27 maart 2016

Dorpskerk Durgerdam        Pasen 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Chris Helfensteijn

fluit en traverso: Els Hermanides

m.m.v. de cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

solisten: Wil Helfensteijn en Lesley Oversluizen

 

liturgie

- welkom

- Cantorij   Christ lag in Todesbanden van J. Walter (1496 - 1570)

- zingen   Lied 601 (Licht dat ons aanstoot): 1 en 3

-onder het zingen wordt de Paaskaars binnengedragen-

- fragment uit een Paaspreek van Johannes Chrysostomus (345 407AD)

- zingen   Lied 630 (Sta op een morgen): 1, 3 en 4 (Cantorij: vers 1)

- schriftlezing

- Cantorij   Psallite Deo nostro in laetitia uit Magnificat, J.S. Bach (1685 -

1750)

- overweging   

- Cantorij (solisten)  Aus Psalm 95 van F. Mendelssohn (1809 - 1847)

- zingen   Lied 642 (Ik zeg het allen): 1, 3, 4, 7 en 8

- collectes   1. voor de Dorpskerk Durgerdam 

2. voor het jongerenwerk van de PKN

- fluit (tijdens de collecte) fantasie van G. F. Telemann (1681 - 1761)

- zingen   Lied 634 (U zij de glorie)

- zegen

 

fragment Paaspreek Johannes Chrysostomus

Laat ieder die vroom is en Godminnend nu genieten van dit schone, stralende feest. Wie zich heeft afgetobd in de vasten, laat hij nu komen om de tienling in ontvangst te nemen. Maar hij die vanaf het eerste uur heeft gearbeid, laat hij komen en het loon ontvangen dat hem toekomt. Is hij eerst na het derde uur aangevangen, ook hij viere feest vol dankbaarheid. Zo iemand na het zesde uur is gekomen, laat hij niet aarzelen want ook hij zal geen schade lijden. Ook als hij gewacht heeft tot het negende uur, laat hem zonder vrees nadertreden. Ja zelfs als hij eerst te elfder ure gekomen is, laat hij niet bang zijn vanwege zijn traagheid want de Heer is edelmoedig en hij aanvaardt de laatste zo goed als de eerste. Zowel aan de arbeider van het elfde als die van het eerste uur verschaft hij rust. Aan de laatste betoont hij zijn barmhartigheid, aan de eerste schenkt hij hetzelfde om niet. Hij aanvaardt de werken maar ook de goede wil neemt hij in liefde aan. Hij beloont de daad en prijst het voornemen.

Of gij tot de eersten of tot de laatsten behoort, gaat allen binnen in de vreugde van onze Heer. Rijken en armen, weest één in uw blijdschap. Of gij nauwgezet of traag zijt geweest, viert samen deze feestdag. Verzadigt u allen aan het feestmaal van het geloof; verzadigt u allen aan deze overvloed van zijn goedheid.

Laat niemand nog klagen over zijn armoede want verschenen is het rijk waaraan een ieder zonder onderscheid deel heeft. Laat niemand nog jammeren over zijn zonden want uit het graf is de vergeving opgebloeid. Laat niemand nog vrees hebben voor de dood want de dood van de Verlosser heeft ons vrijgemaakt.

Waar o dood is uw prikkel?

Waar o onderwereld is uw overwinning?

Want Christus is opgestaan en de duivels zijn gevallen.

Want Christus is opgestaan en de engelen jubelen van vreugde.

Want Christus is opgestaan en oppermachtig heerst nu het leven.

Want Christus is opgestaan en geen dode blijft achter in het graf.

Christus immers opgestaan uit de doden is de eersteling van de ontslapenen geworden. Hem is de heerlijkheid en de macht in de eeuwen der eeuwen, Amen

 

