30 augustus 2015

Dorpskerk Durgerdam     zondag 30 augustus 2015

 

voorganger: ds Pieter Lootsma

organist/pianist: Chris Helfensteijn

 

liturgie

welkom

zingen   NLB 720 (melodie: NLB 981 zolang er mensen zijn ..)

votum   Durgerdams Liedboek 9 (hoor ons aan ..) 

gebed

zingen   NLB 213: 1, 2 en 5 (morgenglans der eeuwigheid ..)

inleiding op de schriftlezing

schriftlezing

zingen   NLB 802: 1, 3, 4, 5 en 6 (door de wereld ..)

overweging

muziek

gebed - stil gebed

gezongen Onze Vader

collectes   

1. voor de Dorpskerk Durgerdam

2. voor TIMON (helpt bij problemen met opvoeden en  opgroeien)

zingen   NLB 422 (laat de woorden ..)

zegen

 

gebed

Wanneer wij onszelf de rust gunnen

om eens te kijken wie wij zijn en waar wij staan;

dan is het denkbaar dat wij lang niet zo origineel zijn als wij wel zouden willen

en niet zo trouw als wij eigenlijk van onszelf verwachten.

Wij zijn niet zo geestig en vrij

als zou moeten,

niet zo spannend of aantrekkelijk als wij,

met wat wij allemaal meekregen, zouden kunnen zijn

 

Toch doen wij, ieder van ons op zijn of haar eigen manier,

zo dapper ons best om overeind te blijven

en om iets voor te stellen.

 

Maar op onverwachte momenten dringt dan het vermoeden zich aan ons op,

dat wij onszelf een rad voor ogen draaien en

dat wij voorbij leven aan waar het werkelijk om gaat,

dat wij ons op te dun ijs bewegen

en dat de bodem onder onze voeten los zand is,

dat bij de eerste de beste golf weg zou kunnen spoelen.

Of dat wij nog nét, met de toppen van onze vingers,

hangen boven de afgrond van vergeefsheid en vergetelheid

 

Wat anders kunnen wij vragen

dan dat wij gaan herkennen dat wij deel uitmaken

van een liefdevolle en troostende werkelijkheid die de onze verre overstijgt?

En dat wij uitgenodigd zijn

om zo dapper te worden

ons toe te vertrouwen aan de momenten

waarop dat besef zich aandient?

Dat wij ons leven zullen leven in verwachtingsvolle verwondering

en dat wij ontmaskeren wat ons daarvan weghoudt.

 

inleiding op de schriftlezing

Terecht dacht een aantal van u zich te herinneren dat er vanmorgen een aantal kinderen gedoopt zou gaan worden. Dat was tot voor enkele weken ook beslist de bedoeling. Dat de doopouders er uiteindelijk van af hebben gezien, heeft een naar mijn idee goede reden. Naarmate de datum van vandaag naderde, raakten zij meer en meer onder de indruk van hun beslissing hun drie intussen al zelfstandig lopende zoons alsnog naar het doopvont te geleiden. Na een eerste gesprek dat ik hierover met hen voerde, was het met name de doopvader die zei dat het als minstens zo groot voelde als indertijd de beslissing om een zegen over hun huwelijk te vragen. Daarom wilden ze het niet bij één doopgesprek laten. Ze willen in een serie gesprekken stilstaan bij de vraag waar dat verlangen om hun kinderen te laten dopen nu opeens vandaan komt. En ze willen dat in elk geval de oudste twee van hun kinderen er van tevoren ook bewust naar toe zullen leven. En omdat hun zomer eigenlijk al helemaal vol zat en er geen tijd meer was voor een zo uitgebreid traject, hebben wij in goed overleg besloten de doop uit te stellen.

 

Maar intussen had ik mij al wel een idee gevormd over de inhoud van deze dienst. En ik heb besloten mij daar in grote lijnen aan te houden. Dat wil zeggen dat ik u twee korte fragmenten ga voorlezen uit het evangelie naar Mattheus waarin iets verteld wordt over het dopen van (of door) Johannes de doper. In deze twee fragmenten worden twee manieren beschreven waarop een mens een nieuw begin kan maken met zijn leven. Die twee manieren wil ik vanmorgen tegenover elkaar zetten. We doen dat dan niet expliciet in het kader van de doop maar zo aan het einde van het vakantieseizoen en aan het begin van weer een nieuw jaar op het werk, op de scholen en in de kerken is het misschien ook wel aardig om daar eens bij stil te staan, bij het hoe en waarom van het opnieuw, met een al dan niet schone lei beginnen.

