Nieuwsbrieven

Maart 2013

 

DE DIGITALE NIEUWSBRIEF UIT DE DORPSKERK IN DURGERDAM

verschijnt onregelmatig

De volgende Nieuwsbrief van de Dorpskerk Durgerdam zal begin juni verschijnen.

 

bij de diensten

Komende zondagmorgen, 10 maart, zal Hanna van Dorssen voorgaan. Twee weken later is het Palmpasen. Op die dag zullen we gezamenlijk ontbijten en krijgen de kinderen de ruimte om Palmpaasstokken te versieren en te tonen. In deze zgn. Stille Week zijn er maar liefst drie diensten in onze kerk. Op de avond van Goede Vrijdag komen we bij elkaar om te luisteren naar het lijdensverhaal zoals dat verteld wordt door de evangelist Lucas. Fragmenten uit het verhaal zullen worden afgewisseld door muziek.

 

Er is altijd veel reden om uit te kijken naar Pasen. Maar dit jaar mogen wij ons in het bijzonder verheugen op de muzikale bijdragen van Mirjam en Sandra Karres. Zij zullen met de viool en de vleugel zowel het met elkaar zingen als dat van de Cantorij een extra dimensie geven. Het wordt een zondermeer opgewekte dienst.

 

In april gaat eerst Henk Baars voor en op de 28-ste zal dat ds Pieter Lootsma zijn. In deze dienst vlak voor een aantal nationale feest- en gedenkdagen willen wij een aantal bekende, (oud-)Vaderlandse liederen centraal laten staan.

 

Op 12 mei kom ds Ton Heijboer naar Durgerdam en op de Pinkstermorgen zal ds Pieter Lootsma weer voorgaan. Ook dan zal de Cantorij van de partij zijn.

Na Pinksteren gaat de kerk een maand dicht omdat er groot onderhoud zal worden gepleegd: stucwerk wordt hersteld, alles wordt geschilderd en er zal een aantal kleine aanpassingen aan het interieur worden gedaan. Ds Arnoldien van Berge zal op 30 juni in de frisse, nieuwe kerk het spits afbijten.

vaaria

Voorafgaand aan de Paasdienst heette de ouderling de verzamelde goegemeente, zoals dat gebruikelijk was, welkom. En omdat de ouderling een hartelijke en het goed bedoelende man was, vergat hij degenen die alleen op zo’n hoge feestdag de weg naar de kerk weten te vinden niet: ‘Ook zij die hier vanmorgen te gast zijn, zijn welkom.’

 

Na afloop van de dienst begeleidde de ouderling de predikant naar de plaats waar degenen die daar prijs op stelden hem een hand konden geven. Daarna wist de ouderling zich van zijn taak ontslagen en maakte daarom aanstalten om in alle rust een kop koffie te gaan drinken. Maar daartoe kreeg hij de kans niet. Na zich met haast uit de banken te hebben gewurmd, stormde er een kerkganger op de ouderling af en stelde hem de vraag wie die gasten die aan het begin van de dienst genoemd waren dan wel niet wezen mochten. De vriendelijke ouderling voelde zich overduidelijk overvallen en had geen idee wat de strijdbare kerkganger bedoelde te vragen. Maar dat werd hem al ras duidelijk gemaakt: de kerkganger bezocht deze kerk heel zelden maar was niet van plan zich daarom een gast te voelen, althans niet van de ouderling en zijn achterban. Voor zover hij op die Paasochtend te gast was, was hij dat van diegene tot wiens eer dit huis ooit was gebouwd. Nog napruttelend wendde hij zich af en liep door.

 

Ik stond er naast en zag en hoorde het allemaal aan. Ik had met beiden te doen. Want die vriendelijke ouderling had op zijn manier geprobeerd de dienst vriendelijk en uitnodigend te laten beginnen. Maar hij zou zich Pasen van dit jaar de rest van zijn leven blijven herinneren. Beteuterd zocht hij steun bij zijn vrouw en ik zag hen kort na het incident de kerk verlaten.

Maar de eerste woorden die in de Paasdienst hadden geklonken, zullen er ook toe hebben geleid dat het voor degene die zich aan het einde van de dienst zo driftig uit de banken wrong geen vrolijke dienst was geweest. Het was duidelijk dat hij het hele uur had zitten toewerken naar het moment waarop hij de ouderling de waarheid zou kunnen vertellen.

