Op hunne ijsschots

[p. 47]

Een vreeselijke zondag.

 
Ja, mannen! 't lot is bang, men denk' hier aan geen keeren:
 
Elk volgend ochtenduur zal nog den nood vermeeren.
 
 
 
H. Tollens.

IV.

Zondagmorgen!

Liefelijke gedachten wekt dat woord: gedachten aan rust en vrede.

Maar 't is geen rust, geen vrede, die er heerscht in de harten van Bording en zijn zoons.

Angst heeft zich van hen meester gemaakt, nu zij Pampus1) van ijs ontbloot zien, nu zij de watermassa aanschouwen. die hen scheidt van hun dorp.

‘Wat nu?’ vraagt Klaas.

‘Noordwaarts op!’ roept Bording; ‘daar steekt het land wat meer in zee uit; mogelijk, dat we dáár aan wal komen!’

De slede wordt omgewend, een laatste blik op het bruisende water geslagen - en voort gaat het in noordelijke richting.

Men zou het den drie visschers niet aanzien, dat zij het grootste deel van den Zaterdag en den geheelen nacht hebben gewaakt.

[p. 48]

Zie hun voeten zich reppen over het glibberige ijsvlak; zie, met wat kracht de twee jonge mannen de slede voortstuwen, als ware zij niet beladen met zevenhonderd vijftig botten, verscheidene netten en wat ze verder bergt.

De wind blaast met volle kracht uit het zuidwesten en schijnt zich tot een storm te willen verheffen.

Doch den storm vreezen zij niet. Integendeel - hij versnelt hun vaart en doet de hoop in hun hart levendig worden, dat het ijsveld straks tegen den Uitdamschen dijk zal stooten.

‘Uitdam!’ roept Jaap na eenige oogenblikken.

Inderdaad - daar rijst het torentje van het onaanzienlijk dorpje omhoog.

Maar tevens - ach! de uitdrukking van hoop en verwachting verdwijnt van het gelaat der drie visschers: zij bevinden zich niet ver van den rand hunner ijsschots - doch op ongeveer een uur gaans afstands van de Hollandsche kust.

Moedeloos kijken de zwervers elkander aan en die blik - hij zegt meer, dan woorden kunnen uitspreken.

Daar - in het kleine visschersplaatsje - vermoedt niemand, dat hier menschen in nood verkeeren. Het grootste deel der bevolking zit er waarschijnlijk in het kerkje te luisteren naar de stichtelijke woorden van den leeraar, zonder te weten, hoe drie paar oogen angstig gericht zijn naar de spits van hetzelfde bedehuis, waarin zij, Uitdammers, vol aandacht neerzitten.

[p. t.o. 48]



illustratie

Zie - de noodvlag staat in top. (bladz. 49.)


 

[p. 49]

Ja - vader Boreling en zijn zoons, ze turen diep weemoedig naar het oude kerktorentje. En het voert hen terug naar hun eigen dorpskerkje, waarvan hun de spits reeds zoo tallooze malen het welkom toeriep, wanneer ze na stormachtige reizen huiswaarts keerden, vermoeid, verkleumd, doornat.

En ze denken aan hun eenvoudig, doch vriendelijk en gezellig tehuis - aan hun woning, waarvan Moeder de ziel en de zon is.

Hun woning!

Een onstuimig verlangen naar huis en haard maakt zich van hen meester.

Zou het geheel onmogelijk zijn, de aandacht der Uitdammers op zich te vestigen?

O, ze weten het wel: zoo ze gaan roepen, zal de storm hun geluid overstemmen...... Maar ze kunnen nog iets anders doen.

Met spoed ontdoet Jaap zich van zijn buis en bevestigt dit aan een lat, die hij door een der mouwen steekt.

Zie - de noodvlag staat in top.

Met gespannen aandacht turen de visschers naar de kust. Doch niets, niets bewijst hun, dat ze worden opgemerkt.

Daar klinken elf slagen.

‘Elf uur!’ mompelt Klaas.

‘Laat ik je nu eens aflossen,’ zegt Bording tot Jaap - en de noodvlag gaat over in handen van den vader.

[p. 50]

Deze zwaait haar woest heen en weer, terwijl Klaas en Jaap zich niet kunnen weerhouden, ondanks het gebulder van den storm, om hulp te gaan roepen.

