8 november 2015

Dorpskerk Durgerdam, zondagmorgen 8 november 2015, Allerheiligen

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist: Chris Helfensteijn

m.m.v. de Cantorij o.l.v. Chris Helfensteijn

 

liturgie

welkom en mededelingen

zingen    NLB 919 (Cantorij: 2)

votum en groet

gebed

zingen    NLB 34: 1, 2, 7 (Cantorij: 1 en 7)     

schriftlezing   

zingen    NLB 362: 1 en 3

overweging

Cantorij   Thou knowest Lord, the secrets of our hearts van H. Purcell

zingen    NLB 730 (Cantorij: vers 1)

wij noemen u de namen

zingen    Kaarsenlied

Cantorij   Selig sind die Toten  van H. Schutz

Onze Vader

zingen    NLB 801: 1, 2, 5 en 6 (Cantorij: vers 2)

zegen

 

gebed

Vanmorgen geven wij uiting aan onze dankbaarheid

voor al die grote en kleine mensen die ons zijn voorgegaan,

voor hen die geschiedenis schreven

én voor hen die in de schaduw leefden,

voor wie ons hebben leren zingen

en voor wie ons hebben leren kijken naar wat er óók te zien is,

voor wie gebeden hebben in de stilte

en voor wie luidkeels schreeuwden om gerechtigheid,

voor wie met eer zijn gekroond

en voor wie werden afgewezen door waar ze bij hoorden.

Wij staan vanmorgen eerbiedig stil bij al onze ouders en grootouders,

bij allen die er in onze levens waren

en ons vergezelden en de weg wezen.

Dat wij het aandurven hen in een besef van durende verbondenheid toch los te laten en toe te vertrouwen aan uw grenzeloze liefde.

Amen

 

schriftlezing

Genesis 13: 1 En Abram trok uit Egypte naar het Zuiderland, hij en zijn vrouw en al wat hij bezat, en Lot met hem. 5 En ook Lot, die met Abram mede ging, had schapen en runderen en tenten. 6 Maar het land liet niet toe, dat zij tezamen bleven wonen, want hun have was talrijk, zodat zij niet tezamen konden wonen. 7 Daardoor ontstond er twist tussen de herders van Abrams vee en de herders van Lots vee. 8 Dus zeide Abram tot Lot: Laat er toch geen twist zijn tussen mij en u, en tussen mijn herders en uw herders, want wij zijn mannen broeders. 9 Ligt het gehele land niet voor u open? Scheid u toch van mij af; hetzij naar links, dan ga ik rechts, hetzij naar rechts, dan ga ik links. 10 Toen sloeg Lot zijn ogen op en zag, dat de gehele streek van de Jordaan rijk aan water was; zij was tot Soar toe als de hof des Heren. 11 Dus koos Lot voor zich de gehele streek van de Jordaan, en Lot brak op naar het oosten; en zij scheidden van elkander.

14 En de Here zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, 15 want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. 16 En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn. 17 Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven. 18 Daarna sloeg Abram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten van Mamre, bij Hebron, en hij bouwde daar een altaar voor de Here.

 

overweging

Vanmorgen wil ik een aantal gedachten met u delen over een onderwerp dat mij al even bezighoudt. Het is een observatie die bij mij vragen heeft opgeroepen. Het kan zijn dat ik iets denk te zien dat er niet is of waarvan veel minder expliciet sprake is dan ik vermoed. In dat geval moet u mij op een later moment nog maar eens aanschieten.

 

Waar het op neerkomt, is dat ik het idee heb dat de manier waarop wij de dood beleven en de plaats die de dood in ons leven heeft, de laatste halve eeuw nogal veranderd is. En een van de wat mij betreft in het oog springende veranderingen is dat ik in mijn werk maar zelden meemaak dat iemand met een grote angst voor de dood worstelt. We kennen allemaal de voorbeelden daarvan uit de literatuur of uit de beeldende kunst. Van mensen die zich met zoveel ontzag voorbereiden op hun dood dat er op en rond het sterfbed de meest indrukwekkende dingen voorvallen. Er wordt om vergiffenis gebeden voor niet zelden heel oude uitglijders, bij het afscheid nemen van dierbaren worden grote ontboezemingen gedaan, opeens komt de vraag naar God levensgroot in beeld, op de valreep bekeert iemand zich tot het christendom en vult u zelf maar aan.

