25 december 2015 (kerst)

KERSTAVOND 2015       DORPSKERK DURGERDAM

 

voorganger  ds Pieter Lootsma

organist  Chris Helfensteijn

m.m.v. de Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

 

Kerstverhaal Bijna alles kan gezegd worden (Wiggert van der Zeijden, eerste prijs Trouw Kerstverhalenwedstrijd 2010).

 

De zoon van Salomo is jarig. Hij is vijftien jaar geworden. We zijn er allemaal. Moeder kijkt trots de kring rond, ze wrijft over haar nieuwe knieën; de oude zijn versleten op het keukenzeil. Ergens in de tijd heeft haar felle boenersblik plaatsgemaakt voor een ontspannen glimlach. De dingen hebben hun gewicht verloren, oud zeer is weggesleten. Iedereen is milder geworden. Ook broer Salomo. Hij verzet zich niet meer tegen zijn vernoeming naar een Bijbelse koning. Hij heeft zich zelfs ontwikkeld tot de pater familias van ons gezin.

 

We praten wat, over oude roem en nieuwe wijn. We hebben een zintuig ontwikkeld voor het vermijden van ontwrichtende onderwerpen. Maar eigenlijk zijn er daar nog maar weinig van. Soms denk je zelfs dat alles gezegd kan worden.

 

’Het is toch bijzonder als je met Kerst jarig ben’, zeggen we tegen de jarige. Hij is de enige die een seculiere naam draagt. Bij broer Salomo thuis is alles dat met geloven of met de kerk te maken heeft in de ban. Ook Sinterklaas wordt er niet gevierd. Net zomin als Kerstmis of Pasen. Zelfs kerstkransjes en paaseitjes komen er bij Salomo niet in.

 

Alleen de knappende vuurvlammen in de grote houtkachel doen in de verte aan Kerst denken. Moeder is de enige die naast een verjaardagscadeau wel eens een kerstcadeau had meegenomen. Lang geleden. Nadat het was uitgepakt, griste Salomo het direct van tafel en gooide het in de houtkachel. ’Mijn kind groeit op zonder kinderbijbel’, had hij alleen maar gezegd.

 

Salomo was vijftien jaar toen hij van huis weg liep. Een puist die open brak. Nog voor de hoek van de straat liet hij zijn frustratie de vrije loop en draaide het gas van zijn Puch knetterend open.

 

Uiteindelijk hebben wij ons allemaal een uitweg gezocht; wij minder dramatisch dan hij. Moeder telde de dagen. Na zes maanden stond hij weer voor de deur. We hielden onze adem in. Voordat moeder iets had kunnen zeggen, stak hij in de zitkamer een sigaret op. Toen moeder daar bedenkelijk naar keek, zei hij met een nieuwe donkerte in zijn stem: ’Ja, ik rook. Nou en?’ Salomo werd naar zolder verbannen, althans als hij wilde roken. Hij mocht alleen met zijn hoofd uit het dakraam roken.

 

Maar nu zijn we een gelukkige familie. We lachen zelfs om de boekverbranding van enkele jaren geleden. Zoals we lachen om al onze gevoeligheden.

 

Terwijl we daar stil bij elkaar zitten, fluistert Moeder bijna schuldbewust: ’Ach jongens, ik wil er niet steeds over beginnen maar zouden jullie toch nog eens willen kijken of hij niet in jullie boekenkast staat.’ De verzuchting komt ditmaal vanuit haar tenen. Hoe langer het is geleden, hoe belangrijker het voor haar lijkt te worden. Ze kijkt ons één voor één aan, Salomo het langst. We hebben al zo vaak gezocht naar de Bijbel van Vader en Moeder. Allemaal. Het ding verdween 37 jaar geleden. Op dezelfde dag als Salomo. Zij had hem bij haar huwelijk gekregen. Hij was daarvoor van haar grootouders geweest. Er klinken sussende woorden om de emotie te blussen. Natuurlijk gaan we kijken.