Doch niemand hoort, niemand ziet hen.

Wat te doen?

‘We moeten hier blijven wachten, tot de kerk uitgaat,’ raadt Klaas, ‘dan komt er meer volk op den dijk - misschien dat iemand ons dan in 't oog krijgt.’

‘'t Is te probeeren,’ stemt Bording toe.

‘Als de wind niet draaien ging,’ valt Jaap in, terwijl hij naar de lucht wijst. ‘De wind wordt noordwest, zie je wel, vader?’

Ja, vader Bording ziet het met een zucht. Weer is er een kans op redding verloren. De noordwestenwind, blazend met volle kracht, voert het ijsveld waarop ons drietal zich bevindt, verder van de kust, die zich al flauwer en flauwer aan hun oog voordoet en eindelijk geheel verdwijnt achter grauwe regenstrepen.

Maar alle hoop op behoud is nog niet verloren.

Al bestaat er geen kans meer voor hen, aan de Noord-Hollandsche kust te landen, wellicht, dat de noordwesterstorm hen den Gooischen oever zal doen bereiken.

‘Kom, jongens,’ roept Bording, ‘zuidwaarts aan!’

Weer wordt de zware slede gewend en de drie zwervers richten hun schreden naar het zuiden.

Ze snellen voort over den gladden ijsvloer, zwij-

[p. 51]

gend, spiedend, met angst in het hart, maar toch nog met een straal van hoop in het oog.

De stormwind loeit zijn reuzenzang - ze hooren het nauwelijks.

De regen klettert op het ijs - ze slaan er geen acht op.

Schuwe meeuwen vliegen bij hun nadering krijschend op - ze zien het niet.....

Muiderberg verrijst voor hun oog.

Hun spanning neemt toe.

Als de Gooische kust maar bereikbaar is!

Gelijk arenden, die hun prooi beloeren, zoo turen de ongelukkigen voor zich uit.

‘Zie jij water?’ roepen Bording en Klaas tot Jaap, die het best van hun drieën zien kan.

‘Nog niet.’

‘Wat zie je dan?’

‘Stil - ik kan alles nog niet goed onderscheiden.’

Een minuut lang zwijgen allen.’

‘Nu?’ roept Klaas.

Jaaps voorhoofd betrekt.

‘Nu?’

‘Halt maar!’ roept Jaap. ‘We hoeven niet verder te gaan. De zee vóór Muiderberg zit vol drijfijs...... Daar komen we niet door!’

Bording en Klaas echter snellen nog een eind voort...... Jaap mocht zich eens vergist hebben!

Maar neen, helaas! Jaap heeft zich niet vergist.

Van de grens hunner ijsschots tot de Gooische

[p. 52]

kust toe, een afstand van ruim een uur, is de zee met drijfijs bedekt, te dicht, om door de groote schots te worden uiteengedreven, maar niet zwaar genoeg, om het gewicht der drie visschers te torsen.

Somber staren de mannen vóór zich uit.

Alles - alles loopt hun tegen!

Reeds ten derde male werd nu hun hoop op behoud wreed verstoord......

‘Nu weet ik niet meer waarheen!’ roept de vader handenwringend uit.

‘Wij zijn verloren!’ weeklaagt de oudste zoon.

Maar Jaap geeft den moed nog niet op.

‘Hoor eens,’ spreekt hij op beslisten toon. ‘We hebben al zóóveel geloopen, dat een paar uur meer of minder er niet op aankomt. Ons ijsveld is groot - laten we nog eens noordwaarts gaan; misschien dat we Markenbereiken.’

‘Marken?’ vraagt Klaas ongeloovig.

‘Ja, Marken. We kunnen het ten minste probeeren. Wat vind jij, vader?’

‘We moeten alles doen, wat we kunnen, om van 't ijs te komen,’ antwoordt Bording op twijfelmoedigen toon.

Een moeilijke tocht, dien zij thans gaan ondernemen!

Het is, alsof de natuur hun wil beletten, de laatste poging tot landing ten uitvoer te brengen.

Maar met de kracht der wanhoop worstelen ze voort.

[p. 53]

't Is een strijd van uren......

‘Marken!’ roept Jaap eensklaps.

En inderdaad - heel, heel in de verte, doemt het kleine visscherseiland aan den horizon op.

Zouden ze het bereiken?

