28 februari 2016

Dorpskerk Durgerdam     zondag 28 februari 2016

 

voorganger:          ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Simon Plemp

 

liturgie

piano    enkele Goldberg variaties (BWV 988) van J.S. Bach

welkom

zingen   DD h3 (Ik zoek een land): 1, 2, 4 en 5

votum   DD 7 (Heer, wij allen zijn mensen)

gebed

zingen   NLB 538 (Een mens te zijn): 1, 2 en 4

schriftlezing   uit 1 Samuël 24

zingen   NLB 23c (Mijn God, mijn herder)

overweging

piano    Adagio cantabile uit Sonate no. 8 in c mineur (opus 13)

van L. van Beethoven

gebed – stil gebed – Onze Vader

collectes   1 voor de Dorpskerk Durgerdam

2 voor Stichting Timon (deze stichting biedt

professionele hulp bij problemen met opvoeden en

opgroeien)

zingen   NLB 362 (Hij die gesproken heeft)

zegen

 

gebed

Ons leven is een zee aan antwoorden

op de vraag naar wie wij zijn,

wie ben ik werkelijk,

wie ben ik uiteindelijk,

met wat of met wie steek ik van wal,

aan wie vertrouw ik mij toe,

waar ligt mijn bestemming,

en is er überhaupt zoiets als een bestemming?

 

De mensen om mij heen bieden mij

een zee aan antwoorden

en de vraag is op wie van hen ik mij zal richten,

náár wie van hen zal ik mij richten?

Waardoor laat ik mij vangen

en waardoor word ik afgeschrokken?

wát laat ik van mijzelf zien

en aan wie laat ik mijzelf zien,

of ben ik misschien mijzelf genoeg?

 

O God, ik kan alleen maar bidden

dat ik de enige niet ben die het antwoord

op deze vragen niet vinden kan.

En dat ik mij daarom verbonden mag weten

met wie ik mijn dagen deel.

In die verbondenheid bidden wij vanmorgen

Heer ontferm u over ons.

 

schriftlezing

Saul en David bevechten elkaar. Saul achtervolgt David tot diep in het bergland met een leger aan gewapende manschappen. Op enig moment verschuilt David zich met zijn vrienden in een grot. Dan gebeurt het volgende.

 

1 Samuel 24: 1 David trok vandaar en hield verblijf in de bergvestingen van Engedi. 2 Toen Saul teruggekeerd was van de vervolging der Filistijnen deelde men hem mee: Zie, David is in de woestijn van Engedi. 3 Daarop nam Saul drieduizend uitgelezen mannen uit geheel Israël, en ging heen om David en zijn mannen te zoeken bij de Steenbokrotsen. 4 Daar was een spelonk waar Saul binnenging om zich af te zonderen; David en zijn mannen zaten achter in de spelonk. 5 Toen zeiden Davids mannen tot hem: Dit is de dag, waarvan de HERE tot u gezegd heeft: zie, Ik geef uw vijand in uw macht; doe met hem wat gij wilt. David stond op en sneed ongemerkt de slip van Sauls mantel af. 6 Daarna bonsde Davids hart, omdat hij Sauls slip had afgesneden; 7 hij zeide tot zijn mannen: De HERE beware mij ervoor, dat ik aan mijn heer, aan de gezalfde des HEREN, dit zou doen, dat ik mijn hand aan hem zou slaan; want hij is de gezalfde des HEREN. 8 En David weerhield zijn mannen door zijn woord; hij liet hun niet toe Saul te overvallen. Saul was inmiddels opgestaan, hij verliet de spelonk en ging zijns weegs. 9 Daarna stond David op, ging de spelonk uit en riep Saul na: Mijn heer de koning! Saul keek om en David knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer. 10 Toen zeide David tot Saul: Waarom luistert gij naar de woorden van mensen, die zeggen: zie, David beraamt kwaad tegen u? 11 Zie, op deze dag aanschouwen uw eigen ogen, dat de HERE u heden in de spelonk in mijn macht gegeven heeft; men sprak ervan u te doden, maar ik spaarde u en zeide: ik zal mijn hand niet slaan aan mijn heer, want hij is de gezalfde des HEREN. 12 Zie eens, mijn vader, zie toch de slip van uw mantel in mijn hand! Want hieruit, dat ik de slip van uw mantel afgesneden heb zonder u te doden, kunt gij duidelijk opmaken, dat ik geen kwaad of muiterij in de zin heb, en dat ik tegen u niets heb misdaan; gij echter legt het erop toe mij het leven te benemen. 17 Toen David deze woorden tot Saul geëindigd had, vroeg Saul: Is dat uw stem, mijn zoon David? Daarop verhief Saul zijn stem en weende. En Saul zeide: ‘Gij zijt de koning’.

