Durgerdam, de kerk

DURGERDAM -DE KERK

door H. VAN ZIJL

HOE HET BEGON

Sedert 1 januari 1921 behoort het pittoreske, knusse, dijkdorpje Durgerdam tot het grondgebied van

Amsterdam. Met zijn houten huisjes, meestal voorzien van puntgeveltjes, soms met een zaans

Voorschot, roept het herinneringen op aan het verleden. De naam Durgerdam is eerst in de loop der

eeuwen ontstaan en heeft vele voorgaande benamingen gehad: Yoort, Yoortdam, Ydoorndam,

Ydoornikerdam, Doornickerdam en Durkerdam, etc. Zelfs vond ik bij F. Ketner: Handel en

Scheepvaart van Amsterdam bl. 147 de naam Woernigerdam in het laatste kwart van de 15e eeuw.

In de Middeleeuwen was Ydoornickerdarn toch wel het stiefkind onder de Waterlandse dorpen, c.q.

gehuchten. het had niet eens een kerk. Een privilege van Albrecht van Beieren op Sinte

Ponciaensdach (14 januari) LXXI (1372 in verband met Paasstijl) noemt reeds kerken in Zuiderwoude,

Purmer, Landsmeer, Broek in Waterland, Ransdorp, Zunderdorp en Schellingwoude. Dit laatste dorp

werd reeds genoemd in een handvest van Jan van Persijn in het jaar 1275. Ook Uitdam had geen

kerk, maar daar was toch nog een kapel van de Allerheiligste Maagd, die ressorteerde onder de

parochie van Zuiderwoude. Maar Ydoomickerdam had ook geen kapel. Toch waren de goede luden

van dit stiefkind niet geheel aan de heidenen overgeleverd, want er was wel een 'Dorpshuys', waar de

dorpsmagistraat zetelde en deze gaf toestemming om rnissen te lezen in dit Dorpshuys. Geen wonder

dat de toenmalige bewoners dit gebouw de biinaam 'DE KAPEL' gaven, welke naam tot op heden

stand heeft gehouden. Weliswaar is de tegenwoordige 'Kapel' niet meer de middeleeuwse, die in 1687

afbrandde, maar de 'Kapel' van vandaag is zeer waarschijnlijk een getrouwe copie van haar

middeleeuwse voorganger. De Kapel te 'Uutdorinkerdam' werd blijkens S. Muller Hzn, De Kerkelijke

indeling, 1921, p. 336, gepubliceerd in de Geschiedkundige atlas van Nederland IX, voor de eerste

maal genoemd in 1499.

Het ontbreken van een Rooms-Katholieke kerk stelde de Doornickerdammers voor problemen bij de

Alteratie, die in Waterland vroeger kwam dan in Amsterdam. Zoals bekend, veroverden de

Watergeuzen op 1 april 1572 Den Briel, waarop deze stad een Prinsgezinde magistraat kreeg, op 21

mei 1572 volgde Enkhuizen en daarop in snel tempo Hoorn, Medemblik, Alkmaar, Edam,

Monnickendam en Purmerend. Nu was voor de Waterlanders 'hun stad' Monnickendam

toonaangevend. Op 28 juni 1572 koos dit Zuiderzeestadje de zijde van de Prins, waardoor de Alteratie

(= verandering van de regering) een feit was: de Spaansgezinde magistraat werd naar huis gezonden

en vervangen door een Prinsgezinde. De afkeer van Alva's bewind richtte zich ook tegen de aloude

Moederkerk. De Rooms-Katholieke kerken en kloosters, benevens al hun goederen werden

geconfiskeerd, de kerkgebouwen werden door de Calvinisten in gebruik genomen. In 1578 zou

hetzelfde in Amsterdam gebeuren.

De Waterlandse dorpen volgden voetje voor voetje. Het was, alsof zij de kat uit de boom wilden kijken

want er waren er ook, die Rooms bleven en de Doopsgezinden hadden in Waterland de oudste

papieren: reeds in 1551 doopte Leenert Bouwens, vriend en medewerker van Menno Simonsz., in

Durgerdam 11 personen en in Rarop (Ransdorp) 34. Toch wonnen de Calvinisten steeds meer veld en

in alle dorpen, waar Roomse kerken bestonden, werden deze door hen overgenomen. Maar in

Durgerdam was geen Roomse kerk en evenmin geld om er een te bouwen Ook in de dorpen waar wel

een kerk stond, waren de financiële lasten zwaar en daarom combineerden verschillende

dorpsgemeenten zich. Zo bijvoorbeeld:

Ransdorp met Zunderdorp en Holysloot 1583-1598;

Schellingwoude met Zunderdorp 1598-1623;

Schellingwoude met Durgerdam 1623-1648.

Dat spaarde tenminste de halve kosten van het predikantstraktement en dito van de pastorie uit. De

laatste

combinatie werd bediend door de predikanten: Ds. Joris Jorisz Strijd bij provisie van 1623 - december

1625,

toen hij overleed. Hij was als proponent in 1598 te Ransdorp beroepen en werd in 1623 aldaar

emeritus. Zijn

opvolger was Ds. Thomas Dolegius, die eerst in 1628 kwam en aldaar bleef tot zijn overlijden in 1633.

Tenslotte

Ds. Henricus van der Lingen van 1633-1648. Deze laatste predikant uit de combinatie met

Schellingwoude heeft

de ingebruikneming van de eerste kerk in Durgerdarn nog meegemaakt in 1642.

BIERACCIJNS

De vraag doet zich voor: Hoe kwamen de arme Durgerdammers aan de financiën om hun kerk te

bouwen? Hadden zij drie eeuwen later geleefd, dan hadden zij waarschijnlijk subsidie aangevraagd.

Zij deden het in 1620 anders, misschien wel geinspireerd door het voorbeeld van Terschelling, dat in

1617 octrooi verkreeg voor het heffen van 20 stuivers op iedere ton bier en 3 gld voor een oxhoofd

wijn, ten bate van hun kerk. De Durgerdammers verzochten aan de Heren Staten van Hollandt ende

Westvrieslandt 'oidtmoedelijck en aldervriendelijckst' om op elcke tonne swaer bier, die in Durgerdam

verconsumeert werd, 20 stuy-vers te mogen leggen ten bate van de bouw van een kerk en pastorie.

Na ingewonnen advies van de Gecommiteerde Raden van Westvriesland enden Noorderquartiere

beslisten de Heren Staten in 1621 gunstig op dit verzoek en verleenden octroy voor de tijd van 8 jaar.

Natuurlijk was men er als de kippen bij om vóór het expireren verlenging te verzoeken en ook dat

lukte. Deze gunst hebben de Durgerdammers genoten van 1621-1683, weliswaar met een

onderbreking van 4 jaar (1670 t/m 1673), maar toch totaal 59 jaar. Van de 8 octrooien zijn er slechts

twee bewaard gebleven in het archief der kerk n.l. van 29 maart 1662, ondertekend door jan de Witt,

en één van 28 oktober 1673 ondertekend door A. Wassenaer (voor 6 jaar).

MARTEN PIETERSZ DROOGH

Het spreekt vanzelf dat, nadat de kerk in 1642 gebouwd was, de tekst van het verzoek om octrooi

gewijzigd moest worden en dus verzocht men dezelfde gunst nu: 'tot verval van de merckelijcke

somme van penningen die de kerck ten achteren was.' Er rustte dus nog schuld op de kerk hetgeen te

begrijpen is als men weet, dat de bieraccijns voor kerk en pastorie in 1667 96 gld, in 1668 96 gld en in

1683 (een accoord met de waerden) 76. 3. 3. opbracht. Een voorzichtige schatting: in 59 jaar ca.

