Van Yoort tot Durgerdam

VAN YOORT TOT DURGERDAM

door H. van Zijl

HET DORP

"De liefde tot zijn land is ieder aangeboren"

Foto M. Komen, juni 1999 Foto R.A.P. Ygosse, mei 2000

Dit woord van de 17e eeuwse Joost van den Vondel is wel zeer van toepassing op de inwoners van

Durgerdam. want Vondel bedoelt hier met "de liefde tot zijn land" niet de Vaderlandsliefde zoals wij

die tegenwoordig kennen. In Vondels tijd kende men die nauwelijks. Maar men kende in hoge mate

de liefde tot zijn dorp, stad of landstreek waar en geboren was en/of woonde. Durgerdam is -zoals

bij verreweg de meeste dorpen en steden het geval is- nooit gesticht, maar langzamerhand

ontstaan, of zo men wil: uit enkele huisjes of hutten langzaam uitgegroeid tot een gehucht en tot

een dorp. Ook met de naam van ons dorp is liet zo gegaan: eerst in de 17e eeuw spreekt men van

Durkerdam en Durgerdam. Voor het eerst in de geschiedenis wordt van ons dorp gewag gemaakt in

een charter van Graaf Jan van Beyeren (graaf van 1419-1425), waarin hij "de goede luyden van

IJdoren in Waterlandt toestemming geeft IJdoorn te bedijken. De datum van deze charter is 4 mei

1422, waardoor Polder IJdoorn zich kan rangschikken onder de oudste waterschappen van Noord-

Holland. Deze vroege datum hoeft ons niet te verwonderen, want tijdens de beruchte watersvloed

van 19 november 1421, bekend onder de naam: Sint Elizabethsvloed, werd ook Durgerdam zwaar

geteisterd. Zeer waarschijnlijk zijn toen de breken ontstaan die 50 jaar geleden in de volksmond

nog "de breek van Kees Groot (tegenover de Kapel) en "de breek van Teunis Visscher (bij de

Overhaal), genoemd werden en die thans niet meer bestaan. De breek bij de Overhaal wordt tussen

1600 en 1800 onveranderd steeds Pietertjesgat genoemd. Ook op officiele landkaarten. Zoals

gezegd is ook de naam van ons dorp ontstaan, d.w.z. langzaam gegroeid uit vorige namen. We

vinden dan ook tussen 1400 en 1700 de volgende namen:

Yoort - Yoortdam Ydoornickerdam - Doornickerdam - Durkerdam - Durgerdam.

De naam Ydoorn en Ydoornickerdam is ons duidelijk, wanneer we een blik op de kaart werpen. Dan

zien we de overeenkomst tussen een doorn (bijv. van een rozestruik) en de vorm van het

buitendijkse land, dat Ydoorn genoemd wordt. Als een doorn steekt deze landtong in het water

vooruit en maakt een duidelijke scheiding tussen Buiten-Y en de voormalige Zuiderzee. Tot 1600

weten we van de geschiedenis van Durgerdam zo goed als niets. Alleen, dat van hier schippers door

de Sont (tussen Denemarken en Zweden) voeren. Dat weten we uit de Sonttolregisters, want

wanneer schepen door de Sont, dus naar de Oostzee voeren, moesten ze Sonttol betalen en opgeven

waar ze vandaan kwamen. Maar daarin waren de schippers, die uit Durgerdam kwamen, niet altijd

even nauwkeurig want ze konden opgeven: van Durgerdam, van Ransdorp of van Waterland. En

tenslotte konden ze ook opgeven de woonplaats van de reder van hun schip, bijv. Amsterdam. En in

al deze gevallen spraken ze nog de waarheid ook. Ook Ransdorp was goed, want Durgerdam was één

van de vier kwartieren, waaruit de Banne Ransdorp bestond. De drie andere kwartieren waren

Bloemendaal, Poppendam (deze twee vormden samen het dorp Ransdorp, de namen

Bloemendalergouw en Poppendammergouw herinneren er ons nog aan) en Holysloot.

