. Hij representeert waarden die zich niet zomaar op een achternamiddag laten kisten. Wij kunnen dan denken aan begrippen als oprechtheid, transparantie, ruimte, vrijheid en aanvaarding. En onder dat laatste, die aanvaarding, wordt ook begrepen alles wat ons niet ligt en wat wij liever niet onder ogen komen en dus wegborgen in een graf. Onze woede is een aspect daarvan. En het geheim van die genezingen waar Marcus over schrijft, zou wel eens in de aanvaarding kunnen liggen.

 

Met het onder ogen komen en aanvaarden van onder meer onze boosheid, is het hele verhaal natuurlijk nog niet verteld. Die eerste stap kan en zal bevrijdend werken maar het is pas het begin. Over die boosheid valt eindeloos meer te vertellen. Zoals van de week iemand al zei: boosheid heeft vele afzenders en vele adressen. Daarmee werd bedoeld dat het niet zomaar duidelijk is wat onze boosheid triggert. Het kunnen hele oude wonden zijn die opnieuw worden aangeraakt. Of oude, nog altijd niet opgeloste conflicten die weer opspelen. En onze boosheid kiest vaak een willekeurig adres. Niet zelden is zij volstrekt verkeerd geadresseerd en komt zij terecht op het bord van iemand die volkomen onschuldig is. Dat is allemaal waar. En daarom is het zaak om irritatie, ergernis, boosheid en woede op enig moment goed tegen het licht te houden. Maar dat moment is pas daar als eerst de steen waarachter wij haar verborgen hielden is weggerold. Pas daarna kan er zoiets als kanalisering van de agressie en, nog weer later, uitdrijving en uiteindelijk genezing plaatsvinden. Over het hoe en wat daarvan zwijg ik vanmorgen. Want dat heeft tijd nodig. Daarvoor is het nu nog te vroeg. Dat komt een andere keer.

Amen