4000.- gld. (Lang niet alle jaarrekeningen van de kerkvoogdij zijn bewaard gebleven). Van de

geldschieters in 1642 kon ik er slechts één achterhalen: Marten Pietersz Droogh, dezelfde die reeds in

1645 een graf kocht in de kerk, voor 50 gld, die in 1652 een gebrandschilderd raam aan de kerk

schonk, die in 1664 de hernieuwde Unie van Waterland ondertekende en wiens naam staat in het

randschrift van de door Pierre Hemony in 1672 gegoten bronzen klok die in het torentje van de kerk

hangt. Hij werd op 1 juni 1677 in zijn geliefd kerkje begraven.

DE PREEKSTOEL

Na de bouw van de kerk kwam de zorg voor het interieur, allereerst de preekstoel en het doophek. In

gedachten zien wij de man, die de jaarrekening voor de kerkvoogdij maakt, in 1646 gebogen over de

cijfers. Op een stuk kladpapier maakt hij tal van optellingen van penningen, duiten, oortjes, groten,

stuivers en sesthalven. De uitkomsten daarvan vinden wij terug in zijn jaarrekening 1645. Maar op de

achterzijde maakt hij een ontwerp voor een preekstoel, zeer slordig geschreven, op acht plaatsen

onleesbaar. Het was ook maar een kladje. De preekstoel is er gekomen en de maker is zo vriendelijk

geweest op de binnenzijde van het deurtje te zetten:

P(reek) S(toel) 1646, maar het ontwerp van bedoelde anonymus is slechts voor een klein deel

uitgevoerd. Niet uitgevoerd werden:

'de peer als tot rarep es' (Ransdorp is)

'de deur sal buyten openslaen'.

'het schot (van de trap) aan de slinker hant' Wel vinden wij in de gemaakte preekstoel:

'eecken hout'

'De windeltrap sal hebben op de spil een ebben knop, soo groot als wijt.'

Merkwaardig, dat zijn Roomse verleden bij deze ontwerper nog leeft, want hij eindigt met: 'Sal

gemaeckt wesen 14 dagen na Alderheyligen 't langst voor November.' Van Arkel en Weissman (N.-

Holl. Oudheden, 3e stuk: Waterland) zeggen van de preekstoel: 'Van eiken hout en ebbenhout, is van

keurig snijwerk voorzien, dat het karakter van het midden der 17e eeuw vertoont. In de blad-friezen

zijn geloof, hoop en liefde, een scheepje, een zwaan en andere attributen aangebracht. De

kolonnetten zijn van de Korinthische orde. Op de preekstoel is een eikenhouten kapstok, die een zeer

eigenaardig snijwerk vertoont en waarop ANNO 1612 (dit moet zijn 1682!) staat te lezen.'

HET DOOPHEK

In de oudst-aanwezige jaarrekening van 1645 komt het woord 'doophuys' reeds voor. Deze rekening is

natuurlijk in 1646 opgemaakt, toen ook de preekstoel is geplaatst, vermoedelijk tegelijk met het

doophek waarvan Van Arkel en Weisman zeggen: 'Het doophek, van eikenhout, heeft het karakter van

± 1650.' Wie preekstoel en doophek heeft (hebben) gemaakt is nergens te vinden. Wel hebben wij

kunnen constateren dat de preekstoel in de Oude Kerk, Oudekerksplein in Amsterdam, die in 1644 is

gemaakt door jan Pietersz. Kistemaker, een opmerkelijke overeenkomst vertoont met het

Durgerdamse exemplaar. In de rekeningen, voor zover nog aanwezig, want de brand van het

weeshuis in 1925 heeft een deel van het oudste deel van het archief verloren doen gaan, is geen post

te vinden die op preekstoel of doophek betrekking heeft. Het is natuurlijk mogelijk dat beide

geschonken zijn door ingezetenen. (In 1652 hebben wij wel zekerheid omtrent schenkingen van

gebrandschilderde glazen).

DE EERSTE PREDIKANT

Het jaar 1648 zou voor de Durgerdamse Calvinisten een feestjaar worden, niet alleen omdat dit jaar

de Vrede van Munster een eind maakte aan de Tachtigjarige Oorlog, maar ook omdat zij hun eerste

eigen predikant konden begroeten in de persoon van de proponent PETRUS WIJNSTOK. Hij trouwde

er met een Durgerdams meisje: Weyntje Jans Honich (Honingh), dochter van Jan Jacobsz. Honich,

die achter de kerk, aan het Damrak, een oliemolen bezat. Ds. Petrus Wijnstok is bekend geworden

door zijn boekje Aen-Merckinge ende Wederlegginge van het Sociniaensche Schrift, waarin hij heftig

fulmineert tegen 'de Paepsche Sprinckhanen' en 'de doorkanckerde Leere van de Sociaenery'.

De schrijver opponeert dus tegen de Roomsen, die in Durgerdam nogal vertegenwoordigd waren, in

zijn tijd ressorteerden onder de parochie Diemen en die tot zijn grote ergernis ter plaatse zelfs

bijeenkomsten hielden en waar de pastoor of een kapelaan missen kwam lezen. Maar nog meer

gebeten was hij op Dr. Galenus Abrahamsz, die door Mej. Dr. I.H. van Eeghen wordt genoemd 'Een

bekende vrijzinnige doopsgezinde leraar' (Ons Mndbld. 60e jrg. nr. 3 van mei/juni 1973, bl. 55).

Durgerdam is niet erg gelukkig geweest met de eerste predikant want hij werd in 1668 insolvent

verklaard en in 1669 afgezet. Zijn hele hebben en houden werd openbaar verkocht op een custebood,

gehouden tot Durgerdam ten huyse van Cornelis Mouthaen, waert in De Ruyter, op den 15den dagh

van may 1668, op last van de wettige curateuren gestelt bij de gerechte der stede Monnickendam. Zijn

beide zwagers: jan en Cornelis jansz. Honich kochten bijna alles. Alleen niet: 1/8 part in een graf in de

N.Z. Kapel te Amsterdam. Zij kochten 2 percelen weiland, die Ds. Wijnstok geërfd had van zijn

schoonvader, plus de complete inboedel. Hierbij te bedenken, dat deze zwagers voogden waren over

de kinderen van Ds. Wijnstok, daar zijn vrouw inmiddels was overleden. (Zie ons Maandbld. 51e jrg.

maart 1964, bl. 54). Een weinig voorkomende interessante bijzonderheid is, dat het grootste verkochte

perceel weiland, gelegen aan de Herfstergouw bij Durgerdam, nog steeds de naam 'De Wijnstok'

draagt. Een veldnaam, meer dan 300 jaar ongewijzigd.

GEBRANDSCHILDERDE RAMEN

Na de plaatsing van de preekstoel en het doophek kwam de verfraaiing van hun kerk aan de beurt en

daarbij lieten de notabelen ter plaatse zich niet onbetuigd. Vijf van hen - mogelijk zes - schonken een

gebrandschilderd glas. Alle in 1652.

Opgemerkt zij:

Alle glazen hebben dezelfde indeling. In de breedte 5 ruitjes, waarvan de middelste het

grootst, in de hoogte 7 rijen.

De 'familiewapens' zijn alle 'sprekend', duiden het beroep of een functie van de schenker aan.

Alle wapens vertonen een zwaan als helmteken. Blijkbaar de zwaan van Waterland of van de

Banne Ransdorp, waartoe Durgerdam behoorde. De zwaan is wit, op een rood veld, met een

rode snavel en rode poten, een Gouden ring, om de hals en staande op een groene grond. De

wapens van het Baljuwschap Waterland en vijf van de zes hoofddorpen waren gelijk. Alleen

Schellingwoude had een afwijkend wapen. Merkwaardig, dat de zes eendrachtspijlen in de

rechterpoot ontbreken. Deze symboliseerden de Unie van Waterland van 1619. De

versieringen met engeltjes en guirlandes, de dekkleden der wapens en de kleuren van het

geheel wijzen er onmiskenbaar op dat alle glazen door dezelfde glazenier zijn gemaakt. Daar

het geschenken betreft, waarbij de schenkers zichzelf niet vergaten, ontbreken natuurlijk de

rekeningen van de maker en weten wij zijn naam niet.