DE SCHOOLMEESTER

Omdat Durgerdam een geheel eigen karakter had en bovendien het grootste kwartier was, had het

bij uitzondering een eigen secretaris. Als regel was dit de schoolmeester, die nog vele andere

functies vervulde: o.a. was hij gaarder van de vele belastingen, voorlezer, voorzanger, doodgraver,

koster en soms ook notaris. En voor de burgers ook schrijver van brieven of requesten. Een

posthume hulde past ons aan deze duizendpoten. Onder hen spant Dirk Vlug, die Secretaris en

schoolmeester was te Durgerdam van 1734-1786 de kroon om zijn nauwkeurigheid en niet te

evenaren schrijfkunst! Op het laatst van zijn leven had hij een snoepwinkeltje.

DE DURGERDAMMERS

In tegenstelling tot de drie andere kwartieren van de Banne Ransdorp, waar het grootste deel der

inwoners hun bestaan vonden in de veehouderij, kende men in Durgerdam een andere eenheid van

bedrijf: de zeevaart. d.i. de grote vaart, voornamelijk op de Oostzee en de Middelandse Zee,

waarvoor Durgerdam zeevolk leverde in alle rangen, Schippers voor eigen rekening waren er slechts

weinig o.a. Klaas Bording, die in de Amsterdamse Courant (voorloper van het Alg. Handelsblad) van

21 dec. 1694. 13 okt. 1695. 30 aug. 1696, en 30 okt. 1698 steeds genoemd wordt als binnenkomend

met de Moscovische Vloot. Over de reis naar Archangel (Rusland) naar Amsterdam zeilde hij 28 á 29

dagen.

Soms wordt hij genoemd Claes Jansz Bording en een enkele maal wordt zijn schip genaamd "De

Bording vermeld. De meeste Durgerdammers voeren "in huer" dat wil zeggen in loondienst. Terloops:

de naam Bording is de oudste -thans nog voorkomende- naam in Durgerdam. Handelshuizen waren in

Durgerdam ook niet dik gezaaid. Slechts één is mij bekend, die van het geslacht Moilives dat handel

dreef op de Middelandse Zee. Wél heeft Durgerdam mannen geleverd voor de walvisvaart. Één

daarvan is aan iedere Durgerdammer bekend: Gerrit Frederiksz., die in de Slag bij Duins op 21 okt.

1639 deelgenomen heeft aan de stijd in de rang van kapitein. Hij was eigenlijk kapitein op een

walvisvaarder van de Noordse Compangie, die van 1614-1642 bestaan heeft. Hij maakte jacht op

walvissen in de buurt van Spitsbergen. In die tijd was het gewoonte, dat de Oost-. de West-Indische

en de Noordse Compagnie schepen leverden aan de Generaliteit voor de oorlogvoering ter zee. Zo

werd ook hij met zijn schip beschikbaar gesteld. Hij is waarschijnlijk geboren in Zuiderwoude, want

Admiraal Tromp noemt hem in zijn Journael in de Lijst van Capiteynen, die deelnamen aan de Slag

bij Duins: Gerret Fredericksz van Suyrwou. Het scheepje en bijbehorend bord in de kerk van

Durgerdam hebben op hem betrekking; hierin wordt hij een Durgerdammer held genoemd, omdat

hij een Spaans fregat heeft veroverd en binnengebracht.

DE KERK

In tegenstelling tot Ransdorp heeft er in Durgerdam nooit een Rooms Kath. Kerk gestaan. Wel is het

mogelijk -ik acht het zelfs waarschijnlijk- dat er R.K. erediensten in het Dorpshuis gehouden werden

en dat dit huis daarom de bijnaam "De Kapel" verwierf. Ook zullen er van 1623-1642 Geref. (=Herv.)

diensten gehouden zijn door predikanten van Schellingwoude: Ds. Joris Jorisz Strijd,. Ds. Th.

Dolegius en Ds. H. van der Lingen. Maar deze diensten werden niet in de tegenwoordige Kapel

gehouden, want die is eerst en 1687 gebouwd. De Herv. Gem. in Durgerdam werd in 1623

geformeerd. Wel zullen er vóór 1623 Hervormden in Durgerdam hebben gewoond, doch die hebben

dan in Ransdorp of Zunderdorp gekerkt. De kerkelijke gemeenten van Schellingwoude en Durgerdam

waren van 1623-1648 gecombineerd, vandaar dat ik hiervoor zei, dat Schellingwouder predikanten

in die tijd hier de diensten hebben geleid.