Ze verhaasten hun schreden - maar ach, zij naderen niet.

Wel houden ze het eiland nog eenigen tijd in zicht, maar de storm doet hun schots steeds meer in oostelijke richting afdrijven, zoodat ze ten laatste niets meer zien dan lucht en ijs.

Thans is alle hoop op uitkomst vervlogen.

Druipnat en afgetobd zetten zij zich op den rand der slede neer en radeloos staren ze voor zich uit.

En intusschen daalt de avond......

Ontzettende gedachte, wéér een nacht te moeten doorbrengen op het ijs, in den regen, rillend van kou, zonder te weten waarheen, zonder uitzicht op redding en met de vreeselijke bewustheid, dat hun verwanten te Durgerdamin de diepste droefheid moeten verkeeren over het lot van hen, die zij verloren wanen.

O, die bange, lange nacht - nacht van vijftien uren!

Langzaam komt hij nader en spreidt zijn donkeren mantel uit over de Zuiderzee. Als een spooksel grijnst hij hen aan, onverschillig voor hun bitter lijden.

Ach, wisten ze maar, dat op dien nacht redding volgde - getroost zouden ze regen en koude verduren; maar wie verzekert hun, dat ze ooit weer de

[p. 54]

voeten aan land zullen zetten; dat zij niet den dood zullen vinden in de golven onder hen?

Den dood.........

Schrikbeeld, dat hun de ziel vervult!

Want ze hebben het leven lief, al heeft het hun tot nu toe meer distelen dan rozen geboden - en ze denken aan huis...... aan Moeder, die zeker op ditzelfde oogenblik tranen vergiet om het vermoedelijk lot van haar man en haar zoons; aan de kinderen, die zullen schreien, nu hun kostwinners verloren zijn,

Droefgeestig krijschend vliegt een verdwaalde vogel over het ijs.

Waarheen?

Zij weten het, de verlatenen: naar zijn veilig nest ...... ja, naar zijn veilig nest!

Diep rampzalig staren de visschers hem na.

Zuidwestwaarts vliegt hij - in de richting van Durgerdam!

Klaas springt op en strekt wanhopig de armen naar den voortsnellenden vogel uit.

‘Verloren! Verloren!’ schreeuwt hij woest. ‘We zien Durgerdam nooit terug!’

En zijn vader noch zijn broer wagen het, hem tegen te spreken; hem te zeggen, dat hij overdrijft; dat alle hoop op uitkomst nog niet moet worden opgegeven.

‘Verloren!’ dat is de sombere galm, die hun door het gemoed ruischt: ‘Verloren!’

De kou en de regen echter dwingen hen tot handelen.

[p. 55]

Zeker - ze zijn van het noodlottige van hun toestand ten volle overtuigd; ja - ze zien den dood voor oogen...... maar toch, de trek naar het leven, ieder ingeschapen, doet ook hen alles in het werk stellen, wat dienen kan, om hun bestaan te rekken.

Jaap is de eerste, die zich uit de vreeselijke overpeinzingen der laatste oogenblikken losrukt.

‘Kom, Vader! kom, Klaas!’ roept hij luide. ‘Zóó kunnen we niet blijven zitten. Er liggen twee zeilen en een paar latten op de slee. Laten we die latten op zij aan de slee vastspijkeren en de zeilen er over heen slaan en er aan vastmaken, dan hebben we ten minste een beetje beschutting tegen regen en wind. Als we zóó blijven zitten, zijn we morgen dood.’

‘Was het maar zoo!’ zucht Klaas in een oogenblik van moedeloosheid.

‘Ho, ho! zoo mag je niet spreken!’ valt Jaap in. ‘Zoo dacht je er vanmiddag óók niet over, anders had je zoo niet met ons meegedraafd! Wat zeg jij, Vader?’

Bording voelt zich beschaamd. Jaap, de jongste van hun drieën, geeft het voorbeeld van vastberadenheid, terwijl hij, de vader, zich door zijn bekommernissen laat meesleepen.

Haastig springt hij op: hij zal toonen, vader te zijn.

‘Kom, Klaas,’ roept hij, maar aan het trillen van zijn stem is het te hooren, dat hij zich geweld aan-

[p. 56]

doet, zijn ontroering te verbergen. ‘We gaan een schut maken, Help je mee?’