 

Mijn gedachten zweven naar de zolder. Daar was een kijkgat. Ik keek er soms door. Ik zag Koning Salomo dan op zijn troon zitten, voorovergebogen over zijn shag waarin hij korrels strooide die hij fijnmaalde tussen zijn vingers. Daarna ging hij op een stoel staan: tot zijn middel uit het dakraam met een grote rookwolk om zich heen. Pas later zag ik waar hij zijn hemelse toeters van bouwde. Op de kist voor de troon lag onze verdwenen Statenbijbel. Voor elke joint werd een bladzijde opgeofferd. Het ritueel werd met trage handen uitgevoerd. Het leek alsof hij ondertussen de bladzijde aandachtig las.

 

’Het is zo jammer’, zegt moeder, ’het was het enige tastbare dat ik nog had van mijn ouderlijk huis.’ Salomo kijkt strak naar het raam, naar de donkere lucht. Maar ook daarbuiten is geen antwoord. De hemelse dromen zijn geïnhaleerd, de herinnering met de wolken weggewaaid. Ik zie hem denken, en niet

voor het eerst: waar heb ik met mijn suffe kop dat ding toen toch gelaten? De jongen vraagt waarom grootmoeder geen nieuwe koopt. Salomo legt het hem geduldig uit. ’Het gaat niet om papier alleen.’ Moeder strijkt kwaaiig haar tranen weg. ’We hebben heus ons best gedaan voor jullie, echt.’ Ook ik kijk naar het raam. En denk aan die dag op zolder: Daar lag die oude Bijbel. Het ding was verminkt, bekrast en geblakerd. Tussen de asvlekken waren de talloze bladzijden al in rook opgegaan.

 

Al die jaren staat de trouwbijbel op mijn boekenplank, verborgen achter een stapel boeken. Niemand die het weet. Ik wacht op het juiste moment. Bijna alles kan gezegd worden. Bíjna alles.

 

overweging

Het is een misschien een wat plompverloren begin, zo op de Kerstochtend, maar ik wil u de vraag stellen of u diegene bent die u zou willen zijn? En dan bedoel ik niet te vragen of u niet liever uitgegroeid zou zijn tot iemand die alom bekend, geroemd en geliefd is, die opvallend mooi en aantrekkelijk is en die door Jan en Alleman bewonderd wordt, daar gaat het mij nu niet om. Wat ik bedoel is of u in staat blijkt om gestalte te geven aan die aspecten van uw karakter en persoonlijkheid die uzelf het meest hoogacht.

 

Met andere woorden: ik wil u vanmorgen uitnodigen eens kritisch naar uzelf te kijken. Misschien is het vooral een uitnodiging aan mijzelf. Omdat ik mij er maar al te zeer van bewust bent dat ik in veel opzichten niet ben wie ik zou willen zijn. Eigenlijk moet ik niet zeggen: ‘wie ik zou willen zijn’ maar: ‘wie ik denk dat ik zou kúnnen zijn’. Want dat is waar het vanmorgen over gaat, over de vraag hoe de mens die wij overdag en doordeweeks zijn, die zich manifesteert in ons gewone doen en laten, hoe díe mens zich verhoudt tot de mens die wij óók zijn, die óók in ons woont maar die zo dikwijls verborgen blijft omdat hij het aflegt tegen onze geldingsdrang, onze angst om niet gekend te zijn en om naamloos in de vergetelheid te verdwijnen. De vraag is waarom die andere, vaak ongeziene helft van ons, zo bescheiden is en wat we zouden kunnen doen om hem wat meer naar voren te halen.

 

Intussen alweer enkele weken geleden zag ik Spectre, de nieuwe James Bondfilm. Misschien had ik niet moeten gaan want meteen na afloop realiseerde ik mij dat ik na de vorige Bond ook al de conclusie had getrokken dat het voor mij niet meer hoeft. Het was weer vooral meer van hetzelfde en echt boeien deed het mij niet. Wat wel opviel en wat ik interessant ging vinden, is dat iedere verwijzing naar een wat diepere laag van ons bewustzijn in het verhaal ontbreekt. Het gaat uitsluitend over macht, geld, mooie vrouwen, snelheid en noem maar op. Ik ging mij afvragen of ik dat zou kunnen begrijpen als een uitvergroting van het leven dat mensen als u en ik leiden. Natuurlijk wil ik niemand van u tekort doen maar ik vermoed dat ‘die diepere laag’ zich ook bij ons maar af en toe doet gelden en dat wij het overgrote deel van de dag in de weer zijn onszelf te handhaven en op de kaart te zetten. Om deze gedachte nog wat verder uit te werken: u en ik, wij kunnen tot de ontdekking komen dat wij in twee werkelijkheden leven. Hoewel onze levens over het algemeen rustiger zijn dan het zijne, is dat in de eerste plaats die van James Bond. En daarnaast is er die werkelijkheid waarin ruimte is voor een bewustzijn dat de strijd om het dagelijks brood verre overstijgt.