 

schriftlezing

Mattheus 3: 1 In die dagen trad Johannes de Doper op en hij predikte in de woestijn van Judea, 2 en zeide: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. 3 Hij toch is het, van wie door de profeet Jesaja gesproken werd, toen hij zeide: De stem van een, die roept in de woestijn: Bereidt de weg des Heren, maakt recht zijn paden. 4 Hij nu, Johannes, droeg een kleed van kameelhaar en een lederen gordel om zijn lendenen; en zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilde honing. 5 Toen liep Jeruzalem en heel Judea en de gehele Jordaanstreek tot hem uit, 6 en zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door hem dopen, onder belijdenis van hun zonden.

 

13 Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen. … 16 Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. 17 En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.

 

overweging

In de aanloop naar de zomer heb ik verschillende mensen uit mijn omgeving gevraagd of er boeken zijn die ik beslist zou moeten lezen. Eén iemand noemde toen ‘Kom hier dat ik u kus’ van de Vlaamse schrijfster Griet op de Beek. In eerste instantie liet ik die tip lopen omdat de titel mij afschrok. Hij klonk in mijn oren vooral als passend voor een dichtbundel van Nel Benschop. Maar toen er verschillende mensen ditzelfde boek gingen noemen, ben ik over stag gegaan. En terecht, want het is schitterend. Het vertelt, in de ik-vorm, het verhaal van de ontwikkeling van een jonge vrouw. In het eerste deel is zij een jong meisje, in het tweede deel is zij in de twintig en in het derde deel is zij een dertiger. Op de Beek slaagt er in te laten zien hoe er samenhang is tussen wat er in de vroege jeugd en wat er later in een leven gebeurt. Dat doet zij scherp, mild maar beslist ook geestig. En tussen mij en de titel van het boek is het ook nog goed gekomen. De door Op de Beek gekozen titel blijkt, vrijwel aan het einde van het boek, een subtiele diepere laag te hebben.

 

In het derde deel waarin de hoofdfiguur Mona al ruimschoots volwassen is en zij haar stervende vader begeleidt, blijkt deze tijdens zijn tweede huwelijk een relatie te hebben gehad met een vrouw die Johanna heette. Mona besluit contact te leggen met deze Johanna. Zij vermoedt dat dat voor haar vader van veel betekenis zal zijn. Uiteindelijk arrangeert zij verschillende ontmoetingen tussen haar vader en Johanna. Maar omdat zijzelf haar vader beter wil gaan begrijpen en leren kennen, besluit zij ook alleen met deze vrouw te gaan praten. Johanna blijkt een lieve en verstandige vrouw die werkelijk van haar vader heeft gehouden. Tijdens een van de gesprekken met haar zegt Johanna iets dat ik u ga voorlezen:

 

‘Spijt…’ Ze gaat met haar duim en wijsvinger langs haar onderlip. Zoals papa soms ook doet als hij aan het nadenken is. ‘We staan elke dag op, doen wat van ons verwacht wordt, en gaan dan weer slapen, en dat noemen we leven. We saboteren onszelf zonder het te beseffen, omdat we nadoen wat ons ooit is voorgedaan, en dan denken we dat het zo móet gaan. En ondertussen organiseren we de dingen zo, dat we geen tijd hebben om stil te staan bij dat wat we ten diepste voelen. We vergeten wat we waard zijn en durven niet te geloven dat we het goeie wel degelijk verdienen. We vinden het makkelijker om te berusten bij ons leed, om onszelf te troosten na de pijn, dan te kiezen voor wat ons echt gelukkig zou maken.’ Ze gaat met haar hand door haar haar. ‘Zie mij u hier eens overdonderen. De wijsheid van een oud wijf, ge zult ook denken.’ Ze lacht gul.

‘Integendeel.’ Ga door, stop niet met praten, denk ik alleen maar.