Tenslotte: Alle glazen bevinden zich nu in het Rijksmuseum te Amsterdam.

Dan noemen wij:

het glas van

SCHIPPER JACOB DIRCKSZ VAN SANEN

met het opschrift:

Psalm 107 v. 23-24

Die door de groote see met cromme kielen varen

Die sien Gods groote macht en wond'ren in de baren

SCHIPPER JACOB DIRCKSZ VAN SANEN

Hollant schoon vermaert gepresen-

Wat soud' al uw Luyster wesen Soo,

met schepen over see

Godt niet bracht sijn segen mee.

1652

Het glas vertoont geen familiewapen, maar een fluitschip, misschien wel het schip, waarop de

schenker voer. Fluitschepen waren in de 17e eeuw de handelsschepen bij uitnemendheid.

Foto R.A.P. Ygosse, 2000

het glas van

JAN KRUL

met het opschrift:

God ist Die Siet

Wie Recht Heeft of niet.

JAN KRUL

vroetschap

Als vroedschap van de Banne Ransdorp vertegenwoordigde hij daarin, samen met Jan Jacobsz

Honingh het kwartier Durgerdam. Vroedschappen werden voor het leven gekozen. De glazen van

Schipper Jacob Dircksz van Sanen en jan Krul vormen samen een geheel. Ook in dit glas geen

familiewapen, maar ook een fluitschip. Jan Krul, die eigenaar was van een scheepswerf, wilde

waarschijnlijk op deze wijze zijn verbondenheid met de scheepvaart tot uitdrukking brengen.

het glas van

MARTEN PIETERSZ DROOGH

met het opschrift:

Altit in Leidtsamheit

U trost van God verbeyt.

MARTEN PIETERSZ DROOGH

1652

Op de plaats van het familiewapen staat een monogram van de letters M P, terwijl de grote kop van de

letter P als D Gezien kan worden. Marten Pietersz Droogh noemde ik reeds eerder. Ofschoon op het

glas geen functie staat, werd hij toch in hetzelfde jaar 1652 weesmeester, in 1653 schepen en

vroedschap en in 1654 burgemeester van Durgerdam.

het glas van

DIRC BOL

Het ruitje waarin een rijmpje staat, is zodanig beschadigd dat het onleesbaar is geworden. Daaronder

staat: 1652.

DIRC BOL Weesmeester

Ik heb geen nadere gegevens omtrent hem kunnen vinden. Zijn wapen is gedeeld. Rechts een

rechtop staande pijl, waarvan de schacht rust op een drievoet. Links een koe. Dit doet vermoeden, dat

hij veehouder, veehandelaar of slager is geweest. De glazen van Marten Pietersz Droogh en Dirc Bol

vormen samen een geheel.

het glas van

JAN JACOBSZ HONIGH

met het opschrift:

in wichtich Hoogh Beleyt

door Gulde middelmaet

Voor ondersaet, voor Heer,

Het Stuck ten besten gaet.

JAN JACOBSZ HONIGH

Vroetschap En Heemraet van Waterlant

en lager:

't Gaet er wel toe daer

de Wetten Oirbaerlycke Paelen setten.

Dan noch Rust, Ontsach en vree

Deelt de Gunst des Hemels mee.

1652

Zoals reeds gezegd, was Jan Jacobsz Honigh de schoonvader van Ds. Petrus Wijnstok, die in 1648

de eerste predikant was in Durgerdam. Behalve de in het opschrift genoemde functies heeft hij nog

andere betrekkingen bekleed:

In 1638 werd hij benoemd tot heemraad van de Waterlandse Meren, dat zijn de Broeker-,

Belmer- en Buiksloter Meren die in 1623 consessie tot drooglegging verkregen en in de

daaropvolgende jaren werden droog gemaakt.

In 1643 werd hij benoemd tot burgemeester van Durgerdam en in 1644 tot oud-burgemeester.

In 1648 volgde zijn benoeming tot kerkmeester.

In 1650 werd hij wederom burgemeester van Durgerdam en

In 1651 oud-burgemeester.

De zwaan in zijn wapen zal wel duiden op zijn functies van vroedschap en burgemeester, terwijl de

drie koevoeten in de linker helft van zijn gedeelde wapen herinneren aan dijkbouw, dus aan zijn

functie van heemraad.

Alle glazen zijn min of meer beschadigd, het glas van jan jacobsz. Honigh het minst.

In het Rijksmuseum bevinden zich ook gebrandschilderde glazen uit de kerk van Ransdorp, die in het

kader van dit artikel natuurlijk niet besproken worden. Bovendien zijn daar glazen van:

Jan Janss, Lansmer vroetschap en weesmeester 1652

en van:

Pieter Essen 1652.

Van beide glazen heb ik geen volstrekte zekerheid dat ze de kerk van Durgerdarn hebben gesierd en

daarom blijven deze hier ook onbesproken.

DE KLADREKENING VAN 1645

Dat de dorpelingen zeer ingenomen waren met hun kerk blijkt niet alleen uit de geschenken van de

notabelen, maar ook uit de collecten. De kladrekening over 1645 is toevallig, bewaard gebleven en

daaruit blijkt, dat er in dat jaar 67 kerkdiensten zijn gehouden en het totaal van de collecten bedroegfl

326.19.6. Gemiddeld fl 4.17.-. per keer. Dat was toen het weekloon van een arbeider. Deze

kladrekening verschaft ons nog meer gegevens want er staan posten in over 'luyen' (er was dus al een

klok vóór de luidklok van 1672) en voor het schoonmaken van een 'croon' (er was dus al een kroon

vóór de kronen die in 1666 en 1667 werden geplaatst). Ook wordt er in gesproken over het

'doophuys', zodat wij mogen vermoeden, dat het eiken doophek in 1645 is geplaatst.

GETOORNDE KERCK

In 1658 schreef Hendrik Soeteboom in zijn 'Zoet-stemmende Zwaane van Waterland': 'DURKERDAM,

een dorp tegenwoordig een van de beste van gantsch Waterlandt, van groote schippers en kooplieden

wel versien, die sware scheepvaerd en handel doen om de Oost, West, en voornamelijck in de

"Middellandsche Zee ... sij hebben twee getoornde kercken, waer van het eene tot'et school gebruyckt

wordt; de lieden hier zijn van een burgerlijcken ommegang, doch de mannen veel 't Zee, en de

vrouwen vverig niet hun werck en seer suvver in de huyshouding.' De vermelding 'grote kooplieden'

lijkt ons sterk overdreven, want blijkens vele bevrachtingscontracten voeren verreweg de meesten in

loondienst. En de benaming 'getoornde kerck' voor de 'Kapel' - het Dorpshuys - waar missen gelezen

mochten worden, is ook te rooskleurig. Maar in ieder geval is Durgerdam in 1658 niet meer het

stiefkind onder de Waterlandse dorpen, zoals rond 1400.

