Nieuwsbrieven

Maart 2016

 

toelichting op de jaarrekening

Na het groot-onderhoud van het kerkgebouw, restauratie van 'ons' weesmeisje en de vernieuwing van de keuken in 2013, volgden in 2014 de ruimtelijke scheiding, met eigen c.v. installatie, van het balkon, een uitbreiding en vernieuwing van de toiletten en vestiaire, alsmede groot-onderhoud aan het kabinetorgel.

Het boekjaar 2015 vertoonde een wat rustiger beeld, maar maakte tevens het belang van al die investeringen in voorgaande jaren zichtbaar.

De energiekosten zijn t.o.v. het gemiddelde over voorgaande jaren met ca. € 2.000,00 afgenomen en de inkomsten uit activiteitenverhuur zijn met ca. € 700,00 toegenomen.

In de jaarrekening 2015 is tevens € 10.000,00 toegevoegd aan de onderhouds-voorziening,  zodat er over enkele jaren belangrijk en noodzakelijk onderhoud aan het dak van de kerk kan worden uitgevoerd.

De volledige jaarrekening 2015 kan worden ingezien bij de penningmeester van de gemeente, Hennie Koopman, Durgerdam 65, tel.: 020-4904479.

 

Koopmansfonds sinds 1930

Tijdens de vergadering van de kerkenraad van de Hervormde Gemeente te Durgerdam, op 9 september 1930, noemde de voorzitter, ds. P. van Lelyveld, het een grote verrassing toen hij in augustus in zijn brievenbus van een onbekende een gift van Hfl. 360,00 t.b.v. de kerkvoogdij aantrof, als een dankoffer voor genoten zegening. Vanaf die tijd werden er door dezelfde onbekende verschillende giften geschonken voor een te stichten fonds. De gever noemde dit het ‘vaste fonds’, dat in de eerste plaats zou worden gebruikt voor aanvulling van het traktement van de predikant.

In december 1960 heeft de gever, de in de vijftiger jaren naar Canada geëmigreerde Durgerdamse dorpsbakker G.J.D.  Koopmans, op verzoek van de kerkenraad, zijn naam aan het fonds verbonden op voorwaarde dat eens per jaar een collecte voor het 'Koopmansfonds' zou worden gehouden. In de loop van de jaren is deze afspraak wat naar de achtergrond gedrongen. Wel is steeds de jaarlijkse rente toegevoegd en staat de teller inmiddels op € 13.994. Sinds de stichting is slechts twee keer een beroep op het fonds gedaan. In 1988 voor een bedrag van Hfl. 10.000 en in 1998 Hfl. 5.628.

De achterkleinzoon van bakker Koopmans heeft aangegeven, in de lijn van zijn overgrootvader, weer een jaarlijkse bijdrage aan het fonds te willen geven. Wij kunnen daarbij niet achterblijven en hebben besloten de jaarlijkse collecte weer in te voeren. Sommige gewoonten (in dit geval 'een afspraak') verdienen het om in ere te worden gehouden. Op zondag 28 februari j.l. is er weer voor het Koopmansfonds gecollecteerd.

 

vaar ia

Nog niet zo lang geleden, laat ik zeggen zo’n tweehonderd of tweehonderdenvijftig jaar geleden, gingen wij heel anders met taal om dan wij dat vandaag de dag doen. Hoewel ik mijn best zal doen duidelijk te maken wat ik bedoel, denk ik dat het voor ons, postmoderne mensen, erg moeilijk is om er precies de vinger op te leggen. Misschien lukt het mij het u uit te leggen. En er is een gerede kans dat u mij zult begrijpen. Maar dat is nu precies waar het om gaat. Dat zogenaamde ‘begrijpen’ is nu juist de valkuil waar wij met z’n allen ingevallen zijn en waar wij maar niet uit lijken te kunnen klauteren. Het is daarom ook maar de vraag of wij in staat zijn om ons in te leven in die andere manier van met taal omgaan. Waar het om gaat, waar het op aankomt, is dat wij wat erg gezegd wordt iets minder in die zo goed ontwikkelde hoofden van ons zullen laten resoneren en dat wij wat gevoeliger worden voor wat het teweeg brengt ergens in de buurt van ons middenrif.

 

Ik kan dat misschien het meest eenvoudig duidelijk maken aan de hand van de grote 17- de en 18-de eeuwse stillevens die wij allemaal kennen uit bij voorbeeld ons eigen Rijksmuseum. Ik nodig u uit ze eens voor de geest te halen. Op die schilderijen is werkelijk van alles te zien: rijkelijk, met onder meer tal van vruchten gedekte tafels. Op een schotel ligt een aantal opengebroken oesters en ergens terzijde staat op een tafeltje een openstaand vogelkooitje. Verschillende bloemen hangen slordig of juist uitbundig in grote vazen die ogenschijnlijk willekeurig in de ruimte zijn geplaatst.