Tekening J. Stellingwerf, 1726

Verz. G.J.G. Leonhardt

Van 1623-1642 hebben de Durgerdammers kunnen sparen voor een eigen kerkgebouw, dat

in 1642 werd gesticht;

in 1644 werd de prachtige preekstoel geplaatst (het jaartal staat op de binnenkant van het

deurtje);

in 1648 kwam de eerste predikant Ds. Wijnstok;

in 1650 werd het eikenhouten doophek geplaatst;

in 1652 schonken 5 bekende Durgerdammer Notabelen ieder een gebrandschilderd raam.

Overeenkomstig de gewoonte in de tijd staan de namen der schenkers er in. Het zijn Jan

Jacobsz Honingh (molenaar) vroedschap; Jacob Dircksz van Sanen (schipper =kapitein); Jan

Krul (waarschijnlijk eigenaar van een scheepswerf)vroedschap; Marten Pietersz Droogh en

Dirc Bol (veehouder) weesmeester.

In 1664 en 1667 volgden nog drie koperen kaarsenkronen van 16 blakers. Het zijn prachtige,

zeer kostbare werkstukken van het 17e eeuwse Geelwerkersgilde.

Toen in 1672 ook nog de bronzen luidklok, die U op zondag ter kerkgang noodt,geplaatst werd, was

alles compleet. Deze klok is gegoten door de beroemde klokkengieter Pierre Hemony en heeft fl

604,17 gekost. Vergelijk hiermede het traktement van de predikant, die hier in 1672 stond: Ds. Joh.

de Roy, dat fl 530,-- per jaar bedroeg. Het randschrift op deze klok luidt: Tot Durgerdam Burgmrs.

Marte Pieterse Droogh, Dirck Jacobse Rever. Kerckmrs Jan Cornelis Bruyn, Jan Jansen Backer, P.

Hemony Fec.1672 Fec. is een afkorting voor het latijnse fecit, dat gemaakt betekent. Voorts is de

klok versierd met twee wapens van de plaats d.i. van de Banne Ransdorp, dus de bekende witte

zwaan op rood veld De zwaan draagt een gouden halsband, heeft een bundel van 6 eendrachtspijlen

in de rechterpoot en staat op een groen veld. De preekstoel van eiken- en ebbenhout, is van keurig

snijwerk voorzien. In de bladfriezen zijn de symbolen van Geloof, Hoop en Liefde aangebracht.

Benevens een scheepje, een zwaan en andere attributen. De kolonetten zijn van de Korinthische

orde. Hier mogen we de aandacht op de offerbereidheid van onze 17e eeuwse voorouders vestigen,

die precies in 50 jaar kans zagen een kerk te bouwen met volledige inventaris, inclusief een bronzen

luidklok (maar geen orgel). Zeg vooral niet, dat er in die tijd veel rijken, o.a. kapiteins van

schepen, waren. Hoogstens was alleen het geslacht Moilives rijk te noemen en ik vermoed, dat een

of meer leden van dit geslacht de preekstoel of een of meer kaarsenkronen of het doophek

naamloos geschonken hebben. In ieder geval schonken zij niet de klok, die is in 1672 betaald door

de kerkvoogden.

DE KAPEL

De tegenwoordige kapel is in 1687 gebouwd met de opbrengst van een loterij, nadat 6 mei 1687

bijna geheel Durgerdam door brand was verwoest. Alleen de kerk, de zaagmolen (waar nu de

scheepshelling is) en enkele huizen aan de Zuid-Oostkant van het dorp bleven gespaard. Het bestek,

dat voorschrijft hoe het nieuwe Dorpshuis, c.q. Schoolhuys, moet worden gebouwd, is nog

aanwezig. Daarin staat o.a.: Het moet wijt wesen zoo als het is geweest. zijnde omtrent 33 voet".