schriftlezing

Mattheus 28: 1 Laat na de sabbat, tegen het aanbreken van de eerste dag der week, ging Maria van Magdala en de andere Maria het graf bezien. 2 En zie, er kwam een grote aardbeving, want een engel des Heren daalde uit de hemel neder en kwam nader, en hij wentelde de steen weg en zette zich daarop. 3 Zijn uiterlijk was als een bliksem en zijn kleding wit als sneeuw. 4 En de bewakers werden door vrees voor hem bevangen en zij werden als doden. 5 Doch de engel antwoordde en zeide tot de vrouwen: Weest gij niet bevreesd; want ik weet, dat gij Jezus zoekt, de gekruisigde. 6 Hij is hier niet, want Hij is opgewekt, gelijk Hij gezegd heeft; komt, ziet de plaats, waar Hij gelegen heeft. 7 En gaat terstond op weg en zegt zijn discipelen, dat Hij is opgewekt uit de doden. En zie, Hij gaat u voor naar Galilea; daar zult gij Hem zien. Zie, ik heb het u gezegd. 8 En zij gingen terstond weg van het graf, met vrees en grote blijdschap, en liepen haastig voort om het zijn discipelen te berichten. 9 En zie, Jezus kwam haar tegemoet en zeide: Weest gegroet. Zij naderden Hem en grepen zijn voeten en zij aanbaden Hem. 10 Toen zeide Jezus tot haar: Weest niet bevreesd. Gaat heen en bericht mijn broeders, dat zij naar Galilea gaan, en daar zullen zij Mij zien.

 

overweging

Morgen, op Tweede Paasdag, is er in de katholieke kerk in Bilthoven, waar ik een paar dagen per week werk, een grote oecumenische dienst waaraan alle kerken uit het dorp meewerken. Mij is gevraagd de preek voor mijn rekening te nemen. Al in januari moest de liturgie worden gemaakt. Waarom dat zo vroeg al moest, mag Joost weten maar zo was het nu eenmaal. Op het voorblad van de liturgie zou het thema van de dienst moeten prijken. Omdat ik de preek zou verzorgen, werd er tijdens een voorbereidend overlegje verwachtingsvol naar mij gekeken. Nu houd ik er toch al niet van om diensten expliciet een thema te geven. Ik heb het liever over iets dat mijzelf raakt of bezighoudt op het moment dat ik een dienst zit voor te bereiden dan dat ik mij in bochten moet wringen om mij te voegen naar iets wat tevoren in commissie is vastgesteld. De thema’s van eerdere Paasdiensten waren buitengewoon inspirerend geweest: ‘nieuw leven’ en ‘vol verwachting’ en nog zowat. Wat kan er tegen zoveel oorspronkelijkheid op? Om dit punt van de agenda af te kunnen vinken, riep ik enigszins provocerend dat ‘opstanding’ mij wel wat leek voor een Paasdienst. Tot mijn verbazing ging dat erin als koek en het besluit was eigenlijk al meteen gevallen. Het werd dit jaar ‘opstanding’. Ik kon, om eerlijk te zijn, mijn oren niet geloven.

 

Ik zou dus een preek over opstanding moeten schrijven. Aanvankelijk had ik geen idee tot ik mij realiseerde dat de opwelling om dat woordje opstanding in te brengen wel degelijk ergens vandaan kwam. Het zal op dat moment vooral te maken hebben gehad met mijn weerstand tegen de voelbaar lamme dwangmatigheid van het moeten organiseren van zo’n oecumenische dienst. Maar dat was het niet alleen. Mijn ‘opstandige aanvechting’ had ook te maken met een wel vaker opkomend verlangen dat wij met z’n allen wakker worden en opstaan tegen de manier waarop we onszelf laten gijzelen door onze machteloosheid en matheid. De complexiteit van de problematieken in de samenleving is zo overweldigend dat intussen tallozen zich terugtrekken en genoegen nemen met het bewandelen van de platgetreden paden van het leven van alledag.

 

Nu realiseer ik mij heel goed dat het er bij dergelijke gedachten en verlangens op aan komt. Misschien herkent u mijn verlangen helemaal niet en dacht u stilletjes: ‘speak for yourself’. Dat zou kunnen. Het is niet uit te sluiten dat de wortels van mijn ergernis volstrekt particulier zijn en dat ik die ergernis daarom, zoals dat heet, ‘bij mijzelf moet houden’.

 

Maar het kan ook zijn (en het een hoeft het ander niet uit te sluiten, het kan heel goed samengaan) dat zij voortkomt uit een authentiek verlangen naar vernieuwing, oprechtheid, transparantie en authenticiteit. Een verlangen dat alleen van mij is, dient, zeker vanaf de preekstoel, aan de teugel van de zelfbeheersing te lopen. Met een collectief gevoeld verlangen ligt dat anders. Dat mag hier klinken.

 

Ik ben een kind van de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw. Toen was een dergelijk collectief verlangen voelbaar. Er woei een wind van verwachting door de samenleving. En er was een zeker geloof dat wij met elkaar een andere, rechtvaardiger wereld zouden kunnen bewerkstelligen. En hoewel ik toen absoluut niet vooropliep of op de barricades stond, heb ik aan die tijd het gevoel aan overgehouden dat maatschappelijk engagement een plicht is.

