31 januari 2016

DORPSKERK DURGERDAM     ZONDAG 31 JANUARI 2016

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Chris Helfensteijn

m.m.v. de Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

 

liturgie

welkom

zingen     NLB 518: 1 en 6 (Cantorij: vers 1)

begroeting    DD 4

gebed

zingen     NLB 984: 1, 2, 3 en 4 (Cantorij: vers 1)

schriftlezing    Mattheus 7: 1 - 5

Cantorij    Rejoice in the Lord always van Christopher

Tambling

overweging

Cantorij    The Lord bless you and keep you van John

Rutter

zingen     NLB 225: 1    

gebed

stil gebed

gezongen Onze Vader

collectes    1. voor de Dorpskerk Durgerdam

2. voor de landelijke kerk

zingen     NLB 825: 1, 4 en 5

zegen

 

gebed

Hoewel wij over het algemeen,

zeker zo op het oog,

ons leven behoorlijk op orde hebben,

sluimert in ieder van ons de vraag

wat er wérkelijk van ons wordt gevraagd:

zitten wij op het goede spoor

en doen wij wat wij verondersteld worden te doen?

Op welke manier

zijn wij verweven met wat er zich allemaal afspeelt in onze wereld,

dichtbij en verder of ver weg?

 

Wij verlangen en streven naar eenvoud

in de meest letterlijke betekenis van het woord.

En naar transparantie, misschien wel vooral waar het onszelf betreft.

Maar wij zijn zo dubbel, in vrijwel al ons doen en laten,

dat wij nauwelijks nog zicht hebben op wie en wat wij werkelijk zijn.

 

En misschien daarom zochten wij elkaar vanmorgen op,

om met elkaar stil te worden

en te luisteren naar wie en wat wij óók zijn,

om hier in een liefhebbende spiegel te kijken

die onze mooiste kant in beeld brengt.

 

Dat ons vertrouwen gesterkt zal worden,

in onszelf, in elkaar, in de mensen met wie wij ons leven en deze wereld delen.

Dat wij winnen aan onbevangenheid

En nieuwe beelden, gevoelens, kleuren, geuren en melodieën

onze zintuigen zullen beroeren.

Amen

 

schriftlezing

Mattheus 7: 1 Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt; 2 want met het oordeel, waarmede gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, en met de maat, waarmede gij meet, zal u gemeten worden. 3 Wat ziet gij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet? 4 Hoe zult gij dan tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, terwijl, zie, de balk in uw oog is? 5 Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, dan zult gij scherp kunnen zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen. 6 Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren.

 

overweging

‘Oordeelt niet opdat gij niet geoordeeld wordt’. ‘Jij, met die balk in je oog, wat maak jij je druk over de splinter in het oog van hem daar?’ Het is een wat wonderlijke leefregel die ons hier wordt voorgehouden. Hij schuurt, althans bij mij. En dat dan om een aantal redenen die ik maar meteen zal noemen. Dan hebben we dat gehad.

 

De eerste is dat ik niet uitsluit dat deze woorden hier en daar als een morele handreiking worden gelezen. Dat zit mij in de weg, met name omdat ik ervan overtuigd ben dat godsdienst of religie op zijn zachtst gezegd op gespannen voet staat met wat wij moraal noemen. Religie is ten diepste verbindend. Religie stoelt op de ervaring van een diepe en wezenlijke verbondenheid met alles en iedereen. Zij nodigt daarom uit tot het verleggen van grenzen. Niet alleen jij stijgt boven jezelf uit, ook die ander doet dat. En wat je dacht dat verschillen waren, wat onderscheid maakt tussen jou en hem, blijkt weg te vallen. Moraal daarentegen beperkt mensen. Het leidt ons leven en samenleven in banen en daarvoor is het nodig dat ons temperament aan banden wordt gelegd. Helpt religie ons onvermoede kanten van onszelf bloot te leggen, moraal zet ons aan om aspecten van onszelf te verdringen of ontkennen.