‘Weet ge, het is, ik heb zoveel gedacht, sinds…’ Ze kijkt in de verte, wrijft met een paar vingers langs de palm van haar hand. ‘We doen altijd maar voort, en dan worden we oud, en dan voelen we het tot in onze gewrichten, dat de dingen eigenlijk niet kloppen, dat er iets anders mogelijk was geweest, als we beter hadden durven weten. Maar dan vinden we dat het te laat is. En straks dromen we heimelijk van eindelijk doodgaan, of van een hemel waar dan alles goed komt, al naargelang. Zo jammer allemaal, zo verschrikkelijk jammer.’ Ze draait met het glas in haar handen, drinkt het helemaal leeg. ‘Hoe oud zijt gij nu?’

‘Vijfendertig.’

‘Mag ik u dat zeggen? Dat ge goed moet leven, en harder moet dromen.’

 

Met name dat laatste spreekt tot in elk geval mijn verbeelding. Maar tegelijkertijd realiseer ik mij dat dat zo eenvoudig niet is, dat ‘goed moeten leven’ en dat ‘harder dromen’. Het veronderstelt immers dat ik een idee heb van wat dat is, ‘goed leven’. En als ik moet dromen over waar het naartoe zou moeten, met mij en met deze wereld, moet ik ook daarvan tenminste een vermoeden hebben.

 

Er van uitgaande dat het laten dopen van je kinderen bij uitstek een moment is om je deze vragen te stellen, leek het mij aan de orde te zijn daar vanmorgen met elkaar over na te denken. Maar diezelfde vraag kunnen wij ons stellen wanneer wij met vakantie gaan en daarna een nieuw begin maken met onze levens. Er ‘nodig even uit moeten, even ‘dat andere behangetje willen zien’, om ‘de accu weer op te laden’, waartoe dient dat uiteindelijk? Zijn het holle woorden die dienen ter legitimatie van het enkele weken helemaal niets doen? Of hebben wij inderdaad een plan met onze levens? Zijn wij ergens naartoe onderweg en hebben wij daar die nieuwe energie voor nodig? Is vakantie een pleisterplaats onderweg óf willen wij na zo’n vakantie vooral het gevoel hebben een helemaal nieuw begin te mogen maken? Om met een schone lei de volgende winter in te kunnen gaan? Dan is, om hetzelfde met andere woorden te zeggen, vakantie vooral een reinigingsritueel.

 

Ik denk dat ik niet teveel zeg als ik beweer dat dat laatste raakt aan een verlangen dat iedereen zal herkennen: nog één keer opnieuw te mogen beginnen. Te mogen resetten en een frisse start te kunnen maken. Wat gebeurd is, is gebeurd en al het oude is vergeven en vergeten. Het is, letterlijk of figuurlijk, door het zeewater afgewassen.

 

Ik las die paar verzen uit het evangelie naar Mattheus omdat dit de mogelijkheid is waarmee Johannes zijn toehoorders verleidt: ‘Geef openheid van zaken over al je uitglijders in het verleden. Ik zal ze tegen het licht houden en de betrekkelijkheid ervan aantonen. Dan kunt ge, vanaf dat moment, onbelast uw weg vervolgen. Maar blijf verre van wat niet geoorloofd is en wat God onwelgevallig is. Dat hele droevige, pijnlijke of morsige verleden van jou, het is teniet gedaan. Maar nu kunt ge een nieuw begin maken.’ Het klinkt wellicht verleidelijk maar de vraag is in hoeverre het reëel is.

 

Verderop in de evangeliën neemt Jezus afstand van Johannes. Hij leeft een tweede, andere mogelijkheid voor. Die is ons, zeker op het eerste gezicht, minder dicht op het lijf geschreven. Maar ik vermoed dat het wel een mogelijkheid is die veel dieper grijpt en die met name meer waarheid en vooral waarachtigheid bevat. Misschien is dat ook wel waarom zij zo graag onze wijk nemen tot wat Johannes ons belooft, omdat wat Jezus ons voor houdt ons té na komt.

 

En die andere mogelijkheid is die van de volkomen zelfacceptatie. Van het leren gaan houden van wie en wat je bent, met alles d’r op en d’r an. Van het durven gaan staan voor wat er bij jou hoort, ook al is het iets dat anderen angst aanjaagt of wat zij verfoeien. Niks geen moraliteit of een aanzet tot soberheid of onthouding van welke aard dan ook. Jij bent jij en er is geen autoriteit te bedenken die daar iets aan af kan doen.