TRACTEMENTEN

Zoals reeds gezegd, werd Ds. Petrus Wijnstok in 1668 insolvent verklaard. Zijn tractement was in

1667 550 gld Per jaar. Na de uitspraak van zijn faillissement heeft hij niet meer gepreekt, Maar werden

de predikbeurten vervuld door de ringpredikanten. Het was waarschijnlijk de plaatselijke

schoolmeester die nauwkeurig aantekening hield van de vervulde beurten met de daaraan verbonden

kosten van maaltijden en overnachting in de herberg 'De seven Provinciën'. Zo weten wij bijvoorbeeld,

dat in de strenge winter van 1668/9 Ds. Abraham Duisendpond van Zuiderwoude, samen met een

ouderling als secondant 'land over zant', dat wil zeggen in een rechte lijn dwars door de weilanden en

over de bevroren sloten, naar Durgerdam kwam om er te preken. En Ds. Simon Tengnagel van

Uitdam nam zijn vrouw en al zijn kinderen mee, die allen genoten van de maaltijden, die in de "Seven

Provinciën"werden geserveerd. ook preekte van tijd tot tijd een proponent 'op proef' en eerst in 1670

kwam de tweede predikant: Ds. Johannes de Roy, die het mocht beleven dat zijn tractement in 1678

verhoogd werd tot 650 gld. Maar in 1698 bij de komst van Ds. Isaak Verdonk wordt het weer 600 gld

en dat blijft het tot 1793. Met deze tractementen sloeg Duregerdam niet eens zo een slecht figuur

want het voorgeschreven tractement voor een dorpspredikant was gedurende de Gouden Eeuw 500

gld plus pastorie, terwijl dit voor de stadspredikanten 600 tot 700 gld was. In 1658 verscheen er van

een anonieme predikant een brochure met de veelzeggende titel: "Bewijs dat het een predicant met

sijn huysvrouw alleen niet mogelyck is op 500 gld eerlyck te leven". Uitgegeven in Leiden bij Pieter de

Menagie aldernaest De Goede Hoop. (Fantasienamen!)

Waar de pastorie voor de 17e eeuwse predikanten in Durgerdam gestaan heeft is niet duidelijk. Maar

in de 18e eeuw stond deze tussen het Weeshuis (in 1759 gebouwd) en de kerk. Op deze plaats staat

nu het brandspuitenhuisje annex lijkenhuisje.

DE HEMONY KLOK

Inmiddels werd de completering en verfraaiing van het kerkinterieur reeds in de tijd van Ds. Wijnstok

voortgezet. In 1666 werden er twee en in 1667 nog één koperen kroon aangeschaft. Het zijn

prachtige, zeer kostbare werkstukken van het 17e eeuwse Geelwerkersgilde. Elke kroon heeft 16

blakers. Tenslotte werd in 1672 een bronzen luidklok met een middellijn van 82 cm., gegoten door

Pierre Hemony, in de toren opgehangen. Het randschrift luidt:

TOT DURGERDAM BURGMRS MARTE PIETERSE DROOGH DIRCK JACOBSE REYER

KERCKMRS JAN CORNELIS BRUYN JAN JANSEN BACKER P HEMONY FEC 1672.

Voorts- vertoont de klok nog 2 wapens van de Banne Ransdorp. De prijs van de koperen kronen is

niet te vinden (mogelijk waren het geschenken) maar van de klok wel, want in de jaarrekening over

1672 vinden wij: de clock fl 604.3.8. Het tractement van Ds. Joh. de Roy was in dat jaar fl 550.-. Dit ter

vergelijking! Vele duizenden malen heeft deze klok geluid: op zondag een uur voor de aanvang van de

dienst, (dan konden de burgers er hun klok op gelijk zetten) en enkele minuten voor de dienst. Voor

de middagdienst slechts éénmaal. Zo ook eenmalig voor de donderdagavonddiensten die van 1

december tot half maart werden gehouden bij kaarslicht. De overgebleven kaarsstompen waren voor

de koster-schoolmeester. Maar die moest er wel wat voor betalen. Niet alleen voor de kerkdiensten,

ook bij begrafenissen werd de klok geluid. Men zei dan dat 'het lyck werdt beluyt'. En tenslotte bij

dreigend gevaar, bijvoorbeeld bij zeer hoog water en mogelijke dijkdoorbraak en dat kwam voor in

1675, 1702, 1717, 1775, 1825 en 1916. Gelukkig maar dat de kerk op een terreinverhoging was

gebouwd, en soort terp. Dit is trouwens bij alle Waterlandse kerken het geval.

DE GRAVEN

Zoals overal werd ook hier in de kerk begraven. De meer gegoeden kochten een eigen graf en de

schoolmeester-koster-doodgraver hield het grafboek bij. Ook buiten de kerk, op het kerkhof, werden

begraven: zeer jonge kinderen, enkele armen en vele drenkelingen. Waarschijnlijk had Ds. Wijnstok

indertijd ook een eigen graf in zijn kerk gekocht, want hij werd er op 19 september 1689 begraven.

Ook zijn kinderen Jacob, Wijntje, Jan en Trijntje werden allen in deze kerk begraven, resp. in 1697,

1697, 1710 en 1715. En altijd zijn er oude vrouwtjes geweest die zeiden dat de klok voor de

kerkdiensten feestelijk-uitnodigend, voor een begrafenis droef-weemoedig en voor een dreigende

dijkdoorbraak angstaanjagend klepte ...

De kosten van begraven in de kerk vloeiden in de kerkekas. Men kende er geen klassen, slechts één

tarief ofschoon een rustplaats in het 'Doophuys', dus vlak voor de preekstoel zeer geliefd was. Maar

dat waren alle 'eigen graven', die soms ook weer verkocht werden. Het minst gewild waren graven in

het looppad. De schoolmeester-doodgraver had inzake de plaats waar begraven werd een machtige

vinger in de pap. Het begraaf-tarief in de 18e eeuw was voor een volwassene fl 5.10.-. Voor een kind

fl 2.18.-.

DE BRAND VAN 1687

Was 1672 het 'Rampjaar' wegens de oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen, een ramp

die de gehele Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden trof, het jaar 1687 zou een ramp alleen

Durgerdarn treffen. Wagenaar schrijft daarover (Gesch. v. A'dam Deel II Boek XXI-694): 's Nachts

tussen 5-6 mei was er in Durgerdam een hevige brand ontstaan. Omtrent 300 huizen werden een

prooi der vlammen. Slechts de kerk, een zaagmolen en enkele huizen aan de zuidoostkant van het

dorp bleven staan.' Inzake het aantal van 300 huizen verwijst Wagenaar in een voetnoot naar de

Hollandse Mercuur van 1687 bl. 171, maar een octrooi van de Staten van Holland en Westfriesland

d.d. 13 september 1687 spreekt van 170 huizen. (Dit octrooi machtigt de dorpsregering te eisen dat de

huizen in het vervolg met pannen, en niet met riet, gedekt moeten worden.) In ieder geval

verbrandden alle huizen die op de dijk stonden. Dank zij het feit, dat de kerk evenals dat in

Schellingwoude en Buiksloot het geval is, ca. 100 meter landinwaarts staat, bleef zij gespaard. De

opbrengst van een loterij moest dienen om alles weer op te bouwen en in het voodaar van 1688 gaf

ook de Magistraat van Amsterdam toestemming voor deze loterij.

HET SCHEEPJE

Waarschijnlijk eind 17e eeuw - de juiste datum is onbekend - is er in de kerk een scheepje

opgehangen waarbij een bord hoort, dat tegen de zuidelijke muur is te zien en waarop het volgende

gedicht:

Foto R.A.P. Ygosse, 2000

Als Don d'Oquendo met gheweld van Spaensche schepen

In trotsen hoogmoed had een mercklyck feit begrepen

Maer 't Neerlants seevolck hem al daadlyck op de hiel

En plots als met een stroom van schipmagt overviel,

En druckten sloegen staeg. Als hy de vlught ghenomen

Heeft en syn vloot is gansch bynae tot niets ghecomen,

Heeft Gerrit Frederickszoon, een Durgerdammer helt,

Dit schip met vlagh en volck ontruckt uyt 's vyants gh'weld

Int Jaer van zesthien hondert dertig negen

In Wijnmaent. Godt sy lof, door Wien alleen vercreghen

Is de overwinningh. Ter gedachtenis van dien

Dit segeteyken in syn huys hier wordt ghesien.