Weldra zijn drie paar handen bezig, den toestel in gereedheid te brengen en even later zitten de drie mannen zoo dicht mogelijk bij elkander op de slede, door de zeilen eenigszins - maar zeer onvoldoende - tegen regen en wind beschut.

Rondom hen is het volslagen donker, terwijl de noordwesterstorm over het ijs giert en de regen nog steeds in stralen neerplast.

‘Jongens,’ spreekt Bording, terwijl hij zijn handen op hun schouders legt, ‘we hoeven het elkaar niet te zeggen, niet waar, dat we er heel slecht aan toe zijn - heel slecht. Waar we heen drijven, weet ik niet, omdat we geen oogenblik zeker zijn van den wind. Blijft hij noordwest, dan drijven we naar de Geldersche kust; wordt hij zuid of zuidwest, dan bestaat er kans, dat we tusschen Enkhuizen en Stavoren door drijven en door een van de Noordzeegaten in de Noordzee terechtkomen en dan zijn we weg......’

Ernstig hebben Klaas en Jaap hun vader aangehoord.

‘Weet je, waarop ik nog hoop?’ vraagt de laatste. ‘Dat de lui uit ons dorp, als de dooi nog een paar dagen aanhoudt, misschien een botter zullen uitsturen, om ons te zoeken.’

‘En niet te vinden!’ vult Klaas aan.

Jaap antwoordt niet. Hij zelf acht de kans, op zee te worden gevonden, uiterst gering...... Doch alles is

[p. t.o. 56]



illustratie

Even later zitten de drie mannen zoo dicht mogelijk bij elkander op de slede. (bladz. 56.)


 

[p. 57]

mogelijk en hun toestand is van dien aard, dat zelfs de geringste mogelijkheid, om te worden gered, waarde voor hen heeft.

‘Wat zou je meenen, Vader, dat Moeder van ons denkt?’ vraagt Klaas opeens.

‘Dat we verdronken zijn,’ is het sombere antwoord. ‘Hoe zou ze ook iets anders kunnen denken? De zee voor Durgerdam is immers heelemaal open.’

‘Dat we nu niets - niets van ons kunnen laten hooren!’ roept Klaas in wanhoop, sidderend bij de gedachte aan de zielesmart van zijn moeder, die hij zoo teeder liefheeft.

Bording zwijgt: hij is in gepeins verdiept. Hij denkt aan zijn vrouw, met wie hij reeds twintig jaar in lief en leed verbonden is.

Wat hebben ze elkander steeds liefgehad; hoe hebben ze steeds voor elkaar geleefd. In vreugde en droefheid, in voor- en tegenspoed hebben ze altijd naast elkander gestaan.

Ja, Goddank! ze hebben ook vreugde gekend, al werd het leed hun in veel ruimere mate toebedeeld. Zijn niet al hun kinderen voorspoedig opgegroeid en hebben deze niet steeds de zorgen en de opofferingen hunner ouders beloond door liefde en aanhankelijkheid?

O, hoe dikwijls was Bording niet van zee gekomen, morrend over de slechte vangst; maar ook; hoe vaak had zijn trouwe echtgenoote hem dan niet gewezen op hun bloeiende kinderen met den troost,

[p. 58]

dat deze toch nog nooit met honger van tafel waren opgestaan. En dikwijls had hij dan zijn oogen voelen vochtig worden en gefluisterd, dat hij toch nog niet zou willen ruilen met een rijke, die géén kinderen had. En dan had hij de kleinen gekust en beurt voor beurt op den schoot genomen en hun verteld van storm en van onweer, van hooge golven en van schuimende zeeën, totdat Moeder kwam en aan bedtijd herinnerde......

En zou dat alles nu onherroepelijk voorbij zijn?

‘Kom, Vader!’ klinkt de stem van Jaap. ‘We moesten een stukje eten. Wij hebben nog drie sneden roggebrood...... het zijn de laatste......’

‘Nee jongen, dank je,’ is het antwoord. ‘Ik heb geen honger, eet jullie mijn deel maar samen op.’

‘Warempel niet,’ valt Jaap in. ‘Je moet toch ook wat eten, Vader! Het kan nog lang duren, eer we weer wat krijgen.’

‘Maar ik heb op 't oogenblik in 't geheel geen honger,’ antwoordt Bording.

‘Tòch eten, Vader! Je hebt in lang niets gehad.’