 

In dat licht bezien, is de vakantie geen periode waarin wij afstand nemen van onszelf om daarna een nieuwe start te maken met een ‘newly invented me’, met een opnieuw uitgevonden ik. Vakantie hebben betekent dan het nemen van de rust om af te dalen in onszelf, in de krochten, stegen en de ondergrondse gangen van ons bewustzijn. Het is het scheppen van ruimte om in een openhartig gesprek met onszelf, beter te gaan zien en begrijpen wie wij eigenlijk en ten diepste zijn.

 

Met name wie wat ouder wordt zal de actualiteit van de verschillen tussen het denken van Johannes en Jezus herkennen. Als je jong bent en het leven vóór je ligt, kun je dat denken dat oude pijn vergeten kan worden, dat niet gerealiseerde ambities alsnog bewaarheid zullen kunnen worden. Er is nog alle tijd om teleurstellingen en mislukkingen goed te maken. Maar naarmate we ouder worden, groeit het besef dat we zullen moeten leven met de littekens, de pijn, het gemis en de uitglijders uit ons verleden. Sterker nog: het zijn die littekens, die pijn, dat gemis en die uitglijders die maken dat wij zijn wie wij zijn.

 

We gaan ontdekken dat het naïef is om nog te geloven dat wat wij allemaal met ons meedragen ongedaan gemaakt zou kunnen worden. Er bestaat helemaal geen bevrijding zoals Johannes deze propageert. Heel kortstondig wellicht. Maar al ras zal ons zelfbedrog genadeloos als een illusie worden ontmaskerd.

 

Wat daar tegenover gesteld wordt, dat nieuwe begin in een volkomen acceptatie, eigenliefde, heelheid, schetst Mattheus in de verzen waarin hij de doop van Jezus uittekent. Die mens bij uitstek belijdt geen zonden, niets daarvan. Wanneer hij zich blootgeeft ten overstaan van zijn god klinkt er enkel die stem die zegt: jij bent wie je bent, mijn kind. En je kunt, in welk bos je ook verdwalen zult, kunnen rekenen op mijn onvoorwaardelijke liefde en trouw.

 

Ik ben altijd wat huiverig voor wat ‘christelijke ethiek’ genoemd wordt. Het ís moraliserend óf het wordt als moraliserend uitgelegd en toegepast. Maar als er toch zoiets als christelijke of Bijbelse ethiek bestaat dan is dit het cruciale inzicht, dat wij allemaal onvoorwaardelijk worden liefgehad.

 

Op de een of andere manier was er een CD van Bette Midler in mijn auto beland. Op de lange reis naar en terug uit Frankrijk heb ik hem meermalen gedraaid. Eén van de liedjes die zij zingt, heet From a distance. From a distance God is watching us. Het is een uitnodiging om elkaar te bezien zoals zij al zingend fantaseert dat God ons beziet. Wat wij groot maken wordt dan heel betrekkelijk. Heel ons leven en samenleven krijgt iets teders en aandoenlijks. En God ziet dat aan, uit de verte, en het roept een alles begrijpende, alles vergevende en niet te frustreren liefde in het leven.

Amen.

 

gebed

Voor allen die zich van god en mensen

verlaten voelen,

bidden wij.

voor allen die hun lot niet kunnen dragen,

voor hen die lijden

en geen zin of uitkomst meer zien.

 

Voor allen die opstandig zijn

of uitgedoofd, verlamd;

voor hen die verbeten zijn en verbitterd zijn,

schamper en cynisch:

maak hen mild, open hun ogen opnieuw

voor de goedheid die er onder mensen mogelijk is.

 

Voor allen die gewantrouwd worden,

die leven onder de druk

van verdachtmaking en kwaadsprekerij.

Voor hen wier zelfvertrouwen wordt ondermijnd

door het harde oordeel van anderen.

Voor allen die geen begrip ontmoeten,

geen woord dat hen geneest,

geen mens die hen aanvaardt.

 

Voor allen die geremd en angstig zijn,

voor hen wier geweten verkrampt is en onvrij,

voor allen die onrustig zijn en gespannen,

onzeker, ten einde raad.

 

Voor allen die moedeloos worden

bij het zien van alle kwaad in deze wereld,

maar ook voor hen die optimistisch zijn,

voor allen die kracht uitstralen

en vriendschap kunnen geven:

dat zij staande blijven als zij worden beproefd

en nooit ontbreken in ons midden.

 

In de stilte van dit moment …