 

Wat ik daarentegen wel veel tegenkom, en eigenlijk is dat meer regel dan uitzondering, is dat men bang is voor de weg naar de dood toe. De stervende is bang voor de pijn die zijn ziekte in die laatste fase met zich mee zou kunnen brengen. Niet zelden  zijn mensen bang voor benauwdheid en een gebrek aan zuurstof. Ze zien er als een berg tegen op afscheid te moeten nemen van geliefden en dierbaren. En tegen het niet langer gestalte kunnen geven aan de verantwoordelijkheid die zij voor hun dierbaren voelen. Maar dat is in mijn beleving allemaal toch iets anders dan wat ik versta onder een angst voor de dood.

 

Ik denk, om kort te gaan, dat het sterfbed is gemedicaliseerd. Was het in vroeger tijden het moment en de plaats om de grote vragen te stellen die het bestaan oproept, tegenwoordig ligt er een accent op het veilig stellen van een pijnloos, zacht sterven. Die grote vragen worden, onder meer door het gebruik van pijnstillers en wat dies meer zij, naar de achtergrond gedrongen.

 

‘Onder meer’, zei ik. Want wellicht zijn er ook andere redenen van deze veranderingen aan te wijzen? Is het inderdaad zo dat de angst voor de dood in meer of mindere mate verdampt is? Wat is het dan dat daartoe heeft geleid?

 

Het is overigens niet zo dat angst en ontzag voor de dood een geloof in een leven na de dood veronderstelt, in een hemel of juist in een hel. Misschien is het goed dat ik dat misverstand met een zekere nadruk uit de wereld help. Wie denkt dat de angst voor de dood in het verlengde ligt van een geloof in een hemel en een hel, vergist zich namelijk. Hij zou kunnen denken dat wij van onze angsten verlost zijn omdat wij een dergelijk geloof achter ons gelaten hebben. Maar het is veeleer precies andersom. Beide, de hemel en de hel, zijn in eerste instantie niet meer en niet minder een verbeelding van respectievelijk het vertrouwen of de angst waarmee wij ons aan de dood toevertrouwen. En als de dood geen rol meer speelt, of ons geen angst meer inboezemt, dan zijn het de hemel en de hel die hun functie verliezen.

 

Wat ik vermoed, is dat onze afgenomen betrokkenheid op de dood te  maken heeft met, of het gevolg is van de afgenomen ruimte die wij in het dagelijks leven inruimen voor onze existentiële vragen en gevoelens. Existentiële vragen zijn vragen die met het bestaan, met onze existentie, gegeven zijn. Vragen over waar we vandaan komen en waar we naartoe op weg zijn. Vragen die opkomen met het plotselinge besef dat er maar dát hoeft te gebeuren of je verdwijnt eenzaam en naamloos in een peilloze, donkere diepte. Of het besef dat het maar een dun laagje vernis is dat ons weghoudt van de angst om ongekend en zonder iets of iemand achter te laten, dus zonder op welke manier dan ook vruchtbaar te zijn geweest, te moeten sterven. Dat is dus iets anders dan bang zijn voor spinnen of altijd bang zijn om te laat op afspraken te komen. Dergelijke existentiële vragen en angsten gaan eindeloos dieper en zij zijn van alle tijden en alle plaatsen. Dus ook van nu. Maar wij lijken ze te hebben weggestopt achter een dikke laag make up. We merken ze vaak niet meer op. Liever niet, zelfs. Want wij zijn nauwelijks nog geoefend in om ermee om te gaan.

 

Toch breken zij af en toe door de korst waarachter zij schuilgaan heen. Iedereen hier vanmorgen aanwezig zal daar ervaring mee hebben. Hoe dikwijls zie ik nabestaanden niet worstelen met de vraag waar hun dierbare dode nu toch is? Toen alles nog bij het oude was, hadden zij zich niet afgevraagd waar iemand die sterft blijft. Bijna integendeel. Ze hadden een zekere weerstand tegen in hun ogen ouderwetse fantasieën over een mogelijk verder leven na dit leven. Maar nu zijzelf iemand hebben moeten afstaan, moeten zij ontdekken dat de dood zo overweldigend vreemd is, zo ongrijpbaar radicaal, dat zij hun dode er niet aan kunnen toevertrouwen. Ze willen de greep niet verliezen. Zij zoeken contact te houden. En in hun poging daartoe, vragen zij zich wanhopig af waar hij of zij in godsnaam gebleven kan zijn.