Ook uit andere gegevens maken we op. dat de tegenwoordige kapel precies gelijk is aan die, welke

in 1687 afbrandde en waarvan geen afbeelding bestaat. Een heel merkwaardige bepaling in dit

bestek is: Dit werk te maken

Tekening H.P. Schouten, 1747-1822

Verz. G.J.G. Leonhardt

in de tijt van Acht weken te rekenen van den 25 Aug. 1687 en bij gebreke van dien alle dagen een

ducaton te verbeuren en dit werk binnen de voorn. Tijt gemaakt zijnde. zal de aannemer voor ieder

dach die hij 't werk binnen de Acht weken maakt een halve ducaton trecken". We weten het dus:

Onze kapel is in 8 weken gemaakt en wel van de allerbeste materialen. De loterij, die de

bouwkosten moest opleveren, is blijkbaar goed geslaagd. Weliswaar zijn er uit de jaren 1687-1692

geen bescheiden meer over, doch er is nog wel een Loterijboek bewaard gebleven, dat in 1693

begint en dan blijkt er nog fl 19.884,-- in kas te zijn in de vorm van 4X Losrentebrieven (zo iets als

obligaties van steden en gewesten). De rente hiervan werd voor het grootste deel besteed aan het

onderhoud van wezen, weduwen, bejaarden, armen enz. In die tijd was de haven gelegen tussen de

Kapel en de plek. waar nu de school staat, terwijl het Damrak door een sluis, gelijk aan de sluis in

Nieuwendam, in verbinding stond met de haven. Deze haven was aan de buitenkant beschermd door

een paalwerk dat echter in 1736 vernield was door de paalworm. Vernieuwing door Albert Cleybroek

en Meyndert Pietersz. van Durgerdam en Jan Rieder van Edam kostte fl 6695,-- en 10 stuivers. De

Loterijbeurs droeg daarin bij voor fl 3000,-- en de Burgermeestersbeurs algemene dorpskas)

betaalde de rest, dus fl 3695,-- en 10 stuivers. Maar de armen, wezen, enz. mochten niet lijden

onder deze vrijgevigheid van de Loterijbeurs en dus moest deze jaarlijks fl 75,-- zijnde 2,5% (dit

was in 1736 het geldende rentetype) van die fl 3000,-- geven aan de Armenvoogden.

HET WEESHUIS

In 1759 werd het Weeshuis gesticht door de Diaconen der Kerk. Wezen van belijdende leden der

kerk werden er in opgenomen ten laste van de Diaconie. Ook wel bejaarden. Wezen en bejaarden

van de andere kerkgenootschappen, zoals Luthersen of Doopsgezinden kwam ten laste van de

Armenvoogden, dus ten laste van de burgerlijke overheid. De kosten van onderhoud gebouw, salaris

van de weesvader en moeder, kleding en voeding van de verpleegden. werden nauwkeurig

omgeslagen over de beide instanties. Reeds eerder zei ik, dat de Loterijbeurs wezen en armen

ondersteunde; zo ook nu: op 16 mei 1761 bijv. gaf de Loterijbeurs aan de Armenvoogden fl 3717.6

stuivers en 14 penningen. Dan volgen tot 1765 geen rekeningen meer. maar op 1 mei 1765 wordt de

Loterijbeurs opgeheven en op 21 mei 1765 draagt zij al haar bezittingen over aan de Armenvoogden,

die dan ineens over een kapitaal van fl 16.170 beschikken. Het weeshuis heeft bestaan tot 1925. In

de nacht van 12/13 dec. van dat jaar brandde liet geheel af.

PATTRIOTTEN EN PRINSGEZINDEN

De 17e eeuw, ook wel genoemd De Gouden Eeuw, is voorbij: de 18e eeuw is er één van verval.

Handel en scheepvaart gaan steeds meer achteruit, de Durgerdammers die niet meer op de grote

vaart terecht kunnen, gaan zich toeleggen op de visserij. Durgerdam wordt een vissersdorp. In een

tijd van economische inzinking zijn er natuurlijk altijd veel ontevredenen die al gauw een zondebok

vinden. Dat was volgens de ontevreden Patriotten de Stadhouder: Prins Willem V (1766-1795).