 

Tussen beide werkelijkheden ligt een spanningsveld. Sterker nog, wij kunnen het gevoel hebben dat ze met elkaar om de macht strijden. En de vraag die op onze bordjes ligt, is hoe wij in die strijd positie kiezen.

 

Het valt mij op dit moment niet moeilijk om het allemaal wat concreter te maken. De aanslagen in Parijs zullen ook u nog ver in het geheugen liggen. Maar omdat er intussen enige tijd overheen gegaan is, kunnen wij ons afvragen hoe wij de beelden intussen hebben opgeslagen. Zijn het herinneringen geworden aan een dramatisch moment in de strijd van goed tegen kwaad? Met dan natuurlijk Parijs en de daar gevallen slachtoffers in de rol van good guys en de daders in de rol van de bad guys. Dat is, in feite, de manier van kijken die ik tegenkom in de James Bondfilms.

Of kijken wij anders? Want ook dat is denkbaar. Dan kijken wij met ‘andere ogen’. Dat is de manier waarop we in ‘die andere werkelijkheid’ waarnemen. Dan openbaart zich aan ons een menselijke tragedie voor zowel de slachtoffers en hun omgeving als voor de daders en de wereld die zij representeren. Dit is een werkelijkheid waarin ieder mens een eigen verhaal vertelt en waarin al die verhalen volstrekt ernstig genomen worden. De slachtoffers van deze aanslagen zijn in zekere zin onschuldig. Maar het gedrag van wat wij de daders noemen, is hier ook de resultante van een verhaal, waarschijnlijk een verhaal van ontkenning en miskenning, van door omstandigheden vervormde persoonlijkheden waarbij factoren een rol spelen die wij niet kennen en niet kunnen beoordelen. Ik heb het hier over een werkelijkheid waarin wij zó kijken dat de schuldvraag geen rol speelt omdat een besef van eenheid, van uiteindelijke zielsverwantschap en onderlinge trouw de toon zetten.

 

Misschien wel met name met Kerstmis laten wij tot ons doordringen hoe betrekkelijk de wereld en de werkelijkheid van 007 en zijn kornuiten is. Kerstmis is het feest waarop wij ons uitgenodigd weten het te proberen met die andere manier van kijken die vaak zo breekbaar blijkt te zijn.

 

Het is daarom niet voor niets zijn dat Lucas in de ouverture van zijn Evangelie de mens die gestalte geeft aan een leven in die andere werkelijkheid verbééldt als een kwetsbaar kind. Een kind bovendien dat niet welkom is. Er is voor hem ‘geen plaats in de herberg’. En wij allemaal weten hoe het met dat kind is afgelopen, hoe hij meedogenloos om zeep geholpen is.

 

Waar dit mij aan doet denken is het gemak waarmee vooral in managementkringen geroepen wordt dat wij ons toch vooral ‘kwetsbaar op moeten stellen’. Dat klinkt misschien eenvoudig maar dat is het alles behalve. Je werkelijk kwetsbaar opstellen betekent dat je alle façades prijsgeeft, en alle oneigenlijke houvast. Het wil zeggen dat je stáát voor wat je werkelijk bent, denkt en voelt, ook al is het pijnlijk of beschamend en loop je het risico daarom te worden gediskwalificeerd. Om kwetsbaar te kunnen zijn, hebben wij vertrouwen nodig. Veel vertrouwen, vooral in onszelf. Én in de gedachte dat wij meer mens worden als wij die breekbare kant in beeld brengen. En dat dat alle pijn en eenzaamheid die het met zich meebrengt waard is. Maar, zeker in eerste instantie, is die zogenaamde kwetsbaarheid ronduit afschrikwekkend en helemaal niet iets waar wij graag mee in zee gaan of ons aan toevertrouwen.