 

De kans is dus groot dat Jezus zijn uitspraak over de balk en de splinter niet bedoeld zal hebben als een morele handreiking. Over wat hij dan wel voor ogen had, hoop ik de komende tien minuten met u van gedachten te wisselen.

 

Maar eerst nog de tweede reden dat ik aarzel mij toe te vertrouwen aan die gelijkenis over de balk en de splinter. Dat niet mogen oordelen, heeft niet zelden iets bangigs. We kunnen een oordeel of een conflict uit de weg gaan omdat wij vrezen dat het als een boemerang vooral onszelf zal treffen. Dan houden we ons maar liever stil en voegen wij ons naar wat in aanleg niet deugt. Ik las ergens dat traditioneel kerkelijke ouders het risico lopen van hun kind een chrístenmens te willen maken nog voordat het een méns geworden is. Dat klinkt misschien wat karikaturaal en achterhaald maar waar het om gaat is dat een kind, íeder kind, eerst het gevoel moet krijgen zelf iemand te zijn. Het moet weten dat het niet over zich heen hoeft te laten lopen. Dat geldt natuurlijk ook buiten de kerk. En het is iets van alle tijden. Het gaat niet aan een kind te leren dat het zich om Jezus’ (of weet ik wiens) wil koest moet houden en bij de minste of geringste onenigheid zijn andere wang toe moet keren. Dan wordt het te gemakkelijk afhankelijk gemaakt van het oordeel van anderen nog voordat het zelf heeft kunnen ontdekken wie het is, waar het staat en wat er in zijn beleving toe doet. Het bovenmenselijke (‘niet slaan’ en ‘niet oordelen’) is pas écht bovenmenselijk als het het menselijke te boven gaat. En dus een teken is van sterkte, en niet van zwakte.

 

Dat ik deze tekst vanmorgen met u lees, is omdat ik er de afgelopen paar weken meermalen aan heb moeten denken. Ik logeerde bij een neef van mij in het noordoosten van Thailand. Mijn neef is met een Thaise vrouw getrouwd en het lot bracht hen naar het boerendorp waar zij vandaan komt. Zij wonen in een houten huis op palen, temidden van onafzienbare rijstvelden met hier en daar een paar bomen. Toerisme is er niet en de kans in deze omgeving een andere Europeaan tegen het lijf te lopen, is verwaarloosbaar.

 

Mijn neef communiceert levendig via het internet met de buitenwereld. Maar zijn directe omgeving is volkomen Thais. Ze hebben geen sanitaire voorzieningen die voldoen aan onze westerse standaard, zijn vrouw kookt op vuurtjes in de buitenlucht, zij eten vis, kip en eend (met spannende Thaise kruiden) uit hun eigen tuin en vijver en haar talloze familieleden komen met een grote regelmaat binnenlopen voor een praatje of wat dan ook. Mijn neef lijkt zich daar volkomen thuis en op zijn gemak te voelen. Ik kan me dat tot op zekere hoogte voorstellen. Het leven is er rustig, overzichtelijk en vriendelijk. De grote taalbarrière (mijn neef spreekt geen Thai en zijn vrouw en schoonfamilie hoegenaamd geen Engels) wordt daardoor grotendeels overbrugd. Al was dat eigenlijk geen onderwerp van gesprek, er zullen natuurlijk aspecten aan zijn leven zijn die lastig zijn. Maar hier en nu beperk ik mij tot waar ik tegenaan liep toen ik bij hem en zijn vrouw te gast was. Ik werd mij daarvan overigens pas bewust na een opmerking van de vrouw van mijn neef.