 

Ik wil u niet opzadelen met vragen die u helemaal niet stelt. Maar de vraag die zich in elk geval aan mij opdringt is, is of wij erbij gewonnen hebben nu het stellen van deze vragen geen deel meer uitmaken van ons dagelijks bewustzijn. Zijn we erop vooruit gegaan of hebben we onderweg toch iets verloren en zijn er ergens onderweg misschien zelfs één of meer kinderen met het badwater weggegooid?

 

Ik kan die vraag niet beantwoorden. In de eerste plaats niet omdat ikzelf ook een kind van deze tijd ben. Maar nog los daarvan is de materie zo complex en zitten er zoveel kanten aan dat ik het allemaal niet overzie. Maar wat ik wél weet is dat de dood onmiskenbaar deel uitmaakt van het landschap van ons bestaan. Uit de aard der zaak hebben wij maar een deel van dat landschap in beeld. Ons zicht, ons overzicht, onze kennis en ervaring is beperkt. Maar dat betekent niet dat wat wij níet in beeld hebben, er niet is. Of dat het geen invloed heeft op wat wij wél zien en ervaren. Het gaat daarom ook niet aan dat wij de dood negeren of ontkennen. Wij bewijzen onszelf geen dienst als wij de werkelijkheid beperken tot wat ons welgevallig is en waar wij invloed op kunnen uitoefenen, tot wat wij kunnen manipuleren in de richting van ons eigen belang. Dan beperken wij ons mens-zijn tot een min of meer terloops project waarbij het er enkel op aankomt onszelf zo goed mogelijk op de kaart te zetten en zo pijnloos mogelijk de eindstreep te halen.

 

Wij doen onszelf dan daarom tekort omdat wij dan uit het oog verliezen dat er een eindeloos perspectief is waarin dit bestaan zich voltrekt en waarin het op een even wonderlijke als geheimenisvolle manier geborgd is.

 

Hier, vanmorgen, is de dood concreet aanwezig: in onze herinneringen en in de namen van degenen die wij hier gedenken. Zo maakt niet alleen de dood maar zo maken ook onze doden deel uit van het landschap waarin wij ons bestaan gestalte geven.

 

Ik las het verhaal van een ontgoochelde Abraham die zichzelf terugvindt een desolate omgeving. Ooit was hij er vol goede moed op uitgetrokken omdat hij geloofde dat zijn bestemming elders lag dan in de wereld van de gebaande paden. En zijn neef Lot, de zoon van zijn overleden broer, was met hem meegegaan. Maar ze begonnen elkaar voor de voeten te lopen. Hun leefwerelden zaten elkaar in de weg. En daarom besloten zij ieder huns weegs te gaan. Lot mocht kiezen welk landschap het zijne zou zijn. Hij koos de vruchtbaarheid van de Jordaanvallei. Dat betekende dat Abraham zichzelf terugvond in de onafzienbare dorheid van het onvruchtbare bergland. Zo op het eerste gezicht is het daar nauwelijks mogelijk om te overleven. Hoe moet hij verder?

 

En dan vertelt het verhaal hoe er uit dat volstrekt ongastvrije landschap een stem klonk die hem uitnodigt zich er ondanks alles aan toe te vertrouwen. Nee, sterker nog, die stem zegt hem toe dat hij het er niet alleen zal kunnen redden maar dat er toekomst voor hem in het verschiet ligt.

 

Dat is wat ik u vanmorgen toewens, dat het nu wellicht onmogelijk geachte zal gebeuren. Dat ook u zich uitgenodigd zult weten u toe te vertrouwen aan die wellicht even ongastvrije werkelijkheid die nu ongevraagd en ongezocht úw werkelijkheid geworden is. En dat u zult durven gaan geloven dat, hoewel die werkelijkheid alle schijn tegen heeft, er daadwerkelijk leven is dat ook u wacht.

Amen