M.g.g.h.. Hendrik Fransen

Maarten Harpertsz Tromp vermeldt in zijn 'Lijste en Naemen vande Capiteinen en Commandeurs en

Schippers opte Schepen van Oorloge geweest sijnde in Duyns den 21. October 1639 omte helpen

destrueren de Spaensse Vloot aldaer onder de Vlagge van den Adm: Tromp, dewelcke gesamentl

daer van beuijt hebben gedeelt'

onder het hoofd:

NOORTSCHE DIRECTEURS SCHEPEN VAN AMSTERDAM

Capn: Gerrit Fredricxsz van Suyrwou, met nog 3 anderen.

Dat is dan de man waarop de Durgerdammers terecht zo trots waren (en nog zijn). Zoals bekend

hebben de gehate Spanjolen de slag bij Duyns verloren en deze overwinning is van enorm grote

betekenis geweest voor onze vrijwording die in 1648 bij de Vrede van Munster een feit werd. De

toevoeging 'van Suyrwou' doet vermoeden dat Gerrit Fredricxsz in Zuiderwoude is geboren en dat hij

in 1639 in Durgerdarn woonde, wat dichter bij zijn reder.

LIDMATEN

Het aantal belijdende leden van de kerkelijke gemeente was in 1698, toen Ds. Isaac Verdonk er zijn

intrede deed, 191 en in 1727: 196 en dit aantal heeft in de 18e eeuw slechts weinig wijzigingen

ondergaan. Echter in de Franse tijd en daarna volgt er een inzinking. In 1831 waren er.nog 158

lidmaten. Hetzelfde kan gezegd worden van het aantal verhuurde 'vrouwestoelen'. In 1795 waren er

123 verhuurd voor 15 st. per jaar. De vrouwen zaten in het middenruim der kerk op stoelen. In de

winter namen zij zelf een warme stoof mee. Later konden zij voor het hele winterseizoen een warme

stoof huren.

DE SCHOOLMEESTER

De plaatselijke schoolmeester maakte zich voor de kerk op velerlei wijze verdienstelijk. Zo

bijvoorbeeld: In 1698 ontving meester Adriaen Visscher als voorzanger en voorlezer f 10.- en voor

'geld halen' (o.a. rente van losrentebrieven) en opmaken van de jaarrekening ook fl 10.- en als

doodgraver en bewaarder van de doodskleden fl 30.- alles per jaar.

DE HONDENSLAGER

Ook de hondenslager Schipper werd vorstelijk beloond. Zijn jaarloon was van 1678-1691 fl 30.- per

jaar. Helaas heb ik niet kunnen vinden wat hij allemaal moest doen voor dit hoge salaris.

DE GLASENMAKER

In de jaarrekeningen komen wij dikwijls de 'glasemaker' tegen. Dan was er weer eens een 'storm uyt

een suytwesten' geweest, die de gebrandschilderde glazen had geteisterd. Maar dat is dan ook het

enige sensationele in de geschiedenis van het kerkgebouw in de 18e eeuw.

DR. IJSBRAND VAN HAMELSVELD

Niet alle predikanten die de Durgerdammers hebben zien komen en gaan willen wij op de korrel

nemen, maar wel een uitzondering maken voor Dr. IJsbrand van HAMELSVELD, een man van meer

dan gewone bekwaamheden, die ook op theologisch gebied veel heeft geleverd, maar daarop zeker

nóg meer gepresteerd zou hebben, indien hij geen roeping had gevoeld zich op politiek terrein te

begeven. (De Bie & Loosjes Biogr. Woordenb. van Prot. Godgeleerden in Ned. 111. 482). Hij was

geboren in 1743 te Utrecht en studeerde in zijn geboortestad, waar hij in 1765 promoveerde in de

theologie. Zijn eerste standplaats was Durgerdam, welke gemeente hij als predikant diende van 1766-

1776 om dan te vertrekken naar Grootebroek en een jaar later naar Goes, waar hij in 1779 zijn ambt

neerlegde om zich als ambteloos burger in Utrecht te vestigen, waar hij tot hoogleraar werd benoemd.

Bij de omwenteling van 1787 koos bij de partij der Patriotten, wat zijn ontslag als hoogleraar op 1

oktober 1787 tot gevolg had. Verhuizing naar Amsterdam bleek niet mogelijk, want het weigerde zijn

toelating. Dan maar weer naar Durgerdam, zijn eerste liefde, waar hij tot 1789 bleef als arnbteloos

burger, want Ds. joh. Rollerus was er predikant. Zijn studielust dreef hem nu naar Leiden, waar hij zich

op 31 maart 1789 liet inschrijven als student. De komst der Fransen in 1795 was voor hem als

fransgezinde Patriot van het grootste belang. Met bekwame spoed ging hij terug naar Utrecht, waar

men hem opnieuw een professoraat aanbood. Hij bedankte echter, verhuisde naar Amsterdam en in

1796 naar Den Haag, waar hij benoemd werd tot lid van de Nationale Vergadering. Zijn laatste

levensjaren sleet hij bij zijn zoon Willem Ijsbrand in Amsterdam, waar hij op 9 mei 1812 overleed. Op

zijn verlangen werd hij in de kerk in Durgerdam begraven in het graf van zijn vader. Dr. van

Hamelsveld heeft enorm veel geschreven. Alleen de opsomming van de titels van zijn werken,

vertalingen en gelegenheidsgeschirften beslaat vele kolommen. Wij noemen slechts:

De Bijbel verdeedigd.

De ongeveinsde Christen.

De Apocryphen met korte aanmerkingen in 2 delen.

De zedelijke toestand der Nederlandsche Natie op het eind der 18e eeuw, 1791, telt 562 pag.

De Patriotten citeerden dikwijls uit dit boek.

De gewigtigste geschiedenissen des Bijbels, afgebeeld in 252 printverbeeldingen. Inderdaad

een prachtige platenbijbel. In Durgerdam is nog één exemplaar bewaard gebleven.

Mijne gedachten bij het beschouwen van Durgerdams waterwee tusschen den 14 en 15 van

Slachtmaand 1775. Het is een gedicht over de grote watersnood van dat jaar.

Dr. Van Hamelsveld huwde in 1769 met Suzanna Flandreau, weduwe van Albert Alders, in leven

kapitein in dienst van de Oost-Indische Compagnie.

VAN PATRIOTTEN EN PRINSGEZINDEN

Op 13 november 1787 waren aller ogen in Durgerdarn op de kerktoren gevestigd want daarvan

wapperde zowaar een oranje vlag. Grote vreugde bij de Oranjemannen, maar de Patriotten waren des

duivels. Wat was het geval? Na het gebeurde bij Goejanverwellesluis en de komst van 20.000 man

Pruisische troepen, was Prins Willem V in zijn oude waardigheid hersteld. Op 18 september trokken

de Staten van Holland alle besluiten tegen de Prins in. Daarop was een tiental Oranjegezinde mannen

aan het werk gegaan om er een feestje van te maken. Zij hadden geld bijeen gebracht, daarvan een

oranje vlag gekocht en op de kerktoren doen wapperen 'ter betoning hunner vreugde over de

gelukkige omwenteling in ons Vaderland en de Herstelling van zijne Doorluchtige Hoogheid den Heere

Prince van Oranje en Nassau.' Dat had hen dorstig gemaakt en dus gingen zij 'in betamelijke

vrolijkheid' een glas Rhinsche wijn drinken bij Grubbelt Albertsz, castelein in de herberg De Zeven

Provinciën. Dat heeft geleid tot een rel met de Patriotten zoals nooit tevoren. Notaris Joh. Gesner

Fockens maakt in zijn attestatie van 20 november 1787 daar een kostelijk verhaal van, waarin wij de

namen vinden van de Oranjegezinden, maar ook van de Patriotten, die weliswaar kleiner in aantal zijn,

maar veel fanatieker.

Luister naar een uitzending van VPRO's OVT van zondag 16 november 2003 (MP3, ca. 20Mb)

(alleen via breedband verbinding, niet via een telefoonlijn!)