 

Op enig moment zei zij dat het haar altijd opvalt hoeveel ruimte mensen uit het Westen nodig hebben. Zij doelde met haar opmerking met name op de fysieke ruimte die wij claimen. De gemiddelde Thai heeft voldoende aan een matje dat hij zomaar ergens op de grond neerlegt. Op dat matje kan hij zitten, eten, slapen, vrijen, televisie kijken, praten en noem maar op. Privacy is geen thema voor een Thai dus als iemand anders zijn matje naast het jouwe legt, is dat geen punt. Maar wij, wij verlangen aparte kamers voor van alle verschillende aspecten van het leven. En in die aparte kamers zetten wij allerhande meubels neer die dat eten, slapen, vrijen, televisie kijken en praten zo plezierig mogelijk maken.

 

Hierover nadenkend, realiseerde ik mij dat het niet alleen fysieke ruimte is die wij claimen. Veel meer dan ik vermoed dat een Thai dat zal doen, komen wij, in zowel het groot als in het klein, op voor ons eigen gelijk, onze eigen belangen en onze eigen wensen. Dus ook wat dat betreft nemen wij voortdurend ruimte in. Sterker nog: wij eisen die ruimte op door niet aflatend anderen duidelijk te maken dat zij zullen moeten wijken: ‘jouw manier van doen en denken moet wijken voor de mijne want de mijne heeft meer bestaansrecht’.

 

Nu moet ik oppassen de Thaise cultuur niet te romantiseren. Want wat ik zag, is hoe vooral mijn neef zich schikt en aanpast. In die zin is het zijn vrouw die verreweg de meeste ruimte inneemt. Zij bepaalt niet alleen waar en hoe zij wonen, het is haar familie die zowel letterlijk als figuurlijk de toon zet en zij bepaalt, naast vele andere dingen, drie maal daags wat er gegeten gaat worden. Zo  bezien is er niet zoveel verschil tussen de manier waarop wij Westerlingen of de Thaise  vrouw van mijn neef en haar familie ruimte innemen.

 

Hoewel dat mij van mijzelf tegenviel, vond ik het niet altijd eenvoudig mij te voegen naar hoe het er daar in huis aan toe gaat. Er ontstond een spanningsveld tussen aan de ene kant mijn respect voor de Thaise cultuur, voor mijn gastvrouw en haar familie en de manier waarop mijn neef daar gelukkig is, en aan de andere kant mijn particuliere verlangens en behoeftes. In plaats van het een en ander over mij heen te laten komen en te genieten van een paar weken in een zo volstrekt andere omgeving, nam ik mijn toevlucht tot het oordeel. Ik vond, bij voorbeeld, dat mijn neef niet aan zijn trekken kwam. Dat lag natuurlijk aan zijn vrouw. Maar ook hij zou meer voor zichzelf op moeten komen. Hoewel hijzelf op geen enkele manier aangaf het gevoel te hebben tekort te komen, vroeg ik mij af of ik niet toch eens met hem zou moeten praten.

 

Ik moet het allemaal niet groter maken dan het was maar ik ging mij afvragen waarom ik er niet omheen kon mij een oordeel te vormen over uiteenlopende aspecten van hun huwelijk en huishouden. Was het zoiets als territoriumdrift die mij parten speelde? Ik betrapte mijzelf er op dat ik de neiging had terrein af te bakenen: okay, wij, wij passen ons aan maar er zijn grenzen, tot hier en niet verder.

 

Hierover nadenkend, vroeg ik mij af of ik, wat zich daar aandiende, kon begrijpen als een metafoor voor wat er ook in de grote wereld speelt. Wat is dat toch voor een verlangen om zo nadrukkelijk grenzen te willen trekken tussen de mij vertrouwde wereld en wat mij vreemd is en mijn wereld binnendringt? Wat zit daar achter? Speelt luiheid en gemakzucht een rol? Weten wij ons kwetsbaar en daarom snel aangetast in onze identiteit? Kost het moeite ons te onderwerpen aan het regime van iemand uit een andere cultuur? Heeft het met maatschappelijke positionering te maken? In hoeverre is de moeite die het kost om ons aan te passen terug te voeren op een superioriteitsgevoel? Blijkbaar is de neiging groot om, als wij elkaar dicht op de lip zitten, elkaar als concurrenten te zien. Beide ‘partijen’ strijden om dezelfde ruimte waarbij beiden hun eigen comfortzone en positie willen veiligstellen en consolideren.

 

Dat dat het verdient om kritisch tegen het licht te worden gehouden, ligt voor de hand. Want valt dat eindeloos te rechtvaardigen? Kunnen wij ons dat blijven permitteren? Wij komen er niet door te zeggen dat wij respect voor elkaar moeten hebben. Het gaat hier namelijk over méér dan alleen zoiets als ‘wederzijds respect’. Dat is een modekreet die vooral duidelijk maakt dat er een gebrek aan is. Ik woon in Den Haag tegenover een verpleeghuis dat zo heet: ‘Respect’. Het bestuur of de directie kan alleen voor een dergelijke naam gekozen hebben omdat de medewerkers op het belang daarvan moeten worden gewezen. Blijkbaar is dat nodig. En dat lijkt mij geen aanbeveling voor zo’n huis. In deze context gaat het over meer dan respect. Respect is leven en laten leven maar hier staat de menselijkheid op het spel. Hier gaat het erom dat iemand de ruimte krijgt om te zijn of te worden wie hij in wezen is. Zoals ook jou de ruimte toekomt om te zijn wie je bent en kunt zijn.

 

Van de week was ik te gast op een symposium waar deze en dergelijke dingen ter sprake kwamen. Eén van de inleiders sprak over de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Hij legde uit dat het ‘universele’ van die verklaring ‘m zit in de overtuiging dat die ander een waarde en een betekenis vertegenwoordigt die hijzelf niet hoeft te kennen of zelfs maar te vermoeden. De ander representeert iets waarvan hijzelf wellicht geen weet heeft. Dat doet er ook niet toe, dat hoeft ook niet want wij hebben die universele verklaring die ons daaraan herinnert.

 

In datzelfde kader betoogde hij dat wij zouden moeten leren om open staan voor wat er op ons toekomt, ook al gaat dat ons begrip te boven. Die ander, die ons pad kruist, vertegenwoordigt iets waar wij blind voor kunnen zijn maar wat ook besloten ligt in het universele karakter van de Verklaring van de Rechten van de Mens. De vaardigheden om dat te kunnen, om een dergelijke openheid aan de dag te leggen, zijn cruciaal. Als wij daarover niet beschikken, betekent dat dat onze cultuur in chaos ten onder zal gaan. Dat zijn grote woorden waarvan in elk geval ik de reikwijdte niet kan overzien. Maar ik kon ze wel betrekken op het gesprek dat ik met mijzelf voerde over die weken in Thailand. Ze hielpen mij niet alleen mijzelf beter te gaan begrijpen maar ook om beter mijn best te doen om oog te krijgen voor wat mijn neef en zijn vrouw drijft.

 

Wij oordelen zo vaak zo snel omwille van wat wij als lijfsbehoud ervaren. Maar intussen nemen wij niet de moeite om ons te verdiepen in en ruimte te maken voor die mens tegenover mij. Wat weten wij van hem? Een Paasvuur aan balken en splinters houdt zijn verhaal uit beeld. Het verhindert mij om te zien wat hij of zij mij wel niet allemaal te bieden heeft. In feite gijzelen wij elkaar op die manier en onthouden wij ons de ervaring hoezeer wij op elkaar lijken en met elkaar verweven zijn.

 

Huub Oosterhuis maakte een heel vrije vertaling van Psalm 87. Ik besluit met een enkel vers daaruit: Wil deze wereld als een gastvrije tent van de Eeuwige te ontdekken. Dat is de beweging waarin pelgrims hun verwantschap en verbondenheid blootleggen. Wie pelgrimerend het eigene verlaat en binnengaat in de gastvrijheid van de Eeuwige, onderkent in ieder mens, bekenden en onbekenden: uit jou ontspringt mijn leven. Jij bent mijn levensbron.

Amen