Inderdaad een slappe figuur. Tegenover hen stonden de Oranjeklanten. Nu is het merkwaardig, dat

er in Durgerdam, dat altijd zeer Oranjegezind isgeweest. meer Patriotten waren dan in de

omringende dorpen. En ze weerden zich ook liet felst. Vele vechtpartijen tussen Patriotten

(bijnaam: Kezen) en Oranjemannen zijn door notaris Joh. Gesner Fockens in protocollen vastgelegd.

Zo bijv. op 20 november 1787 toen 11 Oranjegezinde personen na De gelukkige Omwenteling in ons

Vaderland (Prins Willem V was weer in al zijn waardigheden hersteld) een oranjevlag op de

kerktoren hesen. Ik noem van Eldert Klein, Gerrit Bley en Stijntje Bakker. Na het hijsen van de vlag

dronken ze bij kastelein Grubbelt Albertsz Brands in de herberg "De Zeven Provinciën "in

betamelijke vrolijkheid" een roemer wijn. De aanwezige patriotten moesten verdwijnen en mochten

eerst terugkomen, als ze een oranjestrikje droegen. Dat was natuurlijk teveel geeist. De

vermakelijkste scheldwoorden,waarvan Prinsebliksem de minst lelijke is, noemt notaris Fockens ten

voeten uit. Het eind is natuurlijk een fikse vechtpartij en omdat de Baljuw (woonde in

Monnikendam) moest vonnissen, moest de Notaris van het hele geval een attestatie (= verklaring)

opmaken. Tegenwoordig zouden we dat een proces-verbaal noemen. Ik zal de bekkensnijder onder

de Patriotten maar niet noemen om geen gevoelige snaren bij zijn nakomelingen aan te roeren. in

ieder geval: Zacharias Visser, oud 22 jaar, gast van Bastiaan Jacobsz van Leeuwarden. die

herbergier was in "de vergulde Druif", kreeg een grote snede over het gezicht. Pieter Denker, de

chirurgijn. behandelde hem en verklaarde dat Zacharias gevoelige smerte leed! Ook dat was

Durgerdam!

NEERGANG

Reeds is gezegd, dat de handel en scheepvaart in de 18e eeuw sterk achteruit gingen en dat

Durgerdam overschakelde van de zeevaart naar de visserij. Geen wonder. dat ook de scheepswerven

de terugslag ondervonden. Toen Dirk Krul, eigenaar van een reeds Ilt eeuw bestaande scheepswerf

begin 1797 overleed, aanvaardden zijn erfgenamen de nalatenschap niet en werd deze insolvent (=

failliet) verklaard. Inmiddels waren de Fransen hier in 1795 gekomen. de Patriotten juichten, de

Oranjeklanten hielden hun mond en de mannen, die vóór 1795 van twee walletjes hadden gegeten,

ontpopten zich als hevig Frans-gezind. (In 1940 zagen we iets dergelijks!) De oranjeklanten, die in

1795 gezongen hadden: "Rataplan, daar komen we an. ze hebben schoenen noch kousen an" kregen

gelijk. Ook in Durgerdam werd een Vrijheidsboom opgericht waar vele burgers omheen dansten.

Tekening H.P. Schouten, 1747-1822

Tien jaar later waren allen genezen van hun Fransgezindheid. Toen eindelijk de Fransen in 1813

vertrokken, was ons land, ook Durgerdam, totaal verarmd. De zeevaart ging nu voor Durgerdam

geheel verloren om nooit meer terug te keren, vooral ook door het graven van het Groot

Noordhollands Kanaal, (1819-1825) en de opening van het Noordzeekanaal op 1 november 1876.

Interessant is, dat in Durgerdam het eerste openbare verzet tegen Napoleon is gepleegd: In de

nacht van zondag 13 en op maandag 14 oktober 1811 werd de Keizerlijke Adelaar-boven de deur van

de Gaarder der Verenigde Rechten, die in de Kapel woonde, afgerukt en totaal vernield. En dat,

terwijl heel Durgerdam op last van hogerhand in feesttooi was omdat Napoleon ons dorp zou

bezoeken. Napoleon heeft het nooit geweten, het bezoek is niet doorgegaan; wel aan Zaandam. De

Maire (= burgemeester) Cleas Jongh Visscher heeft onmiddelijk de Vrederechter in het Kanton

Monnickendam ervan in kennis gesteld. Zeer politiek adviseerde de Vrederechter om aan het

beledigend voorval geen ruchtbaarheid te geven ...