 

Maatschappelijk engagement kent overigens verschillende uitingsvormen. Wat mijzelf betreft, ik kies ervoor om mijn best te doen mij niet te vereenzelvigen met al te gemakkelijke, goed bekkende opvattingen maar openlijk op zoek te blijven naar de nuance. Daarbij realiseer ik mij dat ik mij dat ook kan permitteren: ik draag weinig verantwoordelijkheden en hoef dus maar zelden een beslissing te nemen. Wie dat wel moet, wie knopen moet doorhakken, kan er niet omheen nuances te negeren.

 

Eén aspect van het zoeken naar nuances is wat mij betreft dat ik niet onmiddellijk wil zwichten voor wat als feiten worden aangeboden. Ik wil ruimte laten voor een werkelijkheid achter wat zich in eerste instantie aandient. Het almaar moeten capituleren voor wat feiten heten te zijn, maakt ons monddood. Het ontneemt ons onze speelruimte, onze creativiteit. Ik geloof dat de waarheid oneindig veel groter is dan degenen die de beslissingen moeten nemen ons willen doen geloven.

 

Dat ik hierover begin, is omdat dit allemaal een aspect is van wat wij met Pasen vieren. Wij kunnen het Paasverhaal natuurlijk lezen als een verhaal op afstand, als een verhaal over iets dat toen en daar is voorgevallen en waar wij met eerbied bij stil staan. Maar we kunnen het ook lezen als een verhaal dat zich rechtstreeks op onze levens, op het hier en nu laat betrekken. Misschien mag ik, om dat duidelijk te maken, even iets meer over dat Paasfeest te vertellen.

 

Om te beginnen: Pasen is niet ontsproten aan de geest van de verschillende evangelisten. Toen zij Jezus naar Jeruzalem schreven, was dat om hem daar Pasen te laten vieren. Dat feest werd al eeuwenlang gevierd. En het verhaal dat daarbij centraal stond en staat, is het verhaal van de uittocht uit Egypte uit het boek Exodus. De evangelisten componeerden hun Paasverhaal verhalen zo dat het liturgisch parallel loopt met het joodse Paasfeest. Beide verhalen versterken elkaar.

 

Het Hebreeuwse woord voor ‘Egypte’ betekent zoiets als ‘Angstland’. Dat verhaal vertelt dus hoe wij aanvankelijk als slaven leven in een land dat beheerst wordt door angst. Én het vertelt hoe wij op een gegeven dag de moed vatten om ons los te maken van onze angsten en onze verslaving omdat ons verlangen sterker is dan de angst die ons in zijn greep had. Wij geven het visioen van een wereld waarin alles anders is het voordeel van de twijfel. Daarom trekken wij weg, door de diepte van de zee heen, op weg naar die beloftevolle werkelijkheid in het verschiet.

 

Om datzelfde in Nieuw-Testamentische taal te zeggen: in plaats van ons nog langer te laten gezeggen door cynische machthebbers als Pilatus, Herodes en Augustus, zoeken wij gestalte te geven aan onze verbondenheid met die mens die het begrip macht zo heel anders invult, oneindig kwetsbaar en dienstbaar, en volkomen transparant. Met hem trekken wij door de diepte van de dood, op weg naar het adembenemend weidse perspectief van de Paasmorgen.

 

Die verhalen uit zowel Exodus als Mattheus willen ons een hart onder de riem steken: er is léven na knechting, verlamming en cynisme.

 

Hoe u dat kunt vertalen naar uw eigen leven kan ik natuurlijk niet weten. Dat hangt van duizend en één factoren af: daarvoor kunt u alleen bij uzelf te rade gaan. Wanneer u daarvoor de rust en de tijd neemt, kunt u de weg naar binnen gaan en zicht krijgen op de kelders waarin uw oorspronkelijkheid zit opgesloten. Dat kan werkelijk van alles zijn. Behalve de verlamming ten gevolge van de grote problemen op het wereldtoneel kunnen oude conflicten ons in hun greep hebben. Of oud verdriet. Maar ook een onszelf opgelegde braafheid kan verstikkend zijn en onze fantasieën en verlangens censureren – of onze opstandigheid het zwijgen opleggen.