 

Want, om eerlijk te zijn, denk ik dat het de waarheid was, die de hierboven beschreven kerkganger sprak. In toenemende mate ga ik namelijk vermoeden dat dit kleine incident raakt aan een van de problemen waar de kerk deze tijd mee worstelt. Mensen die van buitenaf naar de kerk kijken (en dat is in ons lang intussen vrijwel iedereen van onder de vijftig), ervaren de kerk als een gesloten bastion, als een vaak hechte club die iets in stand houdt waarvan verder iedereen al lang weet dat het voorbij is. En mocht iemand geïntrigeerd zijn door wat het toch is dat in de kerk gevierd wordt en de moeite nemen om eens over de drempel van de kerk te stappen, dan moet hij horen dat hij daar dan misschien wel zit, maar dat hij zich goed moet realiseren dat hij niet meer dan een gast is en nog maar moet afwachten of hij aan de maatstaven van de club zal voldoen.

 

Als ik dit zo schrijf, realiseer ik mij dat ik wat onbarmhartig ben. Want ik ga voorbij aan de vaak eenzame verantwoordelijkheid die de meer geregelde kerkgangers voelen voor het voortbestaan van al is het alleen maar het kerkgebouw. Zij houden van dat gebouw, en vaak beleven zij iets wezenlijks aan de verhalen die er worden verteld en hechten aan het gezamenlijk blijven vieren van de jaarlijkse grote feesten. En natuurlijk voelen zij wel degelijk dat zij tegen de stroom aan het inroeien zijn. Dat maakt misschien dat hun houding soms als defensief begrepen wordt.

 

In een dienst is iedereen te gast bij diegene tot wiens eer het kerkgebouw ooit is neergezet. Dat men zich in vroeger dagen speciaal aankleedde voor de kerkgang, doet vermoeden dat dat besef toen groter was. Zeker als er bij voorbeeld Avondmaal gevierd werd, trok je iets netjes aan want je ging immers bij God zelf aan tafel, zo werd dat althans gevoeld. Dat daarin het een en ander veranderd is, is natuurlijk prima. In sommige opzichten zijn we er zondermeer op vooruit gegaan. Zo is er minder sprake van dwang om aan eisen en verwachtingen van anderen te voldoen. Maar ik sluit niet uit dat wij intussen wat dat betreft zijn doorgeschoten. Daarmee bedoel ik dat wij intussen zélf zo geweldig centraal zijn komen te staan. Tegenwoordig moet een kerkdienst in de eerste plaats aantrekkelijk zijn en ons een ‘goed gevoel’ opleveren, de dominee moet ons liggen en ga zo maar door. De kerkganger is een kritische consument geworden. Hoewel ik wat dit betreft geen haar beter ben dan wie ook, realiseer ik mij wel dat deze verandering in mindering kan komen op ons vermogen ons te verwonderen. En dat is, op zijn zachtst gezegd, jámmer! Waar het bij de kerkgang op aan komt, is een houding die zich kenmerkt door een eerbiedige, verwachtingsvolle verwondering. Dan kan er, zoals dat heet, ‘iets gebeuren’.

 

Met wat ik hier schrijf, wil ik kritisch zijn naar twee kanten. In de eerste plaats naar degenen die zich over de kerk ontfermen als over een clubhuis. En in de tweede plaats naar hen die het voor lief nemen dat zo’n kerkgebouw daar zomaar staat en beschikbaar is wanneer het uitkomt. En dat er dus wel anderen zijn die zich verantwoordelijk voelen voor de zorg voor dat gebouw. Het is een kérk. Dat wil zeggen dat niemand zich het gebouw kan toe-eigenen. En dat wij dus met z’n allen verantwoordelijk zijn voor de instandhouding ervan. Dat kerkgebouw is royaal en onvoorwaardelijk beschikbaar voor iedereen die op zoek is naar stilte, die een adres zoekt voor zijn boosheid of blijdschap, die iets te vieren heeft en daarvoor ‘dankjewel’ wil zeggen. Het is er voor wie naar geborgenheid verlangt omdat het leven te grote vragen met zich meebrengt en jij je daarom verloren dreigt te voelen. Hoe lang staat dat gebouw daar al niet? Hoevele jong verliefden zijn er hun huwelijk begonnen en hoeveel tranen zijn er geplengd om het verlies van dierbaren? Op hoeveel kleine, stille momenten hervonden dolende zielen zichzelf onder de oude gewelven? Of wat te denken van de eerbiedwaardige ouderdom van de verhalen die er worden doorverteld en waarin letterlijk tallozen zichzelf hebben herkend? Om te besluiten met een parafrase van een uitspraak die de grootmoeder van onze aanstaande koning bij haar inhuldiging deed: ‘Wie zijn wij dat wij dáár te gast mogen zijn?

PL, maart 2013