De dader(s) is (zijn) nooit gevonden. De Durgerdammers zwegen. Eerst twee jaar later -november

1813- heeft men hetzelfde in andere plaatsen aangedurfd. Die Durgerdammer spierings toch!!!

Met de scheepvaart en scheepswerf verdwenen ook de herbergen de een na de ander: "De Prins te

Paard, "De Zeven Provinciën (genoemd naar het vlaggeschip van Adm. de Ruyter), "De Tromp" en "De

vergulde Druif. Slechts bleef de herberg "Het Amsterdamse Veerhuis (naast het kerkepad), maar

herbergier Bekel sloeg erin failliet.

LANGZAAM HERSTEL

Na de Franse Tijd volgde er een langzaam herstel. In 1840 -belangrijk jaar voor Durgerdam- werd de

tegenwoordige haven gegraven daar de oude te ondiep was geworden en de palen waren vergaan. In

hetzelfde jaar werd de oude kerk afgebroken en door aannemer C. Tolk uit Broek in Waterland de

tegenwoordige kerk gebouwd voor fl 5000,--. In het bestek stond, dat het oude gebouw voor de

aannemer was. Van deze bepalingen heeft de aannemer grif gebruik gemaakt. Drie muren zijn van

oude steen, afkomstig van de oude kerk. Slechts de zuidmuur -de kerkhofzijde- is van nieuwe steen.

De kerk is ook iets kleiner geworden. Aan het doophek is nog te zien, dat er een stukje afgezaagd

is.

Tekening W. Wouters, 1939

Mogelijk zijn de balken ook nog afkomstig uit de oude kerk, nadat de kopeinden er afgezaagd zijn.

De gebrandschilderde ramen kwamen niet meer terug (mogelijk later nog eens). Ze liggen nu in het

Rijks Museum in Amsterdam (vijf ramen zijn in 1992, na de restauratie. in een museale opstelling

voor de bestaande ramen teruggeplaatst). Kansel, kaarsenkronen, doophek. scheepje met bord en

een aantal zware bijbels in leren band en met koperen krappen, vonden weer hun plaats in de

nieuwe kerk. Hierbij wil ik de grepen uit de geschiedenis van Durgerdam beëindigen.

H. van Zijl

VERANTWOORDING

(door Hennie J.A. Koopman, kerkvoogd dorpskerk Durgerdam)

Deze tekst Van Yoort tot Durgerdam" is een enigszins aangepaste versie van een boekje uit 1966. In

dat jaar werd van 16 juli tot 27 augustus in de Hervormde Kerk een tentoonstelling gehouden, die

een idee gaf van het verleden van Durgerdam. Ter gelegenheid daarvan en mede naar aanleiding

van de in 1963 in eigen beheer uitgevoerde interne restauratie, heeft de historicus Hendrik van Zijl,

zoon van de Durgerdammer dichteres en vissersvrouw Elsje Bording, twee eerder van hem in "Ons

Amsterdam" geplaatste artikelen Durgerdam-Vroeger I en II" bewerkt. De opbrengst was bestemd

voor restauratie van het exterieur der kerk. Het laatste hoofdstuk ging dan ook over de

offerbereidheid van de Durgerdammers.

OFFERBEREIDHEID

Over de offerbereidheid van de Durgerdammers in de 17e eeuw sprak ik reeds. Diezelfde bereidheid

zagen we in 1965 opnieuw. Vele Durgerdammers stelden hun werkkracht ter beschikking, anderen

hun beurs en met vereende krachten hebben deze naamlozen hun kerkgebouw op indrukwekkende

wijze gerestaureerd en verfraaid (einde citaat). Dat het besef te behoren tot een

dorpsgemeenschap, die ook in de huidige tijd ernaar streeft haar eigen karakter te handhaven, nog

springlevend is, hebben we bij de in 1991 uitgevoerde restauratie kunnen ervaren. Van Zijl noemt

dat samen met de offerbereidheid een karaktereigenschap van de Durgerdammers.