 

 

overweging

Een aantal weken geleden stelde iemand mij een vraag over dit hoofdstuk dat wij zo-even hebben gelezen. Dat was voor mij een aanleiding het weer eens te lezen. Eigenlijk meteen al schoten mij toen een paar gedachten te binnen, parallellen met thema’s waar ikzelf op dat moment bezig was en waarvan ik vermoed dat zij ook voor u herkenbaar zullen zijn.

 

Laat ik beginnen met iets te zeggen over de opbouw van het Bijbelboek boek 1 Samuel. Of liever gezegd, laat ik iets vertellen over de dynamiek in de talloze hoofdstukken waarin Saul en David tegenover elkaar staan.

 

‘David moet vluchten voor Saul de tiran’, zo staat het in ons volkslied. Onze Vader des Vaderlands herkende zichzelf in deze verhalen. Zoals David werd opgeleid aan het hof van Saul voor wie hij nu op de vlucht is, zo werd Willem van Oranje opgeleid aan het hof van Philips II die de jacht op hem geopend heeft. Saul en Philips II zijn koning, althans in naam. Maar er is een kentering op til. In beide verhalen, in zowel het Bijbelverhaal én in het verhaal dat ten grondslag ligt aan onze onafhankelijkheid speelt deze verwachting een rol. Daarom spelen beide verhalen in een soort niemandland: de ene vorst bezet een troon maar iedere lezer weet dat zijn koningschap is aangevochten. Het is een kwestie van tijd voordat een heel ander koningschap zich aan zal dienen. De vrijheid gloort.

 

Saul is aangezegd dat hij afstand van de troon zal moeten doen. En dat is niet zonder reden. Zijn koningschap is niet wat het zijn moet. Saul leunt op zaken die een koning onwaardig zijn. Hij zoekt macht. De prijs die hij bereid is daarvoor te betalen is de menselijkheid. Hij strijdt met wapens die een Bijbelse koning misstaan. Hij schuwt het geweld niet en hij laat zich leiden door zijn angsten. Daarom stelt de profeet Samuel een ander koningschap in het vooruitzicht, dat van David. David, die kleine herdersjongen die de reus Goliath verslaat - níet met wapens maar met zo’n steentje als waarmee hij de wilde dieren verjaagt die zijn kudde bedreigen. Zo staan die twee tegenover elkaar: de massieve Saul en breekbare David. De eerste is aangezegd dat zijn vorm van koning zijn geen stand zal houden en de ander is beloofd dat er een dag komt waarop dat herderende koningschap aan het licht zal komen.

 