Wanneer de gids onze aandacht vestigt op wat er allemaal te zien is en ons bovendien vertelt waar de verschillende voorwerpen op het schilderij symbool voor staan, nemen wij daar over het algemeen geïnteresseerd kennis van. En dat bedoel ik dan heel letterlijk: wij slaan die informatie op als kennis. Maar voor een oorspronkelijke beschouwer van diezelfde schilderijen was het anders. Het wérkte anders. Al die symboliek, hij keek daar niet naar met een intellectuele belangstelling maar de beelden werkten rechtstreeks in op zijn gemoed. Die symbolen trokken hem wég uit zijn eigen werkelijkheid en ín de werkelijkheid die de schilder voor ogen had toen hij het schilderij maakte. Zijn kennis van de werkelijkheid waar die symbolen naar verwezen zat niet in zijn hoofd maar ergens daaronder, in zijn hart of in zijn nieren. Achteraf kon hij misschien niet eens vertellen wat hij allemaal op dat schilderij gezien had. Hij zou vertellen over de wonderlijke ervaring die het schilderij had opgeroepen en over de inkijkjes in een andere wereld dan de zijne die het hem had opgeleverd. Ieder voorwerp bood toegang tot een ander aspect van de niet tastbare werkelijkheid - op het gebied van de liefde, de seksualiteit, bij thema’s als leven en dood en vult u zelf maar aan.

 

Om hetzelfde wat deftiger te zeggen: ergens onderweg hebben wij ons symbolisch wereldbeeld ingeruild voor een rationalistisch wereldbeeld. In een symbolisch wereldbeeld verwijst wat wij zien naar iets anders, naar iets dat achter de dingen schuil gaat. De dingen zijn niet wat ze lijken te zijn maar ze zijn vooral dat waar zij symbool voor staan.

 

Ons, postmoderne mensen, is geleerd om vooral te zien wat er te zien is en de dingen te beoordelen op wat zij zijn. Voor ons is een tafel een tafel, een stoel een stoel, een vogelkooi een vogelkooi, een oester een oester en daarmee is de kous af. Gelukkig zijn er nog een paar uitzonderingen die ons eraan herinneren hoe er vroeger gekeken werd. Wanneer de buurman je vrouw een bos rode rozen komt brengen, zul jij je wenkbrauwen fronsen. En als wij bij de bloemist staan om bloemen uit te kiezen voor op een grafkist, dan dwaalt onze blik onwillekeurig naar de serene witte lelies die in de winkel staan. Van de week zag ik hoe lomp geparkeerde auto’s een veld net bloeiende krokussen hadden verwoest. Dat deed even pijn want ik beleefde die krokussen als boodschappers van het naderende voorjaar.

 

Zo kunnen bloemen ons uittillen boven de platvloerse werkelijkheid waarin wij onze dagen slijten. Zij verwijzen dan naar iets dat verder weg ligt, in het verschiet. Zij doen dan een beroep op onze symbolische gevoeligheid. Maar het is nog niet zo heel lang geleden dat diezelfde gevoeligheid heel algemeen was en zich bij het kijken naar de meest uiteenlopende voorwerpen openbaarde. Wij, postmoderne mensen, kunnen waar het een dergelijke gevoeligheid betreft niet in de schaduw staan van onze voorouders. Toch zoekt de ons resterende gevoeligheid voortdurend naar ruimte en bestaansrecht.

 

In dit verband breng ik graag een liedje van Herman Finkers bij u in herinnering. Als u het lied niet kent, dan nodig ik u uit het even op te zoeken: https://www.youtube.com/watch?v=tu7zZttE5HQ.

In dit liedje breekt Finkers een lans voor een wereld die oneindig veel groter is dat de wereld die wij denken te kennen. Hij bezingt hoe hij wordt aangevallen op zijn geloof in de hemel. Zijn gesprekspartner blijven benadrukken dat zoiets als de hemel toch alleen maar door mensen verzonnen kan zijn. ‘Nou en?’, antwoordt Finkers, ‘wat is daar mis mee? Want hoe zit het met de 40-ste van Mozart en met de liedjes van Jacques Brel? Die zijn toch ook verzonnen? En die bestaan toch ook?’ Wat Finkers onnavolgbaar duidelijk maakt, is dat er verschillende soorten van ‘bestaan’ zijn. Dat eenvoudige woordje heeft een meervoudige betekenis. Er is oneindig veel meer te zien en te beleven dan wat er te zien en te beleven valt in de tastbare werkelijkheid. Hij werpt zich in dit lied op als emancipator van die andere betekenis van het woordje ‘bestaan’. Wie daar oog voor wil krijgen, moet afleren om nors en cynisch halt te houden bij wat er zich in eerste instantie aandient. Hij moet leren open te staan voor de grenzeloze ervaring van een, gelooft u mij, grenzeloze werkelijkheid.

 

PL, maart 2016