DE FRANSE TIJD

Met de komst der Fransen in 1795 zal er ook veel voor de kerk veranderen. Was de Gereformeerde (=

Hervormde) Kerk tot 1795 Staatskerk geweest, op 14 juli 1795 wordt er op het Raadhuis in Ransdorp

(Durgerdam behoorde tot de Banne Ransdorp) een resolutie aangenomen: Voortaan zijn de

kerkmeesters niet meer verantwoording verschuldigd aan de Municipaliteit. Kerkmeesteren vormen

een lichaam op zichzelf. Nu moesten de gemeenteleden zelf alle kosten betalen zoals tractement van

de predikant (Ds. Joh. Rollerus 1784-1796 genoot fl 600.-), van de koster-voorzanger-doodgraver

(schoolmeester C. Baan genoot in 1795 totaal hiervoor fl 75,60) en het onderhoud van het

kerkgebouw, de inventaris, enz.. Beslist geen kleinigheid voor deze kleine dorpsgemeente. Geen

wonder dus dat de kerkmeesters al spoedig te kennen geven, dat de inkomsten niet toereikend zijn en

dat zij eens per maand, op de eerste donderdag, een collecte langs de huizen zullen houden. Die

collecte wil ik zien als een voorloper van de latere 'hoofdelijke omslag' of 'kerkelijke bijdrage'.

Tijdens de Franse Tijd van 1795-1813 is Durgerdarn in de hoogste mate verarmd. Het grote aantal

gezinnen dat 'bedeeld' werd door de diaconie, de tiërcering van de rente der staatsschuld, de

inkwartiering van militairen, gevoegd bij het onvermogen van hen die nog niet bedeeld werden, om

iets extra's bij te dragen, dat alles stelde aan de financiën van de kerk onmogelijke eisen.

Eerst over 1815 stelde Koning Willem 1 een 'Rijkstractement' in. Dit was voor Durgerdam fl 400.- per

jaar en in 1839 werd het op fl 700.- gebracht en zo is het gebleven ...

DE 19e EEUW

Tijdens de eerste decennia der 19e eeuw verandert er weinig in het kerkgebouw. Wel werd het eiken

doophek van plm. 1650 geschilderd, om belasting te ontduiken, maar een belangrijker verandering

was het verbod van begraven in de kerk. En daartegen kwamen verschillende eigenaren van graven

in verzet. Geen wonder, want dit raakte de traditie en op het kleine kerkhof buiten de kerk waren altijd

drenkelingen, pasgeboren kinderen en de allerarmsten begraven. Deze plek stond beslist niet in

aanzien en dus maakte men gretig gebruik van de mogelijkheid om dispensatie te krijgen. Die werd

dan ook verleend, maar eindelijk, op 28 maart 1829 kon een 'Proces verbaal wegens het overnemen

van het kerkhof te Durgerdam tot eene Burgerlijke begraafplaats' worden ondertekend. De beide

partijen ter zake waren enerzijds het Bestuur van de Gemeente Ransdorp, Durgerdam en Holysloot

(eerst in 1857 wordt de Gemeente Schellingwoude hier bijgevoegd!) en anderzijds het college van

kerkvoogden van de Ned. Herv. Gemeente te Durgerdam. Ondertekenaars waren enerzijds: C. Jongh

Visscher, Burgemeester en de Assessoren S. van Vuure en K. Kluynder. Anderzijds: C. Jongh

Visscher, Meindert Posch en Jacob Posch, Kerkvoogden. Hierbij valt op, dat Claas jongh Visscher in

beide partijen vertegenwoordigd is, hetgeen de overeenkomst vergemakkelijkt heeft. Het gereedschap

bij het begraven gebruikt als: 2 baren met roeven, een kleine baar met roef, ijzers, touwen, leggers,

planken, haken, schoppen en een graaf werden door de burgerlijke gemeente overgenomen voor de

getaxeerde waarde van fl 55,75. Tevens zal de kerkvoogdij een jaarlijkse recognitie ontvangen van fl

2.- voor de afstand van het kerkhof en fl 38.- voor afstand van de inkomsten en dit bedrag van fl 40.-

per jaar is tot op heden onveranderd gebleven... '. Het bestaande kleine kerkhof werd nu door de

burgerlijke gemeente aanmerkelijk vergroot. Een deel van de grond, waarop tot 1820 de pastorie had

gestaan, werd erdoor ingenomen. Op de rest van deze grond staat nu een brandspuitenhuisje annex

lijkenhuisje.

Nu er met ingang van 1 januari 1829 niet meer in de kerk werd begraven, dreigde nóg een traditie

verloren te gaan. Het was namelijk gewoonte dat de naaste familieleden van een overledene, die in de

kerk was begraven, gedurende zes weken na de begrafenis, niet ter kerke gingen. Het was een

rouwbetuiging speciaal van de vrouwelijke familieleden, voor wie het te emotioneel was om zó dicht bij

de geliefde dode te vertoeven. Maar tradities hebben vaak een taai bestaan en sommige families

handhaafden haar ook, toen de doden niet meer in de kerk werden begraven. Voor het laatst werd

deze traditie in ere gehouden zes weken na de begrafenis van Neeltje Westerneng, die op 26 juli 1914

overleed. Haar man, Gerrit Bording ging wel ter kerke, maar zijn dochters niet.

1840 EEN NIEUWE KERK

De grote watersnood van 1825 en verschillende zware stormen in de twintiger en dertiger jaren van de

19e eeuw hebben het oude kerkje zwaar geteisterd en naar het schijnt zijn de herstellingen slechts

provisorisch uitgevoerd tot het kerkbestuur in 1839 besloot een nieuwe kerk te laten bouwen.

Op 15 januari 1840 werd de bouw van een nieuwe kerk in het Gouvernementsgebouw te Haarlem

aanbesteed en het werk werd aangenomen door C. Tolk te Broek in Waterland voor fl 5.000.- waarbij

echter werd bepaald dat het oude gebouw ten voordele was voor de aannemer en dat bruikbaar

materiaal van de oude kerk gebruikt mocht worden bij de nieuwbouw. Van deze bepaling heeft de

aannemer gretig gebruik gemaakt, want niet minder dan drie muren werden opgetrokken van oude

steen. Alleen voor de lange Zuidmuur, langs het kerkhof, gebruikte hij nieuwe steen.

Tijdens de bouw hadden de godsdienstoefeningen plaats in het niet meer in gebruik zijnde oude

kerkgebouw der Doopsgezinden, de Mennonieten Vermaning, dat daarvoor door de plaatselijke

regering welwillend werd afgestaan.

Op 19 maart 1840 legden een paar meisjes de eerste steen en op 4 oktober d.a.v. werd het nieuwe

kerkgebouw 'ten aanhore van een ontzaggelijke schare volks plechtstatig aan den dienst des

Onzienlijken gewijd met een leerrede over Openb. 21 : 22 'En ik zag een Tempel in dezelve' zo staat

het in de notulen. Ds. D. Broedelet, die aldaar van 1826-1846 predikant was, leidde de dienst en zijn

'Feestrede' werd later gedrukt en uitgegeven ten voordele van het kerk- en diaconiefonds der

Hervormde Gemeente. Aannemer Tolk was dus ook in het bezit gekomen van de - beschadigde -

gebrandschilderde glazen en wat hij daarmede deed laat zich raden. Hun nauwkeurige levensloop is

niet bekend. Wel weten wij, dat zij zich nu bevinden in het Rijksmuseum in Amsterdam waar men mij

niet kon vertellen hoe het museum er aan gekomen is.

Uit de oude kerk werden overgenomen in de nieuwe: de preekstoel annex koperen doopvont van

1646; het enigszins verkorte doophek, het scheepje met bijbehorend bord; drie koperen kronen ieder

met 16 blakers, van 1666/7; de bronzen luidklok, gegoten door Pierre Hemony in 1672 en een aantal

bijbels met eikehouten platten, bekleed met rundleer. De tekst in gothische letters. Tenslotte het

zilveren avondmaals-servies. De nieuwe kerk was kleiner dan de oude, daarom moest het doophek

ingekort worden, hetgeen nog te zien is aan een halve travée.