Het zijn mooie verhalen, over Saul en David en ze verbeelden iets dat wij allemaal herkennen. Dat is omdat zij beiden een plaats hebben in ons hart. Zij wonen daar. En wij wéten van die Saul in ons dat zijn manier van doen niet bestendig is. Diep van binnen geloven we niet in zijn manier van koning zijn. Al dat machtsvertoon, al dat lawaai dat hij maakt. Hij grijpt ernaar omdat hij zich zo machteloos voelt, omdat hij zich kwetsbaar weet en omdat hij bang is naamloos in het niets te zullen verdwijnen. Eens zal hij het veld moeten ruimen en plaats moeten maken voor David. Hij zal zijn troon aan hem af moeten staan, af wíllen staan, maar nu nog even niet. David, zijn opvolger, maakt hem bang, nog banger dan hij al is. Want David maakt van zijn machteloosheid en zijn kwetsbaarheid een identiteit, een wezenskenmerk. Hoe durft hij dat? Waar haalt hij het vertrouwen vandaan om zo op eigen benen te gaan staan, om zich niet groter, stoerder en sterker voor te doen dan hij is? David weet zich voldoende toegerust met enkel een herdersstaf. Natuurlijk laat hij zien wat werkelijk koningschap behelst. Maar voor alsnog duurt het koningschap van Saul nog voort. De tijd voor dat zo heel andere koningschap is nog niet rijp.

 

We kunnen toch ruiterlijk erkennen dat de strijd in de verhalen over Saul en David een strijd is die ieder mens in zichzelf voert. Kan hij afzien van alle maskers en pantsers die hij om zich heen gehangen heeft? Kan hij de macht van de Saul overdragen aan David? Wanneer zal het moment gekomen zijn dat hij het aan zal durven zich te laten zien zoals hij werkelijk en in wezen is?

 

Tot zover iets over het geheel aan verhalen over de strijd tussen Saul en David. En dan het verhaal van vanmorgen. U zult het met mij eens zijn dat het tot de verbeelding sprekend is. Er is dan ook geen kinderbijbel die het niet heeft opgenomen. Ik sluit niet uit dat de schrijvers van die kinderbijbels niet eens altijd precies wisten waarom dit verhaal hen nu zo aansprak. Misschien vermoedden zij dat dat was omdat het toch een beetje een vies en ondeugend verhaal is. Maar er valt, vermoed ik intussen, meer over te zeggen zijn.

 

Het verhaal speelt zich af op ‘een zekere plaats’. David en zijn vrienden hebben zich verstopt in een grot en plotseling verschijnt Saul daar om ‘zijn voeten te bedekken’ zoals de Statenvertaling het Hebreeuws zo keurig vertaalt. Rembrandt heeft het tafereel met veel humor getekend: een wacht kijkt kies een andere kant op terwijl Saul daar op zijn hurken zit. En achter die wacht sluipt David naderbij, met een mes. Dit is een kans uit duizenden!

 

Ikzelf had nooit zoveel gedachten aan dit verhaal gewijd. Maar toen ik het laatst weer eens herlas, schoot er door mijn hoofd dat hier een thema verbeeld wordt dat zo fundamenteel is, dat zo aan de basis staat van alles dat wij hier aan het doen zijn, dat het mij duizelde.

 

Deze hele verhalencyclus stelt niet alleen de vraag wie of wat wij in onze levens tot koning maken, waar wij macht aan toekennen en dus ons vertrouwen in stellen, in de sterke Saul of in de kwetsbare David, maar zij heeft bovendien als thema op basis waarvan wij deze en dergelijke keuzes maken.

 

Om kort te gaan: met dit verhaal in die stille spelonk in de bergen bij Engedi wordt alles op scherp gesteld. Hier worden wij met het mes op de keel gedwongen te antwoorden op de vraag of wij kunnen geloven in wat wij universele en uiteindelijke waarden noemen - of dat wij vooral denken dat problemen er zijn om te worden opgelost. Dat klinkt misschien als een valse tegenstelling. Maar hier, in dit verhaal, wordt het zo gesteld.

Saul is hier de pragmaticus. Er speelt een kwestie die uit de wereld moet. Hij heeft zijn doelen duidelijk voor ogen en stevent daar met de hem ter beschikking staande middelen op af.

David daarentegen ziet af van het scoren van successen. Hij heeft redenen om zijn overwinning uit te stellen omdat de manier waarop dat zal gebeuren voor hem telt. Sterker nog, de manier waarop hij de macht zal verwerven, maakt deel uit van de macht die hij nastreeft. En bovendien, hij hoeft zijn gelijk niet nu en op deze manier te halen. Want zijn gelijk is groter dan dat van zijn tegenstander en zal uiteindelijk bewezen worden, zoveel is zeker, althans voor David.