‘En als alles op is, wat dan?’

Ja, wat dan?’

Over die vraag heeft Jaap nog niet nagedacht. Maar hij wil er thans óók niet over denken. Hij heeft de gelukkige eigenschap, zich nooit te verdiepen in het vooruitzicht van leed, dat komen kan. ‘Als het komt, is 't erg genoeg,’ zegt hij gewoonlijk. ‘Geen ellende vóór den tijd!’

[p. 59]

Het laatste antwoordt hij ook nu op de vraag van zijn vader.

‘Kom, Vader,’ laat hij er op volgen. ‘Eet nu óók een stuk roggebrood.’

Bording laat zich overhalen, terwijl ook Klaas en Jaap met een snee van het grove brood hun avondmaal doen.

Het kan nu ongeveer zes uur zijn.

‘Jongens,’ spreekt Bording, ‘als jelui slapen wilt, hoef jelui dat om mij niet te laten. Jullie bent jong en hebt meer behoefte aan slaap dan ik. Ik zou geen oog kunnen toedoen.’

‘Ik óók niet!’ antwoorden Klaas en Jaap.

‘Probeer het maar eens; misschien dat jelui wel indut.’

Doch de jongens houden vol, dat het hun onmogelijk is.

En geen wonder.

Wie zou kunnen slapen, terwijl hij in doodsangst verkeert, doornat is van den regen en verkleumd van kou, den wind hoort gieren over de ijsschots, die hem draagt, en het water hoort neerplassen van den hemel......

Geen slaap dus - geen spoor van slaap zelfs doet hen de oogen sluiten.

En ze zijn toch zoo vermoeid - de ongelukkigen!

Hoe hebben ze zich gisteren niet ingespannen, om de visschen machtig te worden, die thans nog op de slede liggen; hoevele uren hebben ze heden niet

[p. 60]

ijver het ijs gerend onder angst en vreeze - en ook den vorigen nacht heeft hun de engel des slaaps niet de oogleden gekust......

‘Ben je zoo koud, Vader?’ roept Klaas, die meent, zijn vader te hooren klappertanden.

‘Koud?...... nee...... maar......’

Jaap echter heeft zijn buis al uitgetrokken en het zijn vader over de schouders geworpen - een voorbeeld, dat door Klaas gevolgd wordt.

‘Goeie jongens!’ stamelt de vader met trillende stem, ‘maar hou jelui zelf......’

Doch Jaap denkt al weer aan iets anders.

‘Zouden we morgen de botten wel meenemen, die in de slee liggen?’ zoo vraagt hij. ‘Waarvoor zouden we 't eigenlijk doen? 't Is maar last.’

‘Ja, dat vind ik óók,’ meent Klaas, ‘We zouden heel wat vlugger voortkomen, zonder die paar honderd pond visch.’

‘Dan moeten we morgenochtend maar 't grootste deel in een bijt gooien,’ spreekt de vader.

‘'t Grootste deel?’ vraagt Jaap.

‘Ja.’

‘En waarom niet alles?’

Maar eensklaps begrijpt hij zelf reeds, waarom zij een aantal botten zullen moeten bewaren...... Wie weet, wat hen nog te wachten staat!

Ontzettend lang duurt de nacht.

Telkens en telkens staren zij naar het oosten; telkens verbeelden ze zich, dat de morgenschemering

[p. 61]

aanbreekt, maar telkens ook zien ze zich bedrogen en ontdekken ze, dat hun verbeelding hen misleidt.

Maar eindelijk toch...... eindelijk klaart het nachtelijk duister op en breekt de morgenstond aan.

‘Alles nog ijs!’ roept Bording rondziende.

‘En nog altijd noordwestenwind,’ voegt Klaas er bij.

‘Dan hebben we kans, dat we naar de Geldersche kust drijven!’ roept Jaap.

Er is iets in den toon van de stem der drie zwervers, dat hun weer eenige hoop geeft, evenals het vallend donker gisterenavond de laatste vonk van hoop in hun harten verdoofde.

Haastig worden de botten - op een vijftigtal na - in een bijt geworpen en de schreden naar het zuidoosten gewend.

‘We zullen toch wel eens ergens landen!’ roept Jaap, die als altijd de zaak weer van haar besten kant bekijkt.

‘God weet het!’ zucht Bording.