 

Opstandigheid en boosheid die voortkomt uit geldingsdrang is, hoewel volstrekt begrijpelijk, over het algemeen niet vruchtbaar. Maar wanneer onze opstandigheid wortelt in een diep weten dat er zich onrecht aandient omdat de humaniteit met voeten wordt getreden of omdat mensen te kort gedaan wordt, bij voorbeeld door ze af te rekenen op hun gedrag zonder goed en wel het verhaal daarachter te kennen, dan mag je hopen dat het graf waarin zij zit opgesloten wordt opengebroken, dat de dwarsligger in ons opstaat en de wereld te lijf gaat.

 

De verhalen uit Exodus en Mattheus vertellen hetzelfde: hoe terneergeslagen mensen het vertróuwen vinden om wat hen zo te pakken had achter zich te laten. Met opzet gebruik ik het woord ‘vertrouwen’ en niet het woord ‘moed’. Want moed is iets heel anders dan vertrouwen. Moed komt niet zelden voort uit onnozelheid, uit blindheid of bravoure. Maar met vertrouwen ligt dat anders. Vertrouwen is een geschenk. Vroeger zouden ze wellicht hebben gezegd dat het genade is. Het hebben van vertrouwen overkomt je, het wordt je geschonken. Het vertrouwen waar het in deze verhalen over gaat, gaat gepaard met een zekere mate van onbegrip voor wat als een gegeven wordt gepresenteerd: die angst, die slavernij, de miskenning en de dood, het krijgt iets betrekkelijks. Het is het einde niet. Aan de overkant ervan wacht ons een nieuw leven.

 

Herman Finkers geeft daarvan in zijn conférence ‘Daarboven in de hemel’ (ik noemde de link in de laatste Nieuwsbrief die ik u stuurde) een heel mooi voorbeeld. Hij vertelt hoe hij op school doodgegooid werd met dogma’s: het dogma van één en één is twee, het dogma een boom is in wezen niets anders dan een zuurstoffabriek en zo voort. Hij ervoer dat als verstikkend omdat alle poëzie waarvoor hij als kleine dromer zo gevoelig was verloren ging. Alle schoonheid die hem tot in het diepst van zijn ziel verwonderde, werd kapot gemaakt. De wereld werd kneuterig klein en overzichtelijk. En toen kwam op een dag de kapelaan in de klas. En die vertelde: ‘Er is maar één God. En die bestaat uit drie personen.’ ‘Goddank’, dacht Herman, ‘eindelijk iemand met wie je fatsoenlijk kunt praten!’. En de kapelaan vertelde: ‘God is het begin van alles. Vóór God was er niets. En Maria was zijn moeder.’ Het was alsof zijn dichtgeknepen keel weer openging en hij weer mocht ademhalen. Dit was een logica die hij kon volgen. Tot op de dag van vandaag spant hij zich in die ruimte open te laten.

 

Wat Finkers in feite doet is relativeren van de feiten die ons als vaststaand en onvermijdelijk worden gepresenteerd. Nee sterker, hij staat op tegen de geldende opvattingen over hoe alles in elkaar steekt. Hij heeft lak aan het houvast dat kennis hem zou moeten bieden. Hij geeft dat houvast met graagte prijs en waagt zich in een werkelijkheid die op het eerste gezicht niet lijkt te kloppen maar die alle ruimte laat voor een spannende creativiteit en oorspronkelijkheid.

 

Dat wij vanmorgen geïnspireerd zullen worden om ook op te staan uit het graf van onze angstvalligheid, voorzichtigheid en bescheidenheid, onze terughoudendheid, onze kleinzieligheid en ons slachtofferschap. Dat wij ons niet zullen laten kisten maar ruimte zullen maken voor een volstrekt tegendraads vertrouwen in wat volstrekt onlogisch en niet beredeneerbaar is maar waarin verre, gedroomde kusten zich aandienen.

Amen

 

gebed

God, dit woord waarmee wij u noemen

is bijna dood en zonder betekenis geworden,

leeg en te kwetsbaar in een wereld

waarin zo veel om onze aandacht strijdt.

Wij bidden u dat het vanmorgen opnieuw betekenis krijgt,

dat het opnieuw van kracht mag worden

als een belofte van trouw en liefde

over alle grenzen heen,

betrouwbaar en verborgen

maar rakelings nabij.

 

Wij bidden voor

allen die bestuurlijke verantwoordelijkheid dragen,

voor ons land

en voor allen die de wereld regeren,

dat zij oog zullen hebben voor

wat er zich achter de feiten aandient

en dat zij hun oor te luisteren zullen leggen

bij wie geen stem heeft,

dat zij genade voor recht zullen laten gelden,

dat zij niet het zicht

op wat u achter de grenzen van onze horizon

gesteld hebt, zullen verliezen.