 

De manier waarop de vertellers de beide alternatieven aanbieden is niet objectief. Hij is ronduit tendentieus. Saul wordt belachelijk gemaakt terwijl David hier als de held wordt neergezet. Maar de vraag is in hoeverre wij daarin mee kunnen gaan.

 

Mij doet het denken aan wat er in de kranten staat over het verdwijnen van de zogenaamde ‘grote verhalen’. En over het ontbreken van een visie bij onze politici. Ook zij zouden vooral pragmatische motieven hebben om hun zin door te drijven en hun doelen te verwerkelijken. Ikzelf heb vaak meegehuild met die wolven in het bos. Maar dat neemt niet weg dat het helemaal niet zo zeker is dat er een werkelijk alternatief bestaat. Met andere woorden: het is niet zeker of David in dit verhaal niet gewoon had moeten toeslaan.

 

Wat ik mij ben gaan realiseren is dat de keuze die David maakt, getuigt van een geloof in een plan dat boven onze werkelijkheid uitstijgt. Hij vertrouwt erop dat hij een bestemming heeft die geborgd is in een uiteindelijke en laatste waarheid. Iemand of iets heeft deze schepping een doel gegeven en wij zijn niet meer en niet minder dan de instrumenten om dat doel te bereiken. En hoe eerder wij ons gewonnen geven, hoe eerder dat doel bereikt zal worden.

 

Ik moet u bekennen dat ik niet zeker weet of mijn geloof die kwaliteit heeft. Ik ben, religieus gesproken, lichtgeraakt, dat wel. Ik ben ontvankelijk voor religieuze gevoelens en ontroering. Maar of ik zover wil gaan dat ik daadwerkelijk geloof dat er waarden en principes zijn die tegen alle logica ingaan en die mijn gelijk op de lange baan schuiven maar die deel uitmaken van wat het plan van of de bedoeling met dit leven inhoudt, dat weet ik nog zo net niet. Ik zal u zeggen dat ik schrok toen dit tot mijn doordrong.

 

Maar David weet het wel, althans na enige aarzeling besluit hij zijn vertrouwen hierin tenminste het voordeel van de twijfel te geven. Ook bij hem spant het er om maar hij geeft zich gewonnen en trekt zich terug.

 

Ik, maar misschien houdt u mij gezelschap, ik schaar mij in het kamp van zijn vrienden die in verwarring toekijken. Kan dit waar zijn? En ik bedoel dat dan heel letterlijk: ‘Kan dit waar zijn?’.

 

Wat het antwoord op die vraag ook zijn mag, ik denk wel dat dit een zondermeer heilzame verwarring is die zich hier aandient. Want iedere waarheid heeft iets onwaarachtigs. En daarom iets zelfgenoegzaams. Waar het op aan komt is dat wij met onszelf in gesprek blijven. Dat wil zeggen dat wij blijven afwegen hoe het toch zit met de Saul en de David in ons, hoe die beiden zich tot elkaar verhouden en wie van beiden het nu, in deze gegeven situatie, bij het rechte eind heeft.

 

Waar dat gesprek toe leidt, is onzeker. Dat valt ook niet te voorspellen. De ene situatie vraagt node om een oplossing op de korte termijn. Dan is het goed dat wij daartoe de middelen in handen hebben. Een andere situatie laat ruimte om de belangen in het licht van het korte, het lange en het uiteindelijk perspectief te overwegen. Waar het op aankomt, is dat wij ons niet opsluiten in noch een cynisch enkel hier en nu, maar evenmin in een dromerige verte die te weinig wortels heeft in de realiteit. En misschien zullen wij daarbij op momenten worden geïnspireerd door de gedachte dat in elk geval de verhalen over David’s uiteindelijke koningschap tot op de dag van vandaag worden verteld.

Amen