Het is een onaanzienlijk, pretentieloos gebouw en als zodanig past het precies in de sobere sfeer van

het dijkdorpje Durgerdam. Maar het gemis van architectonisch schoon wordt rijkelijk vergoed door de

gewijde sfeer van het interieur. Eerst in 1918/9 kreeg Durgerdam electriciteit, daar voor werd de kerk

bij avonddienssten verlicht met petroleumlampen en bij kerstfeestviering bestond de verlichting

uitsluitend uit 3 x 16 brandende kaarsen in de kronen en de weelderig verlichte kerstboom. De geur

van de brandende kaarsen, van de warme stoven, van de gezellig brandende met turf gestookte

kachel, gemengd met die van de kerstboom, verving de wierook die bij onze Roomse broeders zo

goed bekend is.

1864 HET EERSTE ORGEL

Wie meent dat alle Durgerdammers in 1864 stonden te springen om alstublieft een orgel in de kerk,

vergist zich. Er is nogal wat over te doen geweest. Maar laten wij daarover maar niet uitweiden, de

voorstanders wonnen de strijd en de kerkvoogden Dirk Heemskerk (veehouder) en Pieter Kleyn

(eigenaar van een scheepswerf) kochten bij de firma Van Ingen in Zeist een gebruikt kabinetorgel

(bouwjaar ca 1780) voorf 325.- met drie jaar garantie. De quitantie is gedateerd Juny 1864 en is per

order ondertekend door H. Knipscheer en C. A. Knipscheer. Vermoedelijk fungeerden zij als

tussenpersonen bij de koop en verkoop en hebben zij het orgel ook geplaatst. In ieder geval heeft H.

Knipscheer het instrument nog tien jaar in onderhoud gehad. Hij woonde in Amsterdam. Met de

uitgave van fl 325.- was men er nog niet, want er moest een galerij en een front voor gebouwd

worden. Vooral dat front was merkwaardig: het had houten pijpen, geschilderd alsof ze van tin waren.

Aan de zijkanten zwierige krullen en op de top drie bazuinengelen van gips. Het geheel zal ca fl 700.-

gekost hebben, maar de kerkerekening vertelt ons niets daarover. Het grootste deel is bijeengebracht

door giften van de burgerij. Men kwam nog fl 200.- te kort en die werden geleend: fl 100.- van D.

Heemskerk en fl 100.- van J. Hermanides (bakker) á 50/ per jaar. Na drie jaar was de schuld

afbetaald.

De dispositie was als volgt:

BASKANT DISKANT

Hoboa 8' Quint Fluit 5' Quint 5' Hoboa 8'

Octaaf 2' Fluit 4' Prestant 8' Fluit 4' Terts

Holpijp 8' Ventiel Holpijp 8' Octaaf 2'

Het had slechts één klavier, geen pedaal en de windvoorziening geschiedde door een orgeltrapper, in

dienst van de organist. Op zondag 12 juni 1864 werd het door de eerste organist, de plaatselijke

schoolmeester A.P. Zeilmaker in gebruik genomen. Het kabinetorgel - de maker is niet bekend - heeft

dienst gedaan tot 1939, toen de organist J. Jongh Visscher veel klachten had over het instrument:

Krakend en kreunend,

Zuchtend en steunend

Zwoegde torgel moeizaam voort

Naar het slotaccoord.

De kerkvoogdij stond voor de keuze: óf een kostbare algehele restauratie, óf een nieuw, c.q.

tweedehands orgel. De firma Flentrop in Zaandam kwam met een offerte voor een tweedehands

instrument. De betaalde prijs is nergens te vinden want het kwam weer op tafel buiten de kerkekas

om. Er was een orgelfonds, dat op 3 februari 1938 fl 72,81 rijk was. Voorts een anonieme gift van fl

500.-, een dito gift van fl 100.- en een renteloos voorschot voor het ontbrekende, af te lossen met de

opbrengst van de collecten voor het orgelfonds, die iedere 3e zondag in de maand in de kerk werden

gehouden. Evenals in 1864 had ook in 1939 de burgerzin zich van haar beste kant doen kennen. De

firma Flentrop nam het oude instrument mee en trok daarvoor een luttel bedrag af van de rekening.

Het werd doorverkocht aan de Heer Leonhardt Sr. te Laren, die het door de firma Flentrop liet

restaureren. Thans is het in bezit van de Heer Gustav Leonhardt, bekend organist en verzamelaar van

antieke muziekinstrumenten.

RESTAURATIE

En nu wij het toch over restauratie hebben: In 1884 is het scheepje - waarschijnlijk voor de eerste keer

- door de plaatselijke ingezetenen K. Brouwer Pzn. en J. Brouwer Pzn. 'uit eigen vrije beweging, ter

opluistering van ons Godsgebouw met veel moeite en zorg gekalefaat, opgetuigd en geschilderd'. Zij

werden beloond met 'notulering om het daardoor openbaar te maken' en een schriftelijke

dankbetuiging. Deze opknapping heeft het 46 jaar uitgehouden, want in 1890 werd het opnieuw

gerestaureerd door de Amsterdamse scheepstuiger J. Hoesman, die er echter fl 83,25 voor in

rekening bracht. De laatste restauratie had plaats in 1965 door de plaatselijke ingezetene jr. Bakker,

zeer deskundig en geheel gratis.

Ook het bord met het rijm ter ere van Gerrit Frederiksz., dat bij het scheepje hoort, is twee maal

overgeschilderd. In ± 1850 vertoonde het nog witte, gothische letters op een zwarte ondergrond.

Wanneer het voor de eerste keer is overgeschilderd en dan met moderne letters, is niet bekend. Maar

in 1966 is het opnieuw geschilderd, nu met sierletters, door de oud-Durgerdammer G. C. Jongh

Visscher. Wie thans de vóór (= west-) gevel van de kerk bekijkt, ziet boven de ingang met grote cijfers

het jaartal 1867 in de bepleistering. Dit doet vermoeden, dat de kerk in 1867 is gebouwd, ofschoon

een minder goed zichtbare gevelsteen vermeldt dat de eerste steen gelegd is op 19 maart 1840. De

zaak is deze: in 1867 constateerden de kerkvoogden inwatering van deze gevel en lieten hem door de

plaatselijke metselaar bepleisteren met portland cement. Heeft metselaar L. G. Blom op eigen initiatief

of in opdracht het jaartal aangebracht? In ieder geval heeft hij uitstekend werk geleverd, want het

pleister zit er nog op en dat voor de prijs van fl 60,25,1/2.

ARMOEDE

De armoede van de bevolking tekent zich o.a, ook af in het traktement van de predikant en in de

hoofdelijke omslag nadat Kerk en Staat in 1795 gescheiden werden. Zo was het totale inkomen van

Ds. A. Houtkamp in 1822:

Rijkstraktement fl 400.-

Suppletie van eigen gemeente fl 75.-

Voor de winteravondbeurten fl 50.-

Voor onderhoud van pastorie en tuin fl 25.-

Totaal fl 550.-

In 1825 werd het weliswaar fl 600.-

En wat de hoofdelijke omslag betreft: Deze werd alleen geheven van belijdende lidmaten der kerk en

werd gebaseerd op het getaxeerde inkomen. In de 1e klas bedroeg de omslag fl 7.- per jaar, maar

daaronder vielen slechts 7 leden. De laagste klas betaalde fl 0,50 per Jaar en daaronder vielen 22

leden. Totaal betaalden 98 leden in de 8 klassen in 1843 fl 205,25. In 1847 waren het totaal 108 leden

die fl 221,75 opbrachten. Daarna werd het weer minder. In 1855 brachten 93 leden totaal fl 162,25

bijeen.

Het genoemde aantal leden is niet het aantal belijdende leden. Dit is groter, Want wanneer van een

gezin man en vrouw beiden lidmaat waren, betaalde alleen de man bijdrage. En dan te bedenken, dat

deze kleine bedragen nog in vier termijnen betaald mochten worden...

DE WATERSNOOD VAN 1916

De watersnood van 13 januari 1916 heeft de kerk niet ongemoeid gelaten. Daar de kerk op hoger

niveau staat dan het omliggende land, men zou het een terpje kunnen noemen - en dit is bij alle

Waterlandse kerken het geval - bleef zij vrij van overstroming. Maar weldra kwam veehouder Dirk

Slegt met het verzoek de kerk als veestalling te mogen gebruiken want 'vroeger' was dat bij

watersnoden ook het geval geweest. De kerkvoogden willigden het verzoek in en onder de armaturen

van de petroleumlampen stonden koeien op de 'vrouweplaatsen'. Maar voor alle zekerheid had men

de lampen er maar uitgehaald. Een houten loopbrug over al dat water verbond de kerk met de dijk.

Toen later de koeien weer hun stal konden betrekken, bleek hoezeer het interieur van deze

huisvesting had geleden: schilder en stucadoor moesten alles weer opknappen.

HET WEESHUIS

In 1925 dreigde nog een groter ramp voor het kerkgebouw toen in de nacht van 12 op 13 december

van dat jaar een brand het van 1759 daterende weeshuis volledig verwoestte. In 1900 gaf het nog

huisvesting aan vijf wezen, die toevertrouwd waren aan de zorgen van de binnenvader en moeder

Beers, later aan slechts één bejaarde, Pieter Bording. Maar ten tijde van de brand waren er ook geen

bejaarden meer in ondergebracht. Enkele kamers in het gebouw werden gebruikt als

consistoriekamer, catechisatielokaal en voor de samenkomsten van een zangvereniging, twee

meisjesverenigingen, een jongelingsvereniging, een knapenvereniging en een zendingsvereniging.

Ofschoon de brand gelukkig niet oversloeg naar de nabijgelegen kerk, verbrandden wel een deel van

het kerkelijk archief en het zilveren avondmaals-servies, die in de consistoriekamer bewaard werden.

(In 1973 werd het archief der kerk in bewaring gegeven aan het Gemeente-Archief, Arnsteldijk 67).

Voorts zag de Chr. Jongelingsvereniging 'Immanuel' haar bibliotheek van een paar honderd delen en

haar leden-administratie in vlammen opgaan.

In 1926 verrees ter plaatse een nieuw gebouw, dat echter niet meer 'Weeshuis', maar

'Diaconiegebouw' werd genoemd.

Een anonieme 18e eeuwse gravure vertoont op het strookje grond langs de kerk, pastorie en

weeshuis - dus van na 1759 - enkele huizen, een open plek met botenhuis en een met een hek

omgeven bleekveldje, behorend bij het weeshuis. Toen de links staande huizen geamoveerd waren,

werd er een plantsoentje aangelegd, waarvan de onderhoudskosten regelmatig in de

kerkvoogdijrekeningen voorkomen. Nog later werden er iepen geplant, die er tijdens de brand in 1925

nog stonden, maar later werden gerooid omdat zij aangetast waren door de iepziekte. Tegenwoordig

is het een parkeerterrein ten dienste van de voetballers en hun supporters, die hun sportterrein achter

de kerk hebben.

HET DAMRAK

Een 18e eeuwse prent van Jan Schouten, vertoont een geheel andere bebouwing met huizen en

achter het hek het kleine kerkhof. Mogelijk hebben de rekeningen d.d. 1762 of '66 van loodgieter Jan

de Jong betrekking op het karwei dat op deze prent door een loodgieter wordt verricht. De brede sloot

op de anonieme gravure heet 'Damrak' en vormt de verbinding russen de in 1808 gedempte sluis in de

Waterlandse zeedijk en het in 1879 droog gemaakte Durgerdammer Die. Er zijn in de Gemeente

Amsterdam dus twee Damrakken.

DE OPHAALBRUG

Behalve de woonhuizen, het plantsoentje, de bomen, het bleekveldje, de pastorie en het weeshuis

verdween helaas ook de pittoreske ophaalbrug. Deze was in onderhoud bij het Hoogheemraadschap

Waterland. Om hoog opgeladen hooipramen door te laten moest deze brug geopend kunnen worden,

maar vervoer van hooi te water is verleden tijd en toen de brug aan vernieuwing toe was, werd deze

vervangen door een vast bruggetje dat echter veel te lijden heeft van de auto's op weg naar het

parkeerterrein.

DE GROTE VERNIEUWING

Een dorpskerkje van ruim 100 jaar oud gaat natuurlijk ouderdomsgebreken vertonen, inwendig en

uitwendig en met vernieuwing houdt modernisering gelijke tred. Eigenlijk was die reeds ingezet in

1919 toen de petroleumlampen en de brede armaturen daarvoor moesten wijken voor electrische

verlichting. Ook de twintiger jaren brachten verandering in het interieur want een anonieme milde

gever schonk een compleet stel, ca 80 stuks, nieuwe stoelen en zoals reeds werd gememoreerd, werd

het orgel vervangen. Het oude orgelfront met loze, houten pijpen, beschilderd alsof ze van tin waren,

met quasie rococo zijvleugels, een kam en daarop drie bazuinengelen, verdween en maakte plaats

voor een pijpenfront zonder meer. Eerlijker! Ja! Maar de intimiteit leed er wel onder.

De grote vernieuwing van het interieur moest echter nog komen en deze werd alweer ingeleid door

een geschenk. Een ingezetene bood namelijk een nieuwe, eiken avondmaalstafel aan en dan zou het

mogelijk worden een zogenaamd liturgisch centrum te vormen vóór de preekstoel. In 1966 werd toen

het hele interieur onderhanden genomen. Een circulaire aan alle ingezetenen en oud-Durgerdammers

waarin verzocht werd om een bijdrage in de kosten, leverde genoeg op om daarvan de materialen te

bekostigen en al het werk werd geheel belangeloos verricht door vele ingezetenen. Gezamenlijk

hebben zij er vele honderden uren aan gewerkt, ieder in zijn vak: timmerlieden, metselaars,

stucadoors, tekenaars, schilders, enz.

Na de restauratie werd er in het kerkgebouw een tentoonstelling gehouden over 'Durgerdam vroeger'

waar ook veel aandacht was besteed aan scheepvaart, visserij, de drie Bordings, die in 1849 veertien

dagen op een ijsschots over de Zuiderzee zwierven, enz..

leder, die deze tentoonstelling bezocht, zal getroffen zijn door een ingrijpende wijziging in het interieur:

de avondmaalstafel staat nu voor de preekstoel en daarvoor moest het uit plm.1650 daterende

doophek wijken. Een oud-Durgerdammer bood aan om de verf ervan te verwijderen en waar nodig te

restaureren. De beide doopbogen zijn verdwenen. Het doophek staat nu ontheemd achterin de kerk,

achter de stoelen, terwijl de koperen pinakels van de doopbogen pronkend prijken op een zeer

vreemde plek - op de einden van het doophek. De kerk wordt nu ook gebruikt als aula bij

begrafenissen. Het doophek - op wieltjes - wordt dan verrold.

TEN SLOTTE

Durgerdam: een oud vissersdorp. De herinnering aan de visserij vervaagt en zal op de duur geheel

verdwijnen. Een prachtig stuk snijwerk, voorstellende de drie Bordings op een ijsschots en een getuigd

model van een botter, beide vervaardigd door de Durgerdammer jr. Bakker, mogen dienen om die

herinnering zo lang mogelijk te bewaren. Daarom vonden deze een plaats in de kerk. Het kerkje van

Durgerdam is geen architectonisch monument, maar wel een monument van offerbereidheid in een

dorpje waar gelukkig de tradities nog niet zijn uitgestorven.