 

Misschien mag ik één en ander illustreren met iets dat mij vorige week is overkomen. Ik was tot aan het einde van de middag in Rotterdam geweest. Omdat ik ’s avonds in Amsterdam verwacht werd, besloot ik het er niet op aan te laten komen en onderweg even ergens een hapje te eten. Ik belandde in het restaurant dat vlakbij Schiphol over de A4 heen gebouwd is. Het was er druk maar ik vond een tafeltje pal aan het raam en keek mijn ogen uit naar het aanstormende en onder mij langs razende verkeer. Toen gebeurde het. Van het ene op het andere moment werd ik bang. Ik kan zonder te overdrijven zelfs zeggen dat ik doodsbang werd. De gedachte dat dit restaurant een uitgelezen plek zou zijn om een aanslag op te plegen nam bezit van mij. Ik zag het voor me: al die mensen bij elkaar en het mediageniek op al die voorbij rijdende auto’s in elkaar stortende gebouw. Ik had maar één gedachte en dat was hoe ik zo snel mogelijk naar buiten zou kunnen komen.

 

Ik kan u geruststellen: mijn paniek duurde niet lang. Mijn natuurlijke reactie was om zo snel mogelijk met die angst af te rekenen: ‘In je hok jij, ik ben jou niet’. Ik heb mijzelf daar achter mijn bord eten streng toegesproken en ik kreeg mezelf weer voldoende in de hand om dat bord leeg te kunnen eten en in een zekere rust te kunnen vertrekken. Maar wat was er nu gebeurd? Wat was het nu dat mij opeens zoveel angst inboezemde? Was dat de gedachte aan een toch heel onwaarschijnlijke aanslag? Of was het iets anders? Was het misschien de plotselinge confrontatie met mijn besef zo vreselijk kwetsbaar te zijn? Om eerlijk te zijn: ik denk het laatste. Ik was vooral geschrokken van het besef dat dat plezierige laagje zelfverzekerdheid waarmee ik mij omhul zo angstig dun blijkt te zijn.

 

Ik heb mij achteraf al snel gerealiseerd dat ik de herinnering aan dat incident niet zomaar mocht laten verdampen. Het zou mij kunnen helpen iets te gaan begrijpen van wat het betekent om je altijd opgejaagd en bedreigd te voelen. En om mijn verbondenheid en solidariteit te versterken met die volksstammen die nooit rust kunnen vinden en die zich voortdurend bang en opgejaagd weten.

 

Wij leven in twee werelden of werkelijkheden tegelijk. En beide strijden om voorrang. De ene is die van James Bond (hopelijk gunt u mij de overdrijving). Daarbij gaat het om consolideren van onze positie en macht. Dat is de wereld van het denken in termen van goed en kwaad, van de schoongeveegde stoepjes en van de op orde zijnde buitenkant. En de andere wereld waarin wij óók leven kenmerkt zich door openheid, ontvankelijkheid, zachtheid en eenvoud. Omdat wij in al die facetten van het leven kwetsbaar zijn, is het een wereld die ons in eerste instantie angst inboezemt. Wij worden er ontmaskerd en wij kunnen ons er niet langer verschansen. Maar precies daarom is het óók de wereld waarin wij elkaar op een existentieel niveau ontmoeten en waarin wij ons realiseren hoe broos wij zijn en hoezeer wij wat dat betreft op elkaar lijken en met elkaar verweven zijn.

 

Ik begon ermee de vraag te stellen of u diegene bent die u zou willen zijn. Uiteindelijk zal het antwoord op die vraag ontkennend noch bevestigend zijn. Er zullen dagen zijn dat u tevreden, zo niet gelukkig bent met wie en wat u intussen geworden bent. Maar er zullen ook momenten zijn dat u verlangend neerziet op het kind in de kribbe dat u doet terugdenken aan dat ‘andere ik’. Dat zijn de dagen dat u zich afvraagt of u wel op de goede weg bent en of u niet heel andere accenten had kunnen zetten. Wellicht zult u de deur gastvrij openzetten. Wat daarvoor nodig is, behalve een fris wantrouwen van de gewone, dagelijkse werkelijkheid, een hartelijk vertrouwen in waar u ook vervuld van kunt raken. Dat is wat ik u vanmorgen toewens, een beklijvend vertrouwen in wat óók